ECLI:NL:OGHACMB:2021:212

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
11 juni 2021
Publicatiedatum
16 augustus 2021
Zaaknummer
CUR2021H00134
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 429p lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek kinderalimentatiebeschikking in hoger beroep

De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg waarin zijn bijdrage in kinderalimentatie en kosten voor kinderopvang is vastgesteld. Hij verzocht tevens om schorsing van de werking van deze beschikking totdat in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist.

De vader stelde dat hij onvoldoende draagkracht heeft om aan de alimentatieverplichtingen te voldoen en dat de beschikking op het punt van kinderopvangkosten op een kennelijke misslag berust, omdat de kosten na de beschikking aanzienlijk zijn gestegen. Hij voerde aan dat het Gerecht hem onvoldoende gelegenheid heeft gegeven zijn daadwerkelijke draagkracht aan te tonen.

Het Hof overwoog dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat schorsing alleen kan worden toegestaan als het belang van de vader bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de moeder en de minderjarige bij de uitvoerbaarheid. Het Hof verwierp het betoog van een kennelijke misslag en constateerde dat de kostenstijging niet heeft geleid tot een noodtoestand die schorsing rechtvaardigt. Bovendien moet de moeder haar aanspraken met facturen onderbouwen, waardoor de vader zekerheid heeft over de kosten.

Daarom wees het Hof het verzoek tot schorsing af en veroordeelde de vader in de kosten van het schorsingsincident.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de kinderalimentatiebeschikking wordt afgewezen.

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESCHIKKING
op het verzoek tot schorsing ex artikel 429p lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder Rv) van:
[Verzoeker],
wonend in Curaçao,
hierna te noemen: de vader,
oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,
verzoeker tot schorsing,
gemachtigde: mr. B. Lie-Atjam,
tegen
[Verweerster],
wonend in Curaçao,
hierna te noemen: de moeder,
oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,
verweerster tot schorsing,
gemachtigde: mr. M.N. Meyer.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij akte van 29 april 2021, tevens houdende middelen/grieven van hoger beroep, met producties, is de vader in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 18 maart 2021 uitgesproken eindbeschikkingsgedeelte van de deelbeschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht). De beschikking is – voor zover daarin eindbeslissingen zijn genomen - uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.2.
Bij op 7 mei 2021 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, heeft de vader een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking totdat in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist, kosten rechtens.
1.3.
Bij per e-mail d.d. 28 mei 2021 ingediend verweerschrift, heeft de moeder geconcludeerd dat het Hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek zal afwijzen.
1.4.
Op 4 juni 2021 hebben partijen schriftelijke pleitnotities ingediend.
1.5.
Uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit op [datum] 2018 [minderjarige] is geboren. De vader heeft de minderjarige erkend.
2.2.
In het dictum van de bestreden beschikking is - voor zover hier van belang - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] bepaald op a. NAf. 250 per maand, ingaande 1 september 2020, in de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen; en b. de helft van de daadwerkelijk gemaakte kosten aan kinderopvang vanaf de datum van de beschikking, telkens te voldoen nadat de moeder de factuur heeft overgelegd, met bepaling dat de vader de achterstallige alimentatie in maandelijkse termijnen van NAf. 125 aan de moeder betaalt, zulks met ingang van 1 april 2021. De beschikking is - als overwogen - uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
De vader heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd - kort samengevat en in de kern - dat hij door een tekort aan draagkracht niet in staat is om aan de hiervoor aangehaalde verplichtingen uit de beschikking te voldoen. Verder heeft hij aangevoerd dat de beschikking op het punt van de bijdrage in de kosten voor kinderopvang op een kennelijke misslag berust, omdat het Gerecht daarmee een open norm heeft gecreëerd, met alle gevolgen van dien, zoals dat direct na de beschikking de kosten voor kinderopvang zijn gestegen van NAf. 325 naar NAf. 600 per maand en de moeder aldus ook kan beslissen om NAf. 2.000 voor kinderopvang te betalen, kennelijk om hem te pesten. De vader voert verder aan dat het Gerecht de vader de gelegenheid had moeten bieden om zijn daadwerkelijke draagkracht aan te tonen en niet zomaar een bedrag van NAf. 250 aan kinderalimentatie moeten vaststellen. Hij stelt dat hij – het hof begrijpt - per saldo NAf. 150 per maand aan kinderalimentatie kan betalen.
2.4.
Bij de beoordeling van het verzoek dient het volgende in aanmerking te worden genomen: (i) uitgangspunt is dat een uitspraak als waar het hier om gaat, hangende het hoger beroep ten uitvoer kan worden gelegd; afwijking van dat uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan; (ii) bij de toepassing van de onder (i) genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissing in de bestreden uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de uitspraak berust op een kennelijke misslag; (iii) indien de beslissing over de tenuitvoerlegging bij voorraad in de uitspraak is gemotiveerd, moeten, afgezien van het geval dat de beslissing op een kennelijke misslag berust, aan het verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag worden gelegd die bij het nemen van de beslissing niet in aanmerking konden worden genomen, doordat deze zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken.
2.5.
Het verzoek zal worden afgewezen. Het Hof wil wel aannemen dat de vader belang heeft bij de gevraagde schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Niet valt echter in te zien waarom dat belang zwaarder zou moeten wegen dan dat van de moeder (en dat van [minderjarige) bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. De daartoe betrokken stelling dat de beslissing over de kosten voor kinderopvang klaarblijkelijk op een missslag berust, wordt verworpen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de beslissing over de kinderalimentatie – waartoe de vastgestelde bijdrage in de kosten voor de kinderopvang moet worden gerekend – gebaseerd is op de overweging dat partijen dienaangaande ter zitting tot overeenstemming zijn gekomen (rov. 4.5). Weliswaar zijn – zo is niet betwist - na de beschikking de kosten voor kinderopvang gestegen, maar gesteld noch is gebleken, dat deze stijging bij de vader klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Er zijn verder geen concrete aanwijzingen dat de moeder hangende het hoger beroep (alsnog) tot een dergelijke stijging zal beslissen, daargelaten of die beslissing in het licht van het gezamenlijk ouderlijk gezag (louter) aan haar is. Daarbij komt dat zij haar desbetreffende aanspraken steeds met facturen moet staven, zodat de vader in elk geval ervan verzekerd is dat het inderdaad om kosten voor de kinderopvang gaat.
2.6.
De slotsom is dat het verzoek van de vader zal worden afgewezen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst het verzoek van de vader tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking af;
veroordeelt de vader in de kosten van dit schorsingsincident aan de zijde van de moeder gevallen, tot op heden begroot op NAf 2.000,- aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. Th.G. Lautenbach, A.S. Arnold en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en uitgesproken op 11 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.