Uitspraak
14 april 2020 met nummer BBZ nr. AUA201903261 in het geding tussen:
,
1.Procesverloop
2.Feiten
verzoek 1) is het volgende vermeld:
verzoek 2) is het volgende vermeld:
verzoek 3) heeft ook een dagtekening van 19 december 2013. In dit verzoek – dat bij schrijven van 7 januari 2014 – is herhaald, is het volgende vermeld:
cursiefweergegeven):
19 december 2013;
3.420 accijnszegels
Aanvraag:
12.045 accijnszegels
een emailvanuit Venezuela dat er
11.07beschadigde accijnszegels werden teruggestuurd.
6.96die hun houdbaarheid hebben bereikt op 23 -3-2013.
geen bewijsstukvoor de invoer)
5.91hun houdbaarheid bereikt op 28-11 -2013
- Zijn de sigaretten vernietigd:
- Door wie en in opdracht van wie?
- Vastlegging in de administratie voor de sigaretten die vernietigd werden.
12.045beschadigde accijnszegels, maar volgens een e-mail van de buitenlandse leverancier zijn er 11070 beschadigde accijnszegels in een envelop naar [Belanghebbende] teruggezonden. Deze liggen te [Belanghebbende] ter bezichtiging.
Afl. 35.977.50
- Dat de informatie op de voorraadkaart van de aantal sigaretten die “expired” zijn, niet gerelateerd kan worden aan het aantal gevraagde accijnszegels waarvoor teruggaaf wordt verzocht.
- Dat pas na 2 jaar, namelijk in het jaar 2015, de afboeking van de vernietigde sigaretten, volgens [Belanghebbende] plaats heeft gevonden. De afboeking in hun administratie betreft een aantal van 986 sloffen. Dit vertegenwoordigd 9860 accijnszegels.
- Dat er een proces-verbaal van vernietiging is gemaakt op 21 januari 2020 voor 193 sloffen en 8 pakjes veraccijnsde sigaretten (1938 accijnszegels) die nog aanwezig waren te [Belanghebbende]. Volgens de klant is dit een gedeelte van de 12870 accijnszegels waarvoor teruggaaf wordt verzocht. Hier rijst dan de vraag hoe het mogelijk is dat er 193 sloffen en 8 pakjes veraccijnsde sigaretten zijn vernietigd (1938 accijnszegels) die behoren tot de aanvraag van 12870 accijnszegels en tijdens ons werkbezoek wij toch een aantal van 12870 accijnszegels geplakt op vellen hebben geconstateerd.
Afl. 8.604,72
Afl. 44.582,22.
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van het Gerecht
5.Gronden
29 juni 2015 (verstuurd per e-mail op 29 juni 2015) en 23 januari 2018 volgt niet dat er (voorheen) sprake was van het door belanghebbende gestelde beleid; in deze brieven is de procedure, conform de wet, voor belanghebbende beschreven. Hieruit volgt geenszins dat er sprake is van verandering van (eerder) beleid maar eerder van een juiste toepassing van de wet.
).Dat er overigens sigaretten uit het vrije verkeer zijn teruggenomen, is niet aannemelijk geworden. Zo zijn er geen overige processen-verbaal van (de gestelde) vernietiging overgelegd. Ook heeft belanghebbende, desgevraagd door de Inspecteur, geen verklaring van volksgezondheid overgelegd dat een deel sigaretten (volgens belanghebbende waren er 6.960 pakjes die hun houdbaarheid hebben bereikt op 23 maart 2013) ongeschikt waren voor menselijke consumptie vanwege de datum van hun houdbaarheid. Alsdan is niet aannemelijk geworden dat de sigaretten uit het vrije verkeer zijn teruggenomen; onder die omstandigheden is er geen grond voor de verzochte teruggaaf. Dat er, zoals belanghebbende stelt, inmiddels tien jaar zijn verstreken en dat dit de bewijslast complex maakt leidt niet tot een andere conclusie. Het ligt immers op de weg van belanghebbende om een sluitende administratie (ter zake de accijnszegels) te voeren.
6.Beslissing
mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc. als griffier. De beslissing is op 14 maart 2022 in het openbaar uitgesproken.