Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
- een bedrag gelijk aan vier maanden loon uit hoofde van niet in acht genomen opzegtermijn;
- de wettelijk bepaalde uitkering aan cessantia;
- een schadevergoeding naar billijkheid van Afl. 15.000,00,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De werknemer was sinds 1997 in dienst bij de werkgever als keukenhulp en werd in mei 2020 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen gerelateerd aan de COVID-pandemie. De werknemer betwistte het ontslag en stelde dat het onregelmatig en kennelijk onredelijk was, mede omdat er geen ontslagvergunning was en geen dringende reden bestond.
Na diverse correspondentie en oproepen om terug te keren naar het werk, berustte de werknemer uiteindelijk in het ontslag en deed afstand van het beroep op nietigheid. Het hof stelde vast dat het ontslag onregelmatig en kennelijk onredelijk was, maar dat de werknemer door haar berusting afstand had gedaan van het beroep op nietigheid.
Het hof kende de werknemer een wettelijke schadeloosstelling van vier maanden loon toe wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn, de wettelijke cessantia-uitkering en een billijke schadevergoeding van 15.000 gulden, rekening houdend met de omstandigheden zoals de langdurige diensttijd, arbeidsongeschiktheid en de impact van de COVID-pandemie op de werkgever.
De vordering tot vergoeding van niet-genoten vakantiedagen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: Het ontslag is onregelmatig en kennelijk onredelijk; werknemer krijgt wettelijke schadeloosstelling, cessantia en billijke schadevergoeding toegekend.