ECLI:NL:OGHACMB:2025:328

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
CUR2023H00126 en CUR2023H00127
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 BW CuraçaoArt. 6:140 lid 3 BWArt. 6:89 BWArt. 7:408 lid 1 BWArt. 1614q BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering interne bestuurdersaansprakelijkheid en ontslag statutair bestuurders MC-groep

De MC-groep, actief in de groothandel van medische apparatuur en geneesmiddelen, heeft in 2016 twee statutair bestuurders ontslagen en vorderde terugbetaling van rekening-courantschulden en schadevergoeding wegens onbehoorlijk bestuur. De bestuurders stelden tegenvorderingen in voor achterstallig salaris, beëindigingsvergoedingen en boetes.

Het Gerecht wees de vorderingen deels toe en wees de bestuurdersaansprakelijkheid af. Beide partijen gingen in hoger beroep. Het Hof beoordeelde de vorderingen opnieuw, waarbij het de vorderingen uit bestuurdersaansprakelijkheid bevestigde als afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en context. De vorderingen inzake rekening-courantschulden werden grotendeels bevestigd.

De bestuurders werden ontslagen met onmiddellijke ingang wegens vertrouwensbreuk, waarbij het Hof oordeelde dat MCI niet gehouden was tot betaling van beëindigingsvergoedingen of inachtneming van opzegtermijnen. Wel werd het achterstallig salaris over de periode tot de opzegging toegewezen met rente. De proceskosten werden verdeeld conform de uitkomst van de beroepen.

Uitkomst: Het Hof wijst de vorderingen uit interne bestuurdersaansprakelijkheid af en bevestigt het ontslag van de bestuurders zonder vergoeding, met gedeeltelijke toewijzing van achterstallig salaris.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR201601553 en CUR2023H00126
CUR201701292 en CUR2023H00127
Uitspraak: 2 december 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak (CUR2023H00126) van:
1. de besloten vennootschap
MC INTERNATIONAL MANAGEMENT B.V.,
hierna: MCI,
gevestigd in Curaçao,
2. de naamloze vennootschap
MANRIQUE CAPRILES AND SONS (ARUBA) N.V.,
hierna: MCA,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseressen in conventie, verweerders in reconventie,
appellanten in principaal beroep, geïntimeerden in incidenteel beroep,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,
tegen
[bestuurder 1],
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde in principaal beroep, appellant in incidenteel beroep,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna: [bestuurder 1] ,
gemachtigden: mrs. R.B. van Hees en M. Willems,
met als tussenkomende partijen:

1.[bestuurder 2],

wonende in[woonplaats],
hierna: [bestuurder 2],
2. de besloten vennootschap
INTEGRATED CORPORATE SERVICES B.V.,
gevestigd in Curaçao
hierna: ICS,
gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers
en
in de zaak (CUR2023H00127) van:
1. de besloten vennootschap
MC INTERNATIONAL MANAGEMENT B.V.,
hierna: MCI,
gevestigd in Curaçao,
2. de naamloze vennootschap
MANRIQUE CAPRILES AND SONS (ARUBA) N.V.,
hierna: MCA,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseressen in conventie, verweerders in reconventie,
appellanten in principaal beroep, geïntimeerden in incidenteel beroep,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,
tegen

1.[bestuurder 2],

wonende in [woonplaats]
hierna: [bestuurder 2],
2. de besloten vennootschap
INTEGRATED CORPORATE SERVICES B.V.
gevestigd in Curaçao
hierna: ICS,
in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
geïntimeerden in principaal beroep, [bestuurder 2] appellant in incidenteel beroep,
gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers,
met als gevoegde partij:
[bestuurder 2]
wonende in [woonplaats],
hierna: [bestuurder 1],
gemachtigden: mr. R.B. van Hees en M. Willems.
Appellanten worden hierna gezamenlijk aangeduid als MC (in vrouwelijk enkelvoud) en [bestuurder 1] en [bestuurder 2] worden hierna gezamenlijk de (voormalige) bestuurders genoemd.
1.
Samenvatting
Een groothandel in onder meer medische apparatuur en geneesmiddelen heeft in 2016 twee van zijn bestuurders ontslagen en heeft gevorderd dat zij worden veroordeeld tot terugbetaling van door creditcarduitgaven opgebouwde rekening-courantschulden. Daarnaast heeft het bedrijf schadevergoeding gevorderd wegens onbehoorlijk bestuur, op grond van (interne) bestuurdersaansprakelijkheid. De voormalige bestuurders hebben tegenvorderingen ingesteld betreffende achterstallig salaris, beëindigingsvergoedingen en contractuele boetes. Het Gerecht heeft de vorderingen ter zake de rekeningcourantschulden deels toegewezen en heeft de vorderingen uit bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen. De tegenvordering van een van de bestuurders is gedeeltelijk toegewezen, met afwijzing van de overige vorderingen. Zowel de groothandel als de bestuurders zijn in hoger beroep gekomen. Het Hof beoordeelt de vorderingen opnieuw.
2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep
in zaak CUR2023H00126 (hierna: zaak H126)
2.1
Bij op 6 april 2023 ingekomen akte van appel is MC in hoger beroep gekomen van het tussen MC enerzijds en [bestuurder 1] anderzijds gewezen vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 27 februari 2023 (met zaaknummer CUR201601553).
2.2
Bij op 22 mei 2023 ingekomen memorie van grieven heeft MC bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van MC alsnog zal toewijzen en die van [bestuurder 1], [bestuurder 2] en ICS alsnog zal afwijzen, met veroordeling van deze laatste partijen in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij op 10 juli 2023 ingekomen memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft [bestuurder 1] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen voor zover de tegen hem gerichte vorderingen zijn afgewezen en zal vernietigen voor zover het de afwijzing van zijn vorderingen betreft, met veroordeling van MCI en MCA hoofdelijk (uitvoerbaar bij voorraad) tot betaling aan [bestuurder 1] van NAf 307.176 en van NAf 50.850, vermeerderd met rente en tot betaling van NAf 4.500 aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van MCI en MCA hoofdelijk tot betaling van de proceskosten in beide instanties, met nakosten en vermeerderd met rente.
2.4
Bij op 23 oktober 2023 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel beroep heeft MC verweer gevoerd tegen het incidenteel beroep en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.
in zaak CUR2023H00127 (hierna: zaak H127)
2.5
Bij op 6 april 2023 ingekomen akte van appel is MC in hoger beroep gekomen van het tussen MC enerzijds en [bestuurder 2] en ICS anderzijds gewezen vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 27 februari 2023 (met zaaknummer CUR201701292).
2.6
Bij op 22 mei 2023 ingekomen memorie van grieven heeft MC bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van MC alsnog zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [bestuurder 2] en ICS in de proceskosten in beide instanties.
2.7
Bij op 10 juli 2023 ingekomen memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, hebben [bestuurder 2] en ICS de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen voor zover de tegen hen gerichte vorderingen zijn afgewezen en zal vernietigen voor zover het de afwijzing van hun vorderingen betreft, met veroordeling van MCI (uitvoerbaar bij voorraad) tot betaling aan ICS en [bestuurder 2] van NAf 490.139,48 vermeerderd met rente en kosten dan wel tot betaling van een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, vermeerderd met een boete en rente, en met veroordeling van MCI en MCA tot betaling van de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met nakosten, kosten doorhaling beslag en rente.
2.8
Op 20 mei 2023 hebben [bestuurder 2] en ICS ook een incidentele conclusie genomen waarin zij hebben verzocht [bestuurder 2] en ICS toe te laten zich te voegen in de zaak tussen MC en [bestuurder 1].
