Uitspraak
Het Hof laat de stukken aangeduid als "Verklaring Deel 1 GM Incl. Producties" buiten beschouwing. Deze stukken betreffen de verzuimhistorie van [appellante] van vóór juli 2019 en de Beheerraad heeft deze verzuimhistorie niet aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd.
De overige stukken betreffen verklaringen van [hoofd Back Office] en van [vestigingsmanager], met producties. Het overleggen van die verklaringen minder dan een week voor de zitting is niet in strijd met de goede procesorde. [hoofd Back Office] en [vestigingsmanager] waren aanwezig ter nadere zitting, waartoe het Hof hen uitdrukkelijk had uitgenodigd, en hadden deze verklaringen ook ter zitting kunnen afleggen. Omdat [appellante] voorafgaand aan de zitting van deze verklaringen kennis heeft kunnen nemen en haar reactie daarop beter heeft kunnen voorbereiden, is zij door het overleggen van hun schriftelijke verklaringen niet in haar procespositie benadeeld. Het overleggen van de, omvangrijke, producties bij de verklaringen zo kort voor de zitting, is wel in strijd met de goede procesorde. Deze blijven daarom buiten beschouwing, behalve voor zover het gaat om documenten die al tot de gedingstukken behoorden.
Ook is niet aannemelijk geworden dat [appellante] in de periode nadat zij op 19 september 2019 arbeidsgeschikt was verklaard, niet in staat was te werken in het KNSM-gebouw wegens de daar heersende omstandigheden. De bedrijfsartsen hebben steeds vastgesteld dat [appellante] niet ongeschikt was om haar werkzaamheden te verrichten. Bij zijn beoordeling van 27 november 2019 heeft de bedrijfsarts de eerste bevindingen van het BPOrapport betrokken. Dat [appellante] ziek zou worden van witte stofdeeltjes in het KNSMgebouw is niet komen vast te staan. De bedrijfsartsen hebben dit niet vastgesteld en uit het rapport van BPO komt naar voren dat het om, ongevaarlijke, textielvezels ging. De door [appellante] overgelegde verklaringen van haar huisarts en andere artsen bevatten geen objectiveerbare medische gegevens die de conclusie rechtvaardigen dat zij ziek werd van het KNSMgebouw. Bovendien heeft de Beheerraad er terecht op gewezen dat op grond van de artikelen 6.1 en 6.2 van het Personeelsreglement uitsluitend de bedrijfsarts bevoegd is om te beoordelen of een gerechtsambtenaar al dan niet arbeidsongeschikt is. Het enkele feit dat de behandelend artsen van [appellante] daar anders over denken, doet hieraan geen afbreuk omdat hun verklaringen onvoldoende aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid van de beoordelingen door de bedrijfsarts. Mede om deze reden kan ook aan de verklaring van haar psycholoog van 9 januari 2020 niet de door [appellante] gewilde betekenis worden toegekend.
Ten slotte overweegt het Hof dat het op zichzelf juist is dat ook enkele andere medewerkers gezondheidsklachten ondervonden in het KNSM-gebouw. Daargelaten of die klachten in alle gevallen het gevolg waren van de werkomstandigheden in het KNSM-gebouw, moet echter worden vastgesteld dat na de vanaf 27 november 2019 aangebrachte en doorgevoerde verbeteringen niet (meer) is gebleken van structurele tot het KNSM-gebouw te herleiden klachten bij andere medewerkers. Uit de omstandigheid dat op 28 november 2019 enkele medewerkers het gebouw verlieten, kan niet worden geconcludeerd dat die verbeteringen niet toereikend waren. Dat moment zit daarvoor te dicht op het moment waarop de eerste verbeteringen zijn aangebracht. De betogen slagen niet.
Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie
Artikel 54, tweede en derde lid
Personeelsreglement ondersteunend personeel Gemeenschappelijk Hof van Justitie
Artikel 2.1, eerste tot en met derde lid
2. De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de gerechtsambtenaar geschiedt door of vanwege de bedrijfsgeneeskundige dienst in samenwerking met het bevoegde gezag.