Uitspraak
Aangevallen uitspraak
f258,46 is. USZV heeft de reis waaraan [appellante] in november 2019 heeft deelgenomen terecht als looncomponent beschouwd en een vierde van de totale reiskosten van USD 13.425,25 aan het dagloon van [appellante] toegevoegd. Alleen al met de bijtelling van de reis komt het dagloon van [appellante] boven de loongrens van NA
f260,83, zodat de beroepsgronden over de andere looncomponenten geen bespreking behoeven, aldus het Gerecht.
Gronden van het hoger beroep
f258,46. Dat is namelijk het dagloon zoals dat in februari 2020 is verlaagd. Volgens [appellante] had het Gerecht moeten uitgaan van het meest recente dagloon in april 2020, dat is NA
f193,85. Indien het Gerecht van dat laatste dagloon was uitgegaan, was het gelet op de hoogte van de loongrens wel degelijk relevant geweest om ook de beroepsgronden over de andere looncomponenten dan de reis te bespreken. Met betrekking tot de reis stelt [appellante] zich op het standpunt dat de totale reiskosten over alle deelnemers moeten worden verdeeld en niet slechts over vier.
Wettelijk stelsel
-degene die een dagloon geniet hoger dan NA
f260,83 indien voor hem een 5-daagse werkweek geldt, ongeacht of dit loon bij een of meer werkgevers wordt genoten.
Artikel 1a, eerste lid, van de Lzv bepaalt dat voor de vaststelling of een werknemer aangemerkt wordt als werknemer in de zin van artikel 1 tot Pro het einde van een kalenderjaar geen rekening wordt gehouden met wijzigingen van het loon die tijdens de duur van het dienstverband na 1 november van het voorafgaande kalenderjaar plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.
Iemand is werknemer in de zin van de Lzv als het dagloon onder de in artikel 1 van Pro de Lzv vastgestelde loongrens blijft. Voor elk kalenderjaar moet worden bezien of het dagloon onder of boven de loongrens valt. Daartoe wordt blijkens artikel 1a, eerste lid, van de Lzv als peilmoment 1 november van het voorafgaande kalenderjaar genomen. Dit betekent dat wijzigingen in het loon vanaf 1 november niet relevant zijn voor de vraag of iemand in het opvolgende kalenderjaar werknemer is.
f6.500,-, en dus ongeveer NA
f300,- per dag. Het loon van [appellante] is daarna pas per februari 2020 verlaagd, zodat per peildatum 1 november 2019 moet worden uitgegaan van een dagloon van NA
f300,-. [appellante] is daarom in het kalenderjaar 2020 geen werknemer in de zin van de Lzv, aldus USZV.
Beoordeling
f260,83 al overschreed. [appellante] heeft dat ook niet betwist.
Beslissing
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 14 december 2021 in zaak nr. SXM202100907;
verklaarthet in die zaak ingestelde beroep
gegrond;
vernietigtde beschikking van het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen van 4 juni 2021;
bepaaltdat de rechtsgevolgen van die beschikking in stand blijven;
gelastdat het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van NA
f150,- vergoedt.