2.9
Bij op 23 oktober 2023 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel beroep heeft MC verweer gevoerd tegen het incidenteel beroep en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.
voorts in beide zaken (H126 en H127):
2.1
Bij brief van 6 december 2024 heeft [bestuurder 1] een akte genomen (met producties HB 42 en 56). Bij brief van 13 februari 2025 heeft [bestuurder 1] nog drie producties overgelegd (HB 57 tot en met 59).
2.11
Bij brief van 6 december 2024 hebben [bestuurder 2] en ICS een akte genomen (met producties HB 1 tot en met 7).
2.12
Bij brief van 13 februari 2025 heeft [bestuurder 1] de producties 57 tot en met 59 overgelegd.
2.13
In beide zaken heeft een mondeling pleidooi plaatsgevonden op 20 mei 2025. Aanwezig in het Kas di Korte in Curaçao waren namens MC haar gemachtigde mr. Van Hoof, de gemachtigden van [bestuurder 1] mr. Van Hees en Willems, en [bestuurder 2] (mede namens ICS) met zijn gemachtigde mr. Nagelmakers. [bestuurder 1] heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Voorafgaand aan deze zitting heeft het Hof aan partijen verzocht het complete dossier van de bij het Gerecht in beide zaken ingediende stukken over te leggen, ter vergelijking met het dossier dat het Hof van het Gerecht heeft ontvangen. Mrs. Van Hees en Nagelmakers hebben namens de voormalige bestuurders aan dit verzoek voldaan; mr. Van Hoof niet.
2.14
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3.
De feiten
in beide zaken
Het Hof gaat uit van de volgende feiten. Voor zover er bezwaren zijn gericht tegen de juistheid van de feitenvaststelling door het Gerecht is met de inhoud van die bezwaren rekening gehouden. Daarnaast geldt dat een feitenvaststelling in een vonnis uit de aard der zaak een selectie van relevante feiten inhoudt, waarbij volledigheid niet wordt nagestreefd. De tegen de feitenvaststelling gerichte grieven behoeven hiermee geen verdere behandeling.
3.1
MCI houdt 100% van de aandelen van MCA en van de andere dochtervennootschappen van de MC-groep in Curaçao, Bonaire, Sint Maarten en Suriname. MCI is statutair bestuurder van deze werkmaatschappijen, van waaruit de operationele activiteiten plaatsvonden. De aandelen van MCI zijn gecertificeerd en ondergebracht in de STAK (Stichting Administratiekantoor MC International Management).
3.2
De activiteiten van de MC-groep zijn onder meer de (groot)handel in medische en technische apparatuur, in geneesmiddelen, farmaceutische producten en in apotheek- en drogisterijartikelen.
3.3
Op 14 maart 2024 is aan MCI surseance van betaling verleend, die is afgelopen op 14 juni 2024. Daarvan is geen verlenging gevraagd en er is geen faillissement gevolgd.
3.4 [
[bestuurder 1] is vanaf 1 oktober 2005 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest voor MCA. Vanaf 1 juni 2011 is hij op grond van een overeenkomst van opdracht voor onbepaalde duur (hierna: OvO[bestuurder 1] of OvO[bestuurder 1]) werkzaam geweest als statutair bestuurder/CEO van MCI.
3.5 [
[bestuurder 2] heeft vanaf oktober 2009 diensten verleend (via zijn holding ICS) voor MCI. Vanaf 1 juni 2011 is hij op grond van een overeenkomst van opdracht voor de duur van 60 maanden (hierna: OvO-[bestuurder 2] of OvO[bestuurder 2]gesloten tussen MCI en ICS) werkzaam geweest als statutair bestuurder/CFO van MCI.
3.6 [
[bestuurder 1] en [bestuurder 2] hadden ieder een creditcard van de zaak ter beschikking, die zij ook voor privé-doeleinden gebruikten. Die uitgaven werden verwerkt in een rekening-courantschuld van de bestuurders aan MCI.
3.7
Het accountantskantoor Baker Tilly heeft in opdracht van de STAK en met medewerking van de voormalige bestuurders op 24 november 2015 een rapport uitgebracht over de rc-schulden van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] (hierna: het Baker Tilly-rapport).
3.8
De STAK heeft op 27 januari 2016 besloten [bestuurder 1] met ingang van die dag te ontslaan als statutair bestuurder van MCI. Bij brief van 25 april 2016 heeft MCI de OvO met [bestuurder 1] opgezegd. Vanaf februari 2016 heeft MCI geen salaris meer betaald aan [bestuurder 1].
3.9
De STAK heeft op 3 februari 2016 besloten [bestuurder 2] met ingang van die dag te ontslaan als statutair bestuurder van MCI en de STAK heeft de OvO met ICS op diezelfde dag beëindigd.
4.
De procedure bij het Gerecht
in zaak H126
4.1
MC heeft (samengevat) in conventie -na vermindering van eis- gevorderd dat het Gerecht:
a. [bestuurder 1] veroordeelt te betalen aan MC AWG 129.200 en aan MCI NAf 188.966;
b. voor recht verklaart dat [bestuurder 1] onzorgvuldig heeft gehandeld als statutair bestuurder/dienstverlener of toerekenbare wanprestate heeft gepleegd ter zake de sub A tot en met F van het inleidend verzoekschrift genoemde kwesties en dat hij ter zake de sub A tot en met D genoemde kwesties gehouden is tot schadevergoeding op te maken bij staat;
c. [bestuurder 1] veroordeelt tot betaling van de kosten genoemd sub 7.2 E van het inleidend verzoekschrift;
d. [bestuurder 1] veroordeelt tot betaling van het door [bestuurder 2] in rekening courant opgebouwde bedrag indien [bestuurder 2] in gebrek blijft dit aan MCI te betalen.
4.2 [
[bestuurder 1] heeft in reconventie gevorderd dat het Gerecht MCI en MCA hoofdelijk veroordeelt tot betaling van NAf 307.716 en AWG 50.850 met rente en kosten.
4.3 [
[bestuurder 2] en ICS hebben als tussenkomende partij gevorderd dat het Gerecht voor recht verklaard:
a. dat zij niet aansprakelijk zijn voor enige rc-schuld en niet gehouden zijn tot betaling daarvan aan MCI;
b. dat aan hen geen verwijt gemaakt kan worden gemaakt van enig onrechtmatig handelen of wanpresteren van [bestuurder 1].
4.4
Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis (met zaaknummer CUR201601553, hierna: Vonnis [bestuurder 1]) als volgt beslist:
a. in conventie is [bestuurder 1] veroordeeld tot betaling van NAf 188.966 aan MCI, met afwijzing van de overige vorderingen en compensatie van proceskosten.
b. in reconventie is MCI veroordeeld tot betaling aan [bestuurder 1] van NAf 84.475, met afwijzing van de overige vorderingen en compensatie van proceskosten.
c. in de tussenkomst heeft het Gerecht voor recht verklaard dat [bestuurder 2] en ICS niet aansprakelijk zijn voor de rc-schuld tot betaling waarvan [bestuurder 1] in conventie is veroordeeld, met afwijzing van de overige vorderingen en veroordeling van zowel [bestuurder 1] als MCI en MCA in de proceskosten van [bestuurder 2] en ICS.
in zaak H127
4.5
MC heeft (samengevat) in conventie (na vermeerdering van eis)gevorderd dat het Gerecht:
a. [bestuurder 2] en ICS hoofdelijk veroordeelt om wegens rc-schulden NAf 143.534, 06 aan MC te betalen;
b. voor recht verklaart dat [bestuurder 2] en ICS hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [bestuurder 1] te restitueren rc-schulden en [bestuurder 2] en ICS hoofdelijk veroordeelt tot betaling van AWG 129.200,01 en NAf 235.479 voor zover [bestuurder 1] nalaat deze bedragen te voldoen;
c. voor recht verklaart dat [bestuurder 2] en ICS onzorgvuldig hebben gehandeld als statutair bestuurder/dienstverlener of toerekenbare wanprestatie hebben gepleegd ter zake de sub A tot en met D van het inleidend verzoekschrift genoemde kwesties en dat zij gehouden zijn tot schadevergoeding ter zake, op te maken bij staat.
