Uitspraak
1.Procesverloop
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van het Gerecht
”
Dat belanghebbende is gedwongen aangifte ten invoer te doen is niet gebleken") kan komen”. Hij wijst erop dat:
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende, woonachtig in Curaçao, kocht in 2014 een motorjacht in de Verenigde Staten en voerde dit naar Curaçao in. Bij binnenkomst werd aanvankelijk vrijstelling van invoerrechten verleend, maar later stelde de douane dat invoerrechten verschuldigd waren. Belanghebbende betaalde deze rechten en vroeg teruggaaf, die werd afgewezen. Na bezwaar en beroep in eerste aanleg werd het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep stond centraal of belanghebbende recht had op teruggaaf van de betaalde invoerrechten op grond van artikel 102 van Pro de Landsverordening tarief van invoerrechten (LVTI). Het Hof overwoog dat voor vrijstelling het vervoermiddel moet toebehoren aan een persoon die zijn normale verblijfplaats in het buitenland heeft. Ten tijde van invoer was belanghebbende woonachtig in Curaçao, waardoor geen vrijstelling van toepassing was.
Belanghebbende voerde aan dat het motorjacht eigendom was van een buitenlandse vennootschap en dat hij op korte termijn zou verhuizen, maar het Hof oordeelde dat deze omstandigheden niet tot vrijstelling leiden. Ook het beroep op het verdedigingsbeginsel en de stelling dat de aangifte onder dwang was gedaan, werden verworpen omdat er geen sprake was van ongepaste druk en belanghebbende zijn bezwaar- en beroepsmogelijkheden heeft benut.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg. Er was geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten ten laste van de Inspecteur.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd; belanghebbende heeft geen recht op teruggaaf van de betaalde invoerrechten.