ECLI:NL:OGHACMB:2021:272

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 augustus 2021
Publicatiedatum
30 augustus 2021
Zaaknummer
SXM2016H00031
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling schadevergoeding na natuurramp orkaan Gonzalo bevestigd door Gemeenschappelijk Hof

In deze civiele procedure tussen appellant en geïntimeerde over schadevergoeding na de natuurramp orkaan Gonzalo heeft het Gemeenschappelijk Hof het eerdere vonnis bevestigd. De appellant vorderde betaling van schadeposten die hij stelde te hebben geleden door de orkaan en regenval. Het Hof oordeelde dat slechts een deel van de schade, namelijk US$ 436,08 minus reeds betaalde bedragen, toewijsbaar was aan de geïntimeerde.

De appellant had onvoldoende bewijs geleverd voor de overige schadeposten en het causaal verband met de natuurramp. Het Hof wees erop dat de appellant nagelaten had tussentijdse beschadigingen tijdig te documenteren en dat vermoedens van dubbeltelling niet waren ontkracht. De geïntimeerde werd veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 november 2014.

De appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die tot op heden nihil zijn begroot. De comparitie vond plaats via videoconference waarbij de geïntimeerde niet was verschenen. Het vonnis is gewezen door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof en uitgesproken te Sint Maarten op 27 augustus 2021.

Uitkomst: De geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van US$ 436,08 plus wettelijke rente aan de appellant, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:
Registratienummers: SXM201501326 SXM 2016H00031
Uitspraak: 27 augustus 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS
in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Sint Maarten,
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans appellant,
procederend in persoon (voorheen gemachtigde: mr. J. Snow),
tegen