4.6 [
[bestuurder 2] en ICS hebben in reconventie (na vermeerdering van eis) gevorderd dat het Gerecht
a. voor recht verklaart dat MCI ten onrechte is overgegaan tot beëindiging van de OvO en schorsing/ontslag van [bestuurder 2] dan wel dat dit onzorgvuldig handelen dan wel wanprestatie van MCI oplevert uit hoofde waarvan MCI schadeplichtig is;
b. MCI veroordeelt tot betaling van NAf 490.139,48 vermeerderd met 15% incassokosten, de contractuele boete van 2%, rente en kosten;
c. voor recht verklaart dat zij hun vordering op MC kunnen verrekenen met hetgeen MC aan hen dient te betalen.
4.7 [
[bestuurder 1] heeft zich gevoegd aan de zijde van [bestuurder 2] en ICS.
4.8
Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis (met zaaknummer CUR201701292, hierna Vonnis [bestuurder 2]) als volgt beslist:
a. in conventie is [bestuurder 2] veroordeeld tot betaling van NAf 143.534,06 aan MCI, met afwijzing van de overige vorderingen en compensatie van proceskosten.
b. in reconventie zijn de vorderingen van [bestuurder 2] en ICS afgewezen met hoofdelijke veroordeling van [bestuurder 2] en ICS in de proceskosten.
5.
De beoordeling
voeging beide zaken
5.1
In de procedure bij het Gerecht heeft [bestuurder 1] zich gevoegd in de zaak tegen [bestuurder 2] en ICS en zijn [bestuurder 2] en ICS tussengekomen in de zaak tegen [bestuurder 1]. In hoger beroep hebben [bestuurder 2] en ICS verzocht hen toe te laten zich te voegen in de zaak tussen MC en [bestuurder 1]. Dit verzoek zal worden toegestaan, nu de andere partijen daarmee akkoord zijn. Partijen hebben ter zitting in hoger beroep ermee ingestemd dat het Hof de stellingen en verweren van alle drie de partijen in beschouwing neemt in beide zaken en op grond daarvan oordeelt. De overwegingen hierna gelden dus in beide zaken, tenzij anders aangegeven.
buiten beschouwing laten stukken
5.2
Het Gerecht heeft in beide vonnissen overwegingen gewijd aan de wijze van procederen van MC, samengevat als volgt. Na comparitie van antwoord heeft MC de gelegenheid gekregen te reageren op tijdens die zitting overgelegde producties, maar MC heeft zich in haar akte van 8 juni 2020 niet daartoe beperkt, maar heeft een uitgebreide inhoudelijke conclusie genomen. Bij de akte van 6 juli 2020 van MC heeft zich dit volgens het Gerecht herhaald en bovendien zijn bij die akte vijf producties overgelegd, die in de akte niet voldoende zijn toegelicht. Hetzelfde geldt volgens het Gerecht voor de antwoordakte van 22 maart 2021, waarin MC alleen mocht reageren op de eisvermeerdering van [bestuurder 1] in reconventie, maar zich daartoe niet heeft beperkt. Nadat de voormalige bestuurders hadden geprotesteerd tegen deze wijze van procederen heeft het Gerecht daarop een sanctie gesteld en heeft wegens strijd met de goede procesorde een aantal stellingen uit de akte van MC van 8 juni 2020 buiten beschouwing gelaten (r.ov 73 vonnis [bestuurder 1] en r.ov 72 vonnis [bestuurder 2]) en heeft het Gerecht de akte van MC van 6 juli 2020 inclusief producties geheel buiten beschouwing gelaten ( r.ov 41 vonnis [bestuurder 1], r.ov 40 vonnis [bestuurder 2]). Het Gerecht heeft in het vonnis [bestuurder 1] (in r.ov 42) ook de antwoordakte eiswijziging in reconventie van 22 maart 2021 van MCI wegens dezelfde wijze van procederen van MC grotendeels buiten beschouwing gelaten (met uitzondering van een aantal specifiek aangeduide alinea’s).
5.3
MCI heeft in beide zaken in de memorie van grieven bezwaar gemaakt tegen het buiten beschouwing laten van deze akten en deze stellingen. Het Hof oordeelt dat deze grief opgaat, om de volgende redenen.
5.4
Uit het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 3 oktober 2018 blijkt dat voorafgaand aan deze zitting door zowel [bestuurder 1] (door mr. Van Hees) als door [bestuurder 2] (die toen zonder gemachtigde procedeerde) stukken zijn overgelegd, bij aktes gedateerd 3 oktober 2018, waarbij die stukken ook uitgebreid zijn toegelicht (door mr. Van Hees in zijn pleitnotities van die datum en door [bestuurder 2] bij akte). De rechter die de zaak op dat moment behandelde heeft aan het einde van die comparitie beslist dat de zaken werden verwezen naar de rol voor akte uitlating produkties. [bestuurder 2] (inmiddels bijgestaan door mr. Nagelmakers) en [bestuurder 1] hebben op 8 juni 2020 inhoudelijke akten genomen met overlegging van aanvullende producties. Dat MC in haar akte van 8 juni 2020 ook inhoudelijk heeft gereageerd op de eerdere akten van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] kan daarom niet in strijd met de goede procesorde worden geacht. Dat MC vervolgens daarop heeft gereageerd met haar inhoudelijke akte van 6 juli 2020 is evenmin in strijd met de goede procesorde te achten. Op de nieuwe producties die MC bij die laatste akte heeft overgelegd hebben de bestuurders daarna ook weer kunnen reageren. Dat laatste geldt ook voor de akte van MC van 22 maart 2021. Hoor en wederhoor is dus steeds in acht genomen.
5.5
Tegen deze achtergrond gaat de sanctie van het buiten beschouwing laten van de genoemde aktes en producties in dit geval te ver. De zaak bij het Gerecht heeft stilgelegen vanaf oktober 2018 tot juni 2020 (wellicht door een wisseling van de behandelend rechter) waardoor de regievoering is bemoeilijkt; dit laatste kan niet aan een van de drie partijen verweten worden. De grieven van MC op dit punt gaan op en het Hof zal acht slaan op de genoemde akten van MC van 8 juni 2020, 6 juli 2020 en 22 maart 2021. Dit moet overigens ook al gebeuren op grond van de herstelfunctie van het hoger beroep.
5.6 [
[bestuurder 1] heeft bij pleidooi in hoger beroep gevraagd nog op de inhoud van de genoemde akten te mogen reageren als die door Het Hof geaccepteerd zouden worden, maar daar is geen aanleiding voor. Beide bestuurders hebben in eerste aanleg al uitgebreid gereageerd op de gewraakte aktes (onder meer bij uitgebreide akten van 31 augustus 2020), ruim voordat de beslissing is genomen dat deze stukken buiten beschouwing zouden worden gelaten. Hoor en wederhoor is dus voldoende toegepast; op enig moment moet het partijdebat worden afgesloten.
5.7
In aansluiting op het voorgaande geldt dat de genoemde akten van 8 juni 2020, 6 juli 2020 en 22 maart 2021 zich wel in het dossier van het Gerecht bevinden dat het Hof (anders dan in het Nederlandse procesrecht) niet van partijen, maar rechtstreeks van het Gerecht krijgt. De rechtspraak van de Hoge Raad (HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997: ZC2452), waaruit volgt dat processtukken die in eerste aanleg buiten beschouwing zijn gelaten niet tot het procesdossier in eerste aanleg behoren en ook niet tot het procesdossier in hoger beroep (tenzij zij opnieuw zijn overgelegd in hoger beroep) gaat gelet op het voorgaande niet op voor de procespraktijk in Curaçao.
