Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2021:449

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
15 april 2022
Zaaknummer
SXM2021H00067
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:94 BWArt. 429n lid 2 RvArt. 429o lid 1 RvArt. 270 lid 5 RvArt. 283 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geldigheid onderhandse akte als uiterste wil en ontvankelijkheid hoger beroep

Appellant, de oudste kleinzoon van de overledene, kwam in hoger beroep tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten die het verzoek afwees om een onderhandse akte van 29 september 2001 als uiterste wil te erkennen en de nalatenschap conform die akte te verdelen.

Het Hof constateerde dat het beroepschrift tijdig was ingediend en dat het griffierecht niet tijdig was getaxeerd, waardoor het te laat betalen van het vast recht niet tot verval van het hoger beroep leidt. Hierdoor is het hoger beroep ontvankelijk.

Het Hof verwees de zaak naar een nader te bepalen datum voor mondelinge behandeling en beval dat de belanghebbenden worden opgeroepen. Tevens werd appellant opgedragen recente uittreksels uit de basisadministratie te overleggen. De inhoudelijke beoordeling van de geldigheid van de onderhandse akte en de verdeling van de nalatenschap wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hoger beroep is ontvankelijk verklaard en de zaak is verwezen voor verdere behandeling met oproeping van belanghebbenden.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021
Registratienummers: SXM202000430 – SXM2021H00067
Uitspraak: 5 november 2021
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in het Verenigd Koninkrijk,
domicilie kiezend te Sint Maarten,
oorspronkelijk verzoeker,
thans appellant,
gemachtigde: mr. S.H.M. Ibrahim,
tegen
[GEï
NTIMEERDE],
wonende in Sint Maarten,
oorspronkelijk verweerster,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J. Veen,
met belanghebbenden:
[belanghebbende 1],
[belanghebbende 2],
[belanghebbende 3],
[belanghebbende 4],
allen wonende te Sint Maarten,
[belanghebbende 5],
zonder bekende woon- en verblijfplaats.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij akte van hoger beroep van 9 april 2021, ingediend ter griffie op dezelfde datum, is Lake in hoger beroep gekomen van de op 1 maart 2021 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht).
1.2
Op 21 mei 2021 is een memorie van grieven ingediend waarbij is verzocht om bij vonnis (het Hof leest verder beschikking) uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de onderhandse akte van 29 september 2001 opgesteld en ondertekend door [erflater] en in bewaring gegeven op 12 november 2001, haar uiterste wil is zoals bedoeld in artikel 4:94 BW Pro, en dat deze uiterste wil geldig is; geïntimeerde te bevelen om binnen twee weken na de door het Hof te wijzen beschikking, een verklaring van erfrecht af te geven conform de uiterste wil van 29 september 2001; geïntimeerde op te dragen terstond over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap conform de uiterste wil van 29 september 2001, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.
1.3
Ten behoeve van de mondelinge behandeling ter zitting heeft geïntimeerde op 23 augustus 2021 een verweerschrift ingediend.
1.4
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2021. Beide partijen zijn verschenen vergezeld van hun gemachtigden en hebben het woord gevoerd.
1.5
De beschikking is nader bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1
Appellant is de oudste kleinzoon van de op [overlijdensdatum] 2012 overleden [erflater]. [Erflater] had één kind, [kind 1], die in 1986 is overleden en zes kinderen had, te weten appellant en de vijf genoemde belanghebbenden.
2.2
Op 12 november 2001 is door notaris Speetjens bij akte verklaard dat mevrouw [erflater] op die dag een gesloten envelop aan hem heeft aangeboden, waarin naar haar zeggen haar uiterste wil zou zitten, die door haar getekend zou zijn, met het verzoek aan de notaris om die te bewaren. Geïntimeerde is de (uiteindelijk)
opvolger van Speetjens.
2.3