[GEINTIMEERDE],

in eerste aanleg wonende in Sint Maarten, met gekozen domicilie ten kantore van
zijn toenmalige gemachtigde mr. C.M. Marica, huidige woonplaats onbekend,
oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,
thans geïntimeerde,
in hoger beroep niet verschenen.
De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1
Voor het procesverloop tot 22 februari 2019 verwijst het Hof naar zijn tussenvonnis van die datum.
1.2
De bij dat tussenvonnis gelaste comparitie van partijen is - uiteindelijk, na om verschillende redenen te zijn uitgesteld - gehouden op 11 juni 2021. Deze vond plaats via videoconference, waarbij het Hof zich in Kas di Korte in Curaçao bevond en [appellant] is verschenen in het Courthouse te Sint Maarten. [geïntimeerde] is, na begin maart 2021 tijdig te zijn opgeroepen op de in het laatste tussenvonnis omschreven wijze, niet verschenen. Op de comparitie zijn vragen van het Hof beantwoord en heeft [appellant] zijn standpunt nader toegelicht.
1.3
Vonnis is bepaald op heden.
2.
De verdere beoordeling
2.1
Het Hof volhardt bij zijn tussenvonnissen.
1
2.2
Voor de duidelijkheid wordt de opbouw van de bij conclusie van antwoord door [appellant] gestelde schade hieronder nogmaals weergegeven:
Bij ICWI geclaimde schade US$ 4.326,00
Nieuwe dakplaten 2.795,00
Reparatie airco’s 450,00
Nieuwe airco 1.450,00
Vervanging flood lights 295,00
Bed 1.000,00
Sofa 169,00
Tv 255,00
Binnendeuren 570,00
US$ 11.310,00
Ad a.
2.3
Het Hof heeft in het tussenvonnis van 17 november 2017 vastgesteld dat [geïntimeerde]
(totaal) US$ 2.258,78 bij zijn verzekeraar ICWI had geclaimd in plaats van
US$ 4.326,00 zoals gesteld door [appellant].
2.4
Ook is reeds geoordeeld dat de aftrek wegens eigen risico, die [geïntimeerde] door zijn verzekeraar ICWI in rekening is gebracht, [appellant] niet regardeert. In zoverre slaagt het appel. Het Hof zal [geïntimeerde] alsnog veroordelen om het verschil aan [appellant] te betalen, rekening houdend met de door [geïntimeerde] als vergoeding voor diens computer ingehouden US$ 375,00 waarover in appel niet is geklaagd. Het in eerste aanleg gevoerde verweer van [geïntimeerde] dat hij eerder al US$ 1.420,70 aan [appellant] heeft betaald wordt verworpen, nu de bewijslast van die betaling op [geïntimeerde] rust en de ingebrachte e-mails dat bewijs niet opleveren. Het Gerecht heeft in ieder geval dat bedrag terecht in mindering gebracht op het aan [geïntimeerde] uit te betalen bedrag van het depot en het Hof zal, nu ter comparitie in hoger beroep duidelijk is geworden dat het bestreden vonnis al is uitgevoerd, [geïntimeerde] veroordelen om daarbovenop nog US$ 463,08 (2.258,78 - 375 - 1.420,70) aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2014, zoals door [appellant] in reconventie gevorderd.
Ad b tot en met i.
2.5
Ook na het tussenvonnis van 17 november 2017 is door [appellant] geen bewijs bijgebracht, noch daartoe een toereikend, voldoende op concrete feitelijke omstandigheden en stellingen toegespitst aanbod gedaan, van het causaal verband tussen de door hem ander deze posten gevorderde kosten en de orkaan Gonzalo en/of de regenval bedoeld in het depotbeding. [appellant] heeft nagelaten de door hem aan te tonen tussentijdse beschadigingen tijdig en afdoende te laten vaststellen en/of documenteren en hij heeft het ook niet nodig gevonden zich ervan te verzekeren dat de schade-expert [naam] als informant ter comparitie zou verschijnen. Daarom zal ervan uit worden gegaan dat de door [appellant] verrichte werkzaamheden geen gevolg zijn geweest van de orkaan Gonzalo en/of de bedoelde regenval en dienen de voor die werkzaamheden gemaakte kosten voor rekening van [appellant] te blijven. Daarnaast is het vermoeden van dubbeltelling tussen de posten f dan wel g en i en de reeds door [geïntimeerde] bij de verzekering geclaimde schade (zie rov. 2.14 van het tussenvonnis) niet ontkracht. Het Gerecht heeft de vordering met betrekking tot de schadeposten
onder b tot en met i dus terecht (hoewel op andere gronden) afgewezen. In zoverre faalt het appel. Tegen de oordelen over de nevenvorderingen (zoals die ter zake van de wettelijke rente en de incassokosten) heeft het Hof geen bedenkingen, ook niet als er met [appellant] van wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] zich aan (bemiddelende) gesprekken met de notaris heeft onttrokken. Voor zover thans is gebleken dat [appellant] geen bewijs had van de beschadigingen, en moet worden aangenomen dat die schade er niet is geweest, maakte [geïntimeerde] immers terecht aanspraak op betaling van het resterende deel van de overeengekomen koopsom. Dat de notaris daaraan iets had kunnen veranderen is niet aannemelijk (gemaakt) en een eventueel beroep van [appellant] op opschorting is (achteraf) ongerechtvaardigd en doet aan het verzuim niet af.
2.6
De veroordeling in conventie is, zo verklaarde [appellant] tijdens de comparitie, uitgevoerd: [geïntimeerde] heeft het bedrag van US$ 8.579,30 uit het depot ontvangen. Het bestreden vonnis zal worden bevestigd met dien verstande dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om nog US$ 436,08 aan [appellant] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2014. Nu [appellant], niettegenstaande deze nabetaling, net als in eerste aanleg (in zowel conventie als reconventie) als de overwegend in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, zal hij worden veroordeeld in de kosten van het appel aan de zijde van [geïntimeerde], tot op heden begroot op nihil.

BESLISSING

Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen US$ 436,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2014 tot de dag der algehele betaling;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, F.W.J. Meijer en A.S. Arnold, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 27 augustus 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.