Onderwerpen in hoger beroep
5.8
Het Gerecht heeft beslist op vorderingen van MC over:
A. rc-schulden [bestuurder 1]
B. rc-schulden [bestuurder 2]
C. bestuurdersaansprakelijkheid van beide voormalige bestuurders
en op vorderingen van de voormalige bestuurders over
D. achterstallig salaris, opzegtermijn en boete [bestuurder 1]
E. beëindigingsvergoeding [bestuurder 1]
F. opzegtermijn, beëindigingsvergoeding en overige vorderingen [bestuurder 2].
Tegen de beslissingen op al deze onderwerpen zijn grieven gericht, behalve inzake onderwerp B. Het Hof zal deze onderwerpen hierna stuk voor stuk bespreken.
A. rc-schulden [bestuurder 1] en B. rc-schulden [bestuurder 2]
5.9
MC heeft NAf 188.966 gevorderd en baseert zich daarbij op het Baker-Tilly rapport. Het Gerecht heeft dit bedrag toegewezen (r.ov 44 vonnis [bestuurder 1]), met veroordeling tot betaling aan MCI. [bestuurder 1] heeft dit bedrag in hoger beroep erkend, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.
5.1
MC heeft naast voornoemd bedrag ook nog AWG 129.200 gevorderd (of AWG 129.240 of AWG 129.487; MC noemt in hoger beroep verschillende bedragen, maar het is duidelijk dat dezelfde post bedoeld wordt). Het Gerecht heeft deze vordering afgewezen (r.ov 46 vonnis [bestuurder 1]) met honorering van het door [bestuurder 1] gevoerde verweer dat deze post grotendeels zakelijke uitgaven betrof en dat de accountant in het Baker Tilly-rapport het deel van dit bedrag dat privé-uitgaven betrof (NAf 23.355,29) al heeft verdisconteerd in het uiteindelijke saldo van NAf 188.966. MC maakt in hoger beroep weliswaar bezwaar tegen deze beslissingmaar maakt niet duidelijk waarom de redenering van het Gerecht niet juist is. MC heeft daarmee tegenover het gemotiveerde verweer van [bestuurder 1] in eerste aanleg onvoldoende gesteld voor het slagen van deze grief en het op dit punt gedane bewijsaanbod zal door het Hof worden gepasseerd.
5.11
Bovendien heeft [bestuurder 1] aangevoerd dat het gaat om een creditering uit 2011, waarbij geldt dat het saldo van de rekening-courant door MC in de jaarrekening in 2011 is verwerkt. Daarmee geldt dit saldo als meegedeeld door MC aan [bestuurder 1] en dus als tussen partijen vastgesteld (in de zin van artikel 6:140 lid 3 BW Pro).
5.12
MC heeft weliswaar aangevoerd dat een beroep op 6:140 lid 3 BW niet opgaat, omdat pas tijdens het onderzoek door Baker Tilly in 2015 aan het licht kwam dat er een rekening-courant werd aangehouden door de voormalige bestuurders inzake de creditcard-uitgaven, dat zij dit achter gehouden hebben voor de STAK en dat de rc-schulden “verstopt waren in de cijfers”. Dit valt echter niet te rijmen met de stellingen van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] (i) dat zij al sinds 2011/2009 de beschikking hadden over een creditcard (ii) dat de uitgaven daarvan bijgehouden werden in een grootboek en verwerkt in een rekening-courant met het bedrijf (iii) dat deze rc-schulden jaarlijks vermeld werden in de jaarrekening onder “other receivables” en ook gespecificeerd werden in maandelijkse rapportages aan de STAK als “current account MH” en “current account DM” en (iv) dat zowel [bestuurder 1] (vanaf 2014) als [bestuurder 2] (vanaf 2012) aflossingen hebben gedaan op de rc-schulden.
5.13
Deze stellingen zijn weliswaar betwist door MC, maar dat de feitelijke gang van zaken zo was als de bestuurders stellen wordt bevestigd door de schriftelijke verklaring van de financial controller van [financial controller], die door MC zelf is overgelegd (productie 1 bij pleitnota MC van 22 maart 2021).Hij bevestigt dat de creditcard schulden werden geboekt voor [bestuurder 1] in Aruba en voor [bestuurder 2] door de controller zelf in Curaçao en dat de controller over de vraag welke schulden privé/zakelijk waren en de terugbetaling van het saldo regelmatig contact had met [bestuurder 2]. In 2012 heeft de controller nog overleg gehad met [bestuurder 1] hierover en werden op zijn verzoek correcties toegepast. Voordat de cijfers aan de auditors werden aangeleverd werden de bestuurders in de gelegenheid gesteld tot een review. De rc-schulden werden opgenomen op een aparte rekening op de balans en voorgehouden aan de auditors.
5.14
MC gaat niet in op deze specifieke stellingen van de bestuurders, met name niet op hun stelling dat de saldi van de rekening-courant zijn vastgesteld door MC en dat MC daar niet binnen redelijke tijd nadien tegen geprotesteerd heeft. Daar past ook de verleende decharge bij over de jaren 2011-2013. MC heeft daarmee haar verweer tegen het beroep van de bestuurders op 6:140 lid 3 BW onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dit zou anders zijn als het zo zou zijn dat de bestuurders de rc-schulden hebben verborgen gehouden of “verstopt” voor de toenmalige STAK. Voor die stelling heeft MC echter onvoldoende gesteld.
5.15
De tussenconclusie luidt dat [bestuurder 1] Cg 188.966 ter zake rc-schulden verschuldigd is aan MCI en niet meer dan dat.
5.16
Het Gerecht heeft de vordering van MCI tegen [bestuurder 2] inzake rc-schulden toegewezen tot NAf 143.534,06. Tegen deze beslissing heeft noch [bestuurder 2] (of ICS) noch MC grieven aangevoerd. Deze beslissing valt dus buiten deze beoordeling in hoger beroep en blijft in stand.
C. bestuurdersaansprakelijkheid beide bestuurders
toepasselijk wetsartikel en maatstaf
5.17
Dit betreft een vordering van MC uit interne bestuurdersaansprakelijkheid, de aansprakelijkheid van bestuurders ten opzichte van de rechtspersoon waarvan zij bestuurder zijn. De vordering is gebaseerd op art. 2:14 BW Pro, zoals dat luidde voor 1 januari 2021, omdat het gaat om handelen voor die datum. In lid 1 van dit artikel staat dat iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke taakvervulling van de binnen zijn werkkring gelegen taak. In lid 2 staat dat tot de werkkring van de bestuurder alle bestuurstaken behoren die niet bij of krachtens de statuten aan een of meer bestuurders zijn toegedeeld. Indien een bestuurder aansprakelijk is op grond van dit artikel zijn ook zijn medebestuurders in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor het onbehoorlijke bestuur, waarbij de bestuurders zich kunnen disculperen (art. 2:14 lid 4 BW Pro).
5.18
Om aansprakelijkheid aan te nemen is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dat zo is dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij volgens de Hoge Raad onder meer van belang kan zijn (zie een lange lijn van constante rechtspraak sinds het standaardarrest HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/van de Ven) :
a. de aard van de activiteiten van de rechtspersoon en de daaruit eventueel voortvloeiende risico’s;
b. een eventuele taakverdeling binnen het bestuur;
c. eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen;
d. de gegevens waar de bestuurder over beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissing of gedraging;
e. het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult.
5.19
De bestuurder kan zich disculperen, indien hij bewijst dat een tekortkoming in de behoorlijke taakvervulling niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Door hem aangevoerde omstandigheden op grond waarvan aangenomen moet worden dat hem geen ernstig verwijt valt te maken moeten in dit oordeel betrokken worden (zie HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer Papierfabriek) en meer recent nog de Curaçaose zaak HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:146 X/Stichting Studiefinanciering Curaçao).
