ECLI:NL:OGHACMB:2021:238
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- E.M. van der Bunt
- F.W.J. Meijer
- Th.G. Lautenbach
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in echtscheidingszaak zonder huwelijksgemeenschap
Partijen waren op 17 juli 2007 buiten gemeenschap van goederen gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Het Gerecht in eerste aanleg sprak op 16 juni 2020 de echtscheiding uit en beval de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De man kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en tegen de beschikking van 25 september 2020, waarin onder meer de hoofdverblijfplaats van de kinderen en kinderalimentatie werden bepaald.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep trok de man al zijn klachten tegen de beschikkingen in, behalve tegen het bevel tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Het Hof oordeelde dat dit bevel een eindbeslissing is waartegen het hoger beroep zes weken na de beschikking had moeten worden ingesteld. Omdat het hoger beroep te laat was ingediend, werd de man niet-ontvankelijk verklaard.
Het Hof stelde vast dat partijen buiten gemeenschap van goederen waren gehuwd en dat er dus geen huwelijksgoederengemeenschap was om te verdelen. De vordering van de vrouw wegens investeringen in het appartement van de man behoort niet tot de echtscheidingsprocedure, maar moet in een aparte procedure worden behandeld. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en stelt vast dat er geen huwelijksgoederengemeenschap is.