In het door geïntimeerde van haar voorgangers overgenomen protocol is de envelop aangetroffen. De envelop was aan de zijkant geopend en aan de envelop zat een onderhandse akte vastgeniet, gedateerd 29 september 2001, met als titel “will and testament of [erflater]”. Aan de onderhandse akte is een bijlage gevoegd met als titel “Real Estate Property of Lionel Lake”.
2.4
Het door appellant in eerste aanleg verzochte is door het Gerecht afgewezen. Appellant verzoekt om, zie ook rov. 1.2, deze verzoeken alsnog toe te wijzen.
2.5
Ter zitting is geconstateerd en besproken dat de belanghebbenden niet zijn verschenen en dat niet is gebleken van hun oproeping. Naar het Hof begrijpt stelt geïntimeerde zich op het standpunt dat oproeping van de belanghebbenden in het geding in hoger beroep achterwege kan blijven nu appellant niet ontvankelijk is, althans het griffierecht te laat is betaald.
2.6
Het Hof overweegt in dit kader dat door appellant niet is betwist dat de bestreden uitspraak een beschikking betreft waartegen ingevolge artikel 429n lid 2 Rv, nu appellant verzoeker was in eerste aanleg, binnen zes weken te rekenen van de dag van de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld. Het Hof zal tot uitgangspunt nemen dat sprake is van een EJ-zaak waarover in een beschikking moet worden beslist.
2.7
De door appellant per abuis ingediende akte van hoger beroep zal, conform het gebruik, worden aangemerkt als een beroepschrift. Het beroepschrift is tijdig ingediend en dus ontvankelijk.
2.8
Ingevolge artikel 429o lid 1 Rv is de regeling van artikel 270 lid 5 Rv Pro over het vast recht voor AR-zaken van overeenkomstige toepassing op EJ-zaken. Dit betekent dat het vast recht in deze zaak uiterlijk zes weken na de bestreden beschikking betaald diende te zijn op straffe van verval van het hoger beroep.
2.9
Uit artikel 270 lid 5 Rv Pro volgt dat sprake dient te zijn van een door de griffier getaxeerd bedrag van de kosten van de aanzegging dat hoger beroep is ingesteld, van de betekening van de memorie en de daarbij overgelegde bescheiden, van de zegels die voor het bij artikel 283 bedoelde Pro afschrift-vonnis van de hogere rechter moeten worden gebezigd en van het verschuldigde vast recht. Deze taxatie van het vast recht geschiedt aan de hand van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken. In het geval dat de griffier, al dan niet vanwege administratieve vertraging, de kosten van het vast recht niet tijdig taxeert geldt een uitzondering op voormelde regel dat betaling buiten de termijn tot verval van hoger beroep leidt. In dat geval mag na de taxatie van het vast recht betaald worden op, in de regel, een termijn van twee weken.
2.1
Nu in de onderhavige zaak niet is gebleken dat het op de voet van artikel 270 lid 5 Rv Pro te betalen bedrag op enig moment is getaxeerd door de griffier, kan appellant niet worden tegengeworpen dat het vast recht eerst op 26 mei 2021, en buiten de termijn van zes weken, is betaald. Aan het vervallen verklaren van het hoger beroep wordt derhalve niet toegekomen. Dit betekent dat dat de zaak inhoudelijk moet worden behandeld. De zaak zal daartoe worden verwezen naar een nader te bepalen datum voor mondelinge behandeling ter zitting waarvoor tevens de belanghebbenden dienen te worden opgeroepen.
2.11
Nu de bij memorie van grieven overgelegde uittreksels van de belanghebbenden dateren van 20 november 2019, ziet het Hof aanleiding appellant op te dragen recente uittreksels uit de basisadministratie te overleggen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de (digitale) rol van 10 december 2021.
2.12
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- verwijst de zaak naar de (digitale) rol van 10 december 2021 voor akte overlegging stukken in de zin van rov. 2.11 zijdens appellant P1;
- verwijst de zaak vervolgens naar een nader te bepalen datum voor een mondelinge behandeling ter zitting;
- stelt het dossier in handen van de griffier teneinde partijen en de belanghebbenden op te roepen in deze;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en A.S. Arnold, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 5 november 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.