5.2
Het Gerecht heeft alle vorderingen ter zake bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen. Daartegen heeft MC bezwaren geuit in hoger beroep. De gemachtigde van MC heeft in de procedure bij het Gerecht, maar ook in hoger beroep weinig werk gemaakt van het aanvoeren van achterliggende omstandigheden (zoals in 5.18 opgesomd onder a tot en met e), die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurders. Meer in het algemeen geldt dat een enkele verwijzing naar bepaalde voor de MC-groep nadelige gebeurtenissen bij werkmaatschappijen onvoldoende is om aan te nemen dat de bestuurders een ernstig verwijt treft, met name als die gebeurtenissen achteraf worden beoordeeld met de kennis van nu en zonder dat deze in de context worden geplaatst van wat deze twee bestuurders precies wisten of behoorden te weten over deze gebeurtenissen en zonder dat MC duidelijk maakt of er interne richtlijnen waren en of de bestuurders tijdig maatregelen konden nemen en hebben genomen om de gevolgen van die gebeurtenissen af te wenden.
concrete verwijten aan de bestuurders
5.21
De concrete verwijten die MC aan de bestuurders maakt zijn genoemd in de inleidende verzoekschriften en gekoppeld aan de hierna op te sommen onderwerpen, ter zake waarvan MC in eerste aanleg ook verklaringen voor recht heeft gevorderd (behalve over het niet verlenen van een groothandelsvergunning in Bonaire, maar dat onderwerp wordt wel genoemd in de inleidende verzoekschriften).
5.22
Weliswaar heeft MC in de gewraakte akten van 8 juni 2020 en 6 juli 2020 ook andere/nieuwe onderwerpen genoemd waarvoor zij de voormalige bestuurders aansprakelijk houdt (de wijze van financiële verslaglegging tot 2015 (onder meer ook ter zake voorraadafboekingen en verdeling van kosten voor gemene rekening), een Ceres-kwestie en een accijnzen-kwestie. Die onderwerpen monden echter niet uit in concrete verklaringen voor recht (MC heeft haar eis niet gewijzigd, ook niet in hoger beroep) en de nieuwe onderwerpen worden na de akte van 8 juni 2020 in eerste aanleg ook niet of nauwelijks meer verder toegelicht of uitgediept. In hoger beroep heeft MC haar toelichting in de memories van grieven in beide zaken beperkt tot de hierna op te sommen onderwerpen en ook tijdens het pleidooi in hoger beroep zijn de nieuwe onderwerpen niet meer aan de orde gekomen. Het Hof zal daarom beoordelen of de bestuurders aansprakelijk zijn aan de hand van een bespreking van de hierna te noemen “oude” onderwerpen. Ter zake de “nieuwe” onderwerpen heeft MC, tegenover de gemotiveerde betwisting door de bestuurders, niet of slechts heel summier gereageerd. Daarmee heeft MC onvoldoende gesteld om de bestuurders ter zake van deze kwesties aansprakelijk te achten.
5.23 [
[bestuurder 1] heeft een beroep gedaan op schending van de klachtplicht en verjaring (in zijn akte van 31 augustus 2020, par. 2.6) ter zake van de nieuwe verwijten. Dit beroep komt dus niet aan de orde, maar gaat hoe dan ook niet op, nu de Hoge Raad in een recent arrest heeft beslist dat aan een bestuurder ter afwending van een vordering uit interne bestuurdersaansprakelijkheid geen beroep toekomt op artikel 6:89 BW Pro (zie HR 26 april 2024,ECLI:NL:HR:2024:68)
5.24
Aan [bestuurder 1] maakt MC concrete verwijten ter zake de volgende onderwerpen:
I. aankoop/verkoop medicijnen bestemd voor Suriname. Het betreft de inkoop van medicijnen ten behoeve van de markt in Suriname bij Suracon B.V. en de verkoop daarvan aan Quatro Pharma B.V., waarna MC geen betaling van het door haar voorgefinancierde bedrag heeft ontvangen;
II. het betalen van registratiekosten voor medicijnen in Sint Maarten, terwijl die medicijnen niet op naam van MC, maar op naam van een leverancier (Ivora Pharma) werden gesteld;
III. verbouwingskosten voor een voorraadruimte in Sint Maarten, volgens MC onnodig en onverantwoord;
IV. kosten van een strafrechtelijke vervolging wegens het opslaan van geneesmiddelen met opiaten in Sint Maarten (opiatenkwestie SXM);
V. omzetverlies in 2013 en 2014 bij de werkmaatschappij in Sint Maarten;
VI. het toestaan van de opbouw van een rc-schuld door [bestuurder 2];
VII. het niet verlenen van een groothandelsvergunning in Bonaire.
Voor wat betreft [bestuurder 2] betreft dit dezelfde onderwerpen, behalve onderwerp IV, ter zake waarvan [bestuurder 2] kennelijk geen verwijt wordt gemaakt. Daarnaast wordt [bestuurder 2] verweten dat hij heeft toegestaan dat [bestuurder 1] een rc-schuld heeft opgebouwd, het spiegelbeeld dus van de vordering tegen [bestuurder 1], onderwerp VI.
Het Hof zal hierna de verwijten in de genoemde volgorde bespreken.
5.25
Meer in het algemeen geldt het volgende. [bestuurder 1] heeft samengevat onder meer het volgende aangevoerd als achtergrond van zijn taakuitoefening als bestuurder. Bij zijn aanstelling als statutair bestuurder stond [bestuurder 1] voor de uitdaging de ondernemingen in de MC-groep te laten groeien in een concurrerende markt, terwijl er een gebrek aan financiële reserves was om die groei te financieren. Daarnaast had het concern te maken met een overschot aan duur personeel, dat gelet op de arbeidswetgeving niet of alleen tegen hoge kosten kon worden ontslagen. De markt betreden om groei te genereren was een belangrijk onderdeel van zijn functie en de daarmee gepaard gaande kosten (voor reizen, meetings, trade shows) werden betaald met de zakelijke creditcard van MC. [bestuurder 1] hield samen met [bestuurder 2] nauw contact met de aandeelhouders en de UBO; dit blijkt uit actielijsten en notulen van de algemene vergadering en de STAK. Tijdens de zes jaren dat hij bestuurder was zijn geen klachten geuit en zijn hem geen verwijten gemaakt. Deze algemene stellingen zijn niet betwist door MC.
5.26 [
[bestuurder 1] heeft voorts aangevoerd dat er een verdeling was tussen hem en [bestuurder 2] in die zin dat hij CEO was en [bestuurder 2] CFO. Daarnaast was er een geografische verdeling van bestuurstaken. [bestuurder 1] was verantwoordelijk voor Aruba en Sint Maarten en [bestuurder 2] voor Curaçao, Suriname en Bonaire. Na betwisting door MC (in haar pleitnotitie van 22 maart 2021 in 6.4) dat de taken van de bestuurders op deze wijze geografisch verdeeld waren heeft [bestuurder 1] ook in hoger beroep niet onderbouwd dat deze taakverdeling bestond. [bestuurder 1] heeft daarnaast onvoldoende toegelicht dat een dergelijke taakverdeling consequenties zou hebben voor zijn aansprakelijkheid, met name tegenover de stelling van MC dat het bij de genoemde verwijten steeds gaat om kwesties van algemeen en financieel beleid, die per definitie tot de taak en de collectieve verantwoordelijkheid van het gehele bestuur behoren. Het Hof is het daarmee eens en houdt daarom bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurders geen rekening met de gestelde taakverdeling. De tegen dit oordeel gerichte (incidentele) grief 3 van [bestuurder 1] gaat daarom niet op.
I.
aankoop medicijnen in Suriname
5.27
MC heeft hierover het volgende aangevoerd. MC verwijt de voormalige bestuurders dat zij in zee zijn gegaan met [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), de bestuurder van een aantal ondernemingen, Suracon B.V., Quatro Pharma B.V. en Ivora Pharma B.V. MC heeft in augustus 2014 de inkoop van medicijnen bij Mosadex (een groothandel in farmaceutische producten) door Suracon voorgefinancierd (door betaling van een factuur van € 215.992 aan Suracon). De medicijnen werden daarna naar Suriname verscheept en afgeleverd bij Quatro Pharma, die de medicijnen heeft verkocht en geleverd aan het Staatziekenfonds. Quatro Pharma heeft de verkoopopbrengst behouden en heeft een factuur die MC haar gestuurd heeft van € 235.629 onbetaald gelaten. Volgens MC hadden de bestuurders niet met [betrokkene 1] moeten contracteren vanwege de volgende omstandigheden (samengevat):
( i) de financiële situatie in Suriname was al vanaf 1980 slecht, waardoor het zaken doen daar grote risico’s opleverde, onder meer vanwege restricties op de uitvoer van deviezen; dit maakte het ook moeilijk om de verkoopopbrengst van deze medicijnen het land uit te krijgen;
(ii) [betrokkene 1] had in Suriname geen goede naam en Suracon verkeerde al vanaf 8 december 2008 in surseance van betaling, voerde vanaf dat moment geen activiteiten meer uit, bezat geen activa en had vele schuldeisers;
(iii) [betrokkene 1] was zelf niet in staat om de lading medicijnen waar het om ging aan te kopen en had toestemming nodig van de bewindvoerder in de surseance voor deze transactie; die is niet verkregen;
(iv) [juridische adviseur], de toenmalige juridische adviseur van de MC-groep heeft [bestuurder 2] bij mail van 21 juni 2013 op de surseance van betaling van Suracon gewezen en heeft onder meer geschreven “
Laat je aub goed informeren over de status van Suracon B.V. en of Suracon B.V. buiten de bewindvoerder om overeenkomsten kan aangaan”;
( v) de Inspectie van Geneesmiddelen in Sint Maarten heeft ernstige reserves geuit tegen [betrokkene 1];
(vi) nadat de medicijnen aankwamen in Suriname zijn deze korte tijd opgeslagen bij MC Suriname en daarna door Quatro Pharma verkocht aan derden;
(vii) [betrokkene 1] heeft betalingsregelingen voorgesteld aan MC, die door hem niet zijn nagekomen.
5.28 [
[bestuurder 1] heeft betwist dat hem een verwijt treft inzake deze kwestie en onderbouwt dit onder meer als volgt:
( a) de voorganger van [bestuurder 1] ([voorganger van bestuurder 1]) had vanaf 2010 contact met [betrokkene 1], dit omdat die vertegenwoordiger van de farmaceutische fabrikant Mosadex was en de MC-groep haar assortiment wilde verbreden naar generieke medicijnen vanuit Nederland, onder meer omdat de overheden van Curaçao, Aruba en Sint Maarten de invoer van merkmedicijnen op de eilanden aan banden wilden leggen;
( b) door een partnership met [betrokkene 1] en Mosadex aan te gaan werden nieuwe distributiekanalen aangeboord en kreeg de MC-groep toegang tot een nieuw assortiment producten; dit paste in de groeidoelstellingen van de aandeelhouders van de MC-groep;
( c) de toenmalige STAK was op de hoogte van dit strategische plan om via Mosadex het marktaandeel van de MC-groep te vergroten en heeft dit goedgekeurd (dit blijkt uit notulen van de STAK van 3 september 2013);
( d) de contracten die uiteindelijk zijn gesloten met de vennootschappen van [betrokkene 1] zijn gelijk aan contracten met andere grote leveranciers;
( e) de surseance van betaling van Suracon in 2008 heeft de MC-groep op geen enkele manier geschaad en de MC-groep deed in 2018 nog steeds zaken met Suracon; de betaling aan Suracon is bovendien pas gedaan toen zij na een crediteurenakkoord was doorgestart; Suracon was toen operationeel en “in good standing”;
( f) toen de kans zich voordeed om medicijnen te leveren aan het Staatsziekenfonds in Suriname nam [bestuurder 1] het initiatief en heeft MCI laten participeren in een aanbesteding die door MCI is gewonnen; in 2013 waren de daarna forsere economische problemen van Suriname nog niet te voorzien;
( g) vanwege die dramatische terugval in 2015 van de economische en financiële situatie in Suriname bleven de facturen, verschuldigd door SZV/de Surinaamse staat onbetaald en is de marge op de verkoopopbrengst die MC Suriname zou verdienen niet gerealiseerd;
( h) betwist wordt dat Quatro Pharma betaling voor de medicijnen heeft ontvangen en die in eigen zak heeft gestoken; vanwege de schaarste aan buitenlandse valuta in 2015 kon het Surinaamse staatsziekenhuis niet betalen in harde valuta en hebben de voormalige bestuurders met [betrokkene 1] afgesproken dat het SZV aan Quatro Pharma zou betalen in Surinaamse dollars. Quatro Pharma kon dit aan MC Suriname doorbetalen in dezelfde valuta, zodat MC Suriname daarmee haar lokale activiteiten kon financieren. Voordat deze afspraak kon worden uitgevoerd zijn de bestuurders ontslagen en is de Surinaamse vestiging gesloten;
( i) nadat [betrokkene 1] door de opvolgers van de bestuurders was aangemaand tot betaling heeft hij aangeboden medicijnen ter waarde van het verschuldigde bedrag te leveren aan MC; de nieuwe directie is niet op dat aanbod ingegaan en heeft daarna geen verdere incassomaatregelen genomen. MC heeft daarmee niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht.
5.29 [
[bestuurder 2] heeft eveneens zijn aansprakelijkheid betwist en heeft zich daarvoor aangesloten bij de verweren die [bestuurder 1] heeft gevoerd en heeft die deels herhaald. [bestuurder 2] heeft aanvullend op de door [bestuurder 1] aangevoerde omstandigheden onder 5.25 (g) en (h) nog het volgende gesteld. De door Suracon geleverde medicijnen zijn na aankomst in Suriname opgeslagen in de opslagruimte van MC Suriname en zouden pas na verkoop aan derden door Quatro Pharma en betaling door Quatro Pharma aan MC worden uitgeleverd. Na ontslag van de bestuurders zijn de medicijnen in opdracht van de nieuwe directie van MC echter verwijderd uit de opslag bij MC en aan Suracon geleverd. [bestuurder 2] verwijst naar een verklaring van [betrokkene 1] over de gang van zaken (overgelegd bij akte van [bestuurder 2] van 8 juni 2020).
5.3
Het Hof oordeelt als volgt. MC heeft niet betwist dat de samenwerking met [betrokkene 1] paste in de strategie van het bedrijf, die gericht was op groei en winstmaximalisatie en dat deze samenwerking goedgekeurd was door de STAK. Door de overeenkomst met Suracon waar het in deze zaak over gaat werden nieuwe distributiekanalen aangeboord en de deal had de potentie om het marktaandeel van MC te vergroten, doordat het assortiment producten werd uitgebreid met generieke medicijnen. Voor toegang tot de Surinaamse markt was [betrokkene 1] als distributeur van Mosadex nodig. Ook dat heeft MC niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. Feit is dat de voorfinanciering van deze deal zich niet heeft terugbetaald. De vraag die beantwoord moet worden aan de hand van de hiervoor in 5.16 genoemde Staleman-van de Ven[bestuurder 2]aatstaf is of de bestuurders daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
5.31
De vraag is of de bestuurders onverantwoord grote risico’s hebben genomen door deze deal te sluiten. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is het feit dat de bestuurders in 2013 de samenwerking zijn aangegaan met [betrokkene 1] en Mosadex en MC hebben laten meedoen met de aanbesteding voor het leveren van medicijnen in Suriname onvoldoende om hen aansprakelijk te stellen. Dit paste in de strategie van het bedrijf, de toenmalige STAK was daarvan op de hoogte en keurde dit kennelijk goed. De al langere tijd volatiele situatie in Suriname was kennelijk ook voor de STAK onvoldoende reden om geen zaken te doen in Suriname en MC heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat de bestuurders al in 2013/2014 de (volgens de bestuurders later optredende) problemen met de uitvoer van deviezen konden voorzien.
5.32
Ook het feit dat Suracon in surseance van betaling heeft verkeerd (die is opgeheven op 13 augustus 2014) hoefde geen reden te zijn om geen zaken met het bedrijf te doen. De mail van mr. Thompson van 21 juni 2013 is niet meer dan een advies om meer informatie in te winnen over Suracon en de betaling door MCA aan Suracon is gedaan begin september 2014, na opheffing van de surseance. Volgens [bestuurder 1] was dat na een doorstart en was Suracon toen operationeel. MC heeft dit niet betwist. Het Gerecht heeft overwogen (in het vonnis [bestuurder 1] in r.ov 76 en in het vonnis [bestuurder 2] in r.ov 75) dat de reserves die de Inspectie van Geneesmiddelen met betrekking tot [betrokkene 1] had niet gemotiveerd en onderbouwd zijn. MC heeft ook in hoger beroep niet onderbouwd dat die gestelde reserves voldoende reden vormden om in 2013/2014 niet in zee te gaan met [betrokkene 1]. Het Gerecht heeft bovendien vastgesteld (in het vonnis [bestuurder 1] in r.ov 74 en in het vonnis [bestuurder 2] in r.ov 73) dat de bestuurders zich wel hebben voorbereid op het contract met Suracon (onder meer door samen met [betrokkene 1] Mosadex te bezoeken). MC heeft ook dat niet betwist.
5.33
De voorfinanciering van de aankoop van de medicijnen is achteraf bezien riskant te noemen. Ondernemen houdt echter ook in het nemen van risico’s, om bijvoorbeeld, zoals in dit geval, nieuwe markten aan te boren. MC heeft onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat de voorfinanciering van de aankoop van medicijnen voor ruim 2 ton van een leverancier/distributeur, gelet op het geheel van uitgaven van de MC-groep, een onaanvaardbaar risico vormde tegenover de business opportunity om de Surinaamse markt te betreden en het assortiment uit te breiden met generieke medicijnen.
5.34
Verder is voldoende komen vast te staan dat de bestuurders nog hebben proberen te redden wat er te redden viel door in overleg met [betrokkene 1] manieren te bedenken om de betaling aan MC veilig te stellen. Over de feitelijke achtergrond van die maatregelen en waarom die niet geleid hebben tot incasso van het bedrag geven partijen verschillende versies. MC heeft onder meer aangevoerd dat Quatro Pharma betaling heeft ontvangen van het Surinaamse Staatsziekenfonds en die opbrengst in eigen zak heeft gestopt, maar de bestuurders betwisten dat en MC heeft niet onderbouwd dat dit zo gebeurd is. Voor zover is komen vast te staan dat [betrokkene 1] toerekenbaar tekort is gekomen was dit bij het aangaan van de overeenkomst niet zonder meer te voorzien voor de bestuurders en geldt dat zij hebben geprobeerd de nadelige gevolgen voor MC te beperken.
tussenconclusie inzake verwijt I
5.35
Gelet op alle omstandigheden van dit geval vormt het aangaan van de deal met Suracon/[betrokkene 1] en de daaropvolgende (gestelde) wanprestatie van [betrokkene 1] onvoldoende reden om de bestuurders een ernstig verwijt te maken en aansprakelijk te stellen voor het onbetaald gebleven bedrag.
II. registratiekosten Sint Maarten
5.36
MC verwijt de voormalige bestuurders dat zij het goedgevonden hebben dat kosten van registratie van generieke medicijnen (NAf 41.750) door MC werden voorgeschoten, terwijl de registraties van die medicijnen niet plaatsvond op naam van MC (zoals gebruikelijk in de medicijnenbranche, waarbij het bedrijf dat de medicijnen registreert die ook mag importeren), maar op naam van Ivora Pharma, een vennootschap van [betrokkene 1]. Ivora Pharma heeft daar voordeel door behaald, terwijl de registratiekosten nooit zijn terugbetaald aan MC. Dat levert een ernstig verwijt aan de bestuurders op.
5.37
Zowel [bestuurder 1] als [bestuurder 2] hebben zich verweerd tegen deze vordering en hebben het volgende aangevoerd. In tegenstelling tot de praktijk bij merkmedicijnen is het bij generieke medicijnen (waar het in Sint Maarten om ging) gebruikelijk dat de distributeur (in dit geval MC) de registratiekosten betaalt. Het voorschieten van die kosten was bovendien simpelweg nodig om zaken te kunnen doen in Sint Maarten, omdat MCI Sint Maarten in 2015 nog niet de vereiste vergunning had voor de invoer van medicijnen. De bestuurders hebben dit tijdelijk weten op te lossen door van het partnership met [betrokkene 1] gebruik te maken en Ivora Pharma in te schakelen.
5.38
Tegenover dit gemotiveerde verweer van de bestuurders heeft MC onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de bestuurders op dit punt een (ernstig) verwijt treft. MC blijft volhouden dat het voorschieten van registratiekosten niet gebruikelijk en “uit den boze” is, maar onderbouwt deze stelling niet, terwijl de bewijslast (anders dan MC betoogt) dat de bestuurders aansprakelijk zijn op haar rust.
tussenconclusie inzake verwijt II
5.39
Dit verwijt aan de bestuurders gaat dus niet op.
III. verbouwingskosten voorraadruimte in Sint Maarten
5.4
MC heeft aangevoerd dat de bestuurders opdracht hebben gegeven tot de verbouwing van een voorraadruimte in Sint Maarten, zodat [betrokkene 1] zijn producten daar kon bewaren en van daaruit kon verkopen, dit terwijl MC SXM geen extra opslagruimte nodig had. De bestuurders stelden daarbij niet de belangen van MC, maar die van [betrokkene 1] voorop. De kosten voor de verbouwing (NAf 36.379) zijn onnodig gemaakt en dit wordt de bestuurders verweten.
5.41 [
[bestuurder 1] heeft als verweer tegen dit verwijt het volgende aangevoerd.. Onder meer op aanwijzing van de lokale inspecteur geneesmiddelen heeft hij geconstateerd dat de huidige faciliteiten van MC SXM niet voldeden. Er was onvoldoende opslagcapaciteit en de faciliteiten die bestonden waren niet conform de richtlijnen voor het verantwoord opslaan van medicijnen en andere farmaceutische toepassingen. De verbouwing had tot doel de opslag te vergroten en de faciliteiten een upgrade te geven qua licht, koeling en veiligheid. De verbouwingskosten waren nodig en verantwoord en vielen binnen de normale bedrijfsvoering. Tot de verbouwing is niet alleen besloten om de producten van [betrokkene 1] op te slaan, die namen maar een beperkt deel van de opslag in beslag. [bestuurder 2] heeft zich bij dit verweer aangesloten en heeft nog aanvullend gesteld dat de directie dergelijke beslissingen betreffende de normale bedrijfsvoering kon nemen zonder toestemming van de STAK.
5.42
Tegenover deze gemotiveerde betwisting door de bestuurders heeft MC ook op dit punt onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de bestuurders een (ernstig) verwijt treft. MC heeft niet betwist dat een beslissing tot een dergelijke verbouwing voor een relatief beperkt bedrag behoort tot de normale bedrijfsvoering, waarover de directie beslist. Voor hun stelling dat die beslissing verantwoord was hebben de bestuurders voldoende argumenten aangevoerd, die MC ook in hoger beroep onvoldoende heeft betwist. De enkele betwisting door MC dat de upgrade van de voorraadruimte was ingegeven door richtlijnen van de autoriteiten van SXM is onvoldoende om aan te nemen dat de beslissing om te verbouwen lichtvaardig is genomen en alleen om [betrokkene 1] te faciliteren. De bestuurders hebben voorts gemotiveerd toegelicht dat er goede redenen waren om met [betrokkene 1] in zee te gaan, zoals hiervoor (bij de bespreking van verwijt I) al besproken.
tussenconclusie inzake verwijt III
5.43
Ook dit verwijt aan de bestuurders gaat dus niet op.
IV. opiatenkwestie SXM
5.44
MC heeft in het inleidend verzoekschrift alleen [bestuurder 1] hierover een verwijt gemaakt en [bestuurder 2] niet (in zijn zaak is ook geen verklaring voor recht ter zake deze kwestie verzocht, ook niet in de akte vermeerdering eis van 11 september 2017).. In de akte van 8 juni 2020 van MC in de zaak tegen [bestuurder 2] (in par. 5.20-5.24) betrekt MC ook [bestuurder 2] bij deze kwestie, maar onder meer deze paragrafen van deze akte zijn door het Gerecht buiten beschouwing gelaten. Het Gerecht heeft in het vonnis betreffende [bestuurder 2] dan ook geen beslissing over deze kwestie genomen.
5.45
In de memorie van grieven in de zaak tegen [bestuurder 2] (4.22 tot en met 4.24) maakt MC in de beschrijving van deze kwestie ook aan [bestuurder 2] verwijten, maar deze memorie van grieven eindigt niet in een vermeerdering van eis op dit punt en er ligt dus ook in hoger beroep geen vordering tegen [bestuurder 2] voor waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd ter zake deze kwestie. De inhoud van de aktes van MC van 8 juni 2020 en 6 juli 2020 moet (zoals hiervoor overwogen) echter bij de beoordeling betrokken worden en het Hof zal (het petitum van) de memorie van grieven in combinatie met de inleidende vordering welwillend lezen en aannemen dat MC heeft bedoeld in deze kwestie ook een verwijt aan [bestuurder 2] te maken.
5.46
MC maakt [bestuurder 1] (in eerste aanleg) en beide bestuurders (in hoger beroep) de volgende verwijten. Doordat de bestuurders niet controleerden/geen toezicht hielden op de opslag van medicijnen in de opslagruimte van MC in Sint Maarten kon het gebeuren dat Ivora Pharma samples van geneesmiddelen daar heeft opgeslagen, welke samples opiaten bevatten. Deze import en opslag was in strijd met de strafwet, heeft geleid tot een inval (op 7 januari 2014) van de Inspectie Geneesmiddelen, inbeslagname en vernietiging van de samples, gevolgd door een vervolging door het OM en uitmondend in het aanbod tot een transactie (NAf 5.000) waaraan een proeftijd van 2 jaar verbonden was. De bestuurders hebben bij deze kwestie juridische bijstand gekregen van HBN-Law. De kosten daarvan en van de boete zijn schade ontstaan als gevolg van onoordeelkundig handelen van de bestuurders. De STAK is door de bestuurders niet op de hoogte gebracht van deze kwestie; dit kwam pas uit na het aantreden van de nieuwe bestuurder.
5.47 [
[bestuurder 1] heeft verweer gevoerd tegen de verwijten op dit punt en het Hof neemt aan dat [bestuurder 2] zich daarbij aansluit. [bestuurder 1] heeft aangevoerd dat hij niet wist dat Suracon bij een partij (normale) geneesmiddelen ook samples van opiaten had gevoegd, met als doel deze te laten registreren. Toen [bestuurder 1] op de hoogte raakte van het incident heeft hij direct passende maatregelen genomen, waaronder het inschakelen van juridische bijstand, waardoor de gevolgen van dit incident beperkt bleven.
5.48
Als reactie op dit verweer heeft MC slechts verwezen naar haar stellingen in eerste aanleg en is zij niet ingegaan op het verweer van [bestuurder 1] dat het geen moedwillige import van opiaten betrof door [betrokkene 1], maar slechts samples die nodig waren om tot registratie voor toekomstige import over te gaan en dat hij pas achteraf op de hoogte is geraakt van dit incident. Daarmee heeft MC onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de bestuurders een ernstig verwijt treft.
tussenconclusie inzake verwijt IV
5.49
Ook het verwijt op dit punt leidt dus niet tot aansprakelijkheid van de bestuurders.
V. omzetverlies SXM
5.5
MC heeft aangevoerd dat de opiatenkwestie heeft geleid tot omzetverlies van MC SXM in 2014 en 2015. Als gevolg van de inval werd MC SXM op de blacklist van de Inspectie geplaatst, waardoor nieuwe producten niet konden worden geregistreerd en verlopen registraties niet konden worden verlengd.
5.51
Nu hiervoor is geconstateerd dat de bestuurders ter zake de opiatenkwestie geen verwijt treft, kan eventueel daardoor veroorzaakte schade hen niet worden aangerekend. Dit geldt nog afgezien van het feit dat MC tegenover het verweer van de bestuurders onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat het gestelde omzetverlies (waarvan ook onduidelijk is in welke periode dit precies geleden zou zijn) in causaal verband staat met het opiatenincident.
5.52
Ook overigens zijn de stellingen van MC op dit punt summier. [bestuurder 1] heeft aangevoerd dat het omzetverlies is te wijten aan marktomstandigheden als de terugloop van de verkoop in farmaceutische producten en aan hoge personeelskosten. [bestuurder 2] heeft op de financiële resultaten uit het verleden gewezen. Daaruit blijkt volgens hem dat ondanks maatregelen van de overheid die de import van geneesmiddelen bemoeilijkten, het aflopen van patenten op bepaalde keyproducten en interne bottlenecks de brutowinst over de jaren 2011 toe en met 2014 nagenoeg gelijk is gebleven (gemiddeld 22%), terwijl de operationele kosten gestegen zijn. MC is niet ingegaan op deze specifieke verweren, niet in de akten van 8 juli 2020 en 6 juli 2020 die het Gerecht (deels) buiten beschouwing heeft gelaten en ook niet in hoger beroep, waar MC slechts verwijst naar “eerdere processtukken” (zonder verwijzingen). MC heeft hiermee onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het gestelde omzetverlies een ernstig verwijt oplevert aan de bestuurders.
tussenconclusie inzake verwijt V
5.53
MC heeft ook op dit punt onvoldoende gesteld dat kan leiden tot aansprakelijkheid van de bestuurders.
VI. de gang van zaken rond rc-schulden van de bestuurders
5.54
MC heeft op dit punt het volgende aangevoerd. Tijdens het onderzoek door Baker Tilly in 2015 kwam aan het licht dat de voormalige bestuurders rekening-courantvoorzieningen voor zichzelf hadden opgezet, terwijl niet was afgesproken met de STAK dat dit mocht. De bestuurders maakten gebruik van company credit cards, ook voor privé-uitgaven. Die uitgaven werden bijgehouden in een grootboek en verwerkt in een rekening-courant met het bedrijf. De bestuurders losten niet (structureel) af op die rekening-courant en zij hebben het bestaan van de rc-schulden achtergehouden voor de STAK. De rc-schulden waren “verstopt in de cijfers” en in de jaarrekeningen niet opgenomen dan wel onder de benaming “overige vorderingen”(zonder uitleg dat het om privéschulden van de bestuurders ging). Door de STAK gestelde vragen werden niet dan wel ontwijkend beantwoord. De managementletter die bij de jaarrekening 2013 hoorde is door de bestuurders onthouden aan de STAK.
5.55 [
[bestuurder 1] en [bestuurder 2] hebben als verweer aangevoerd
( i) dat zij al sinds 2011/2009 de beschikking hadden over een creditcard, die ook gebruikt werd voor privé-uitgaven en dat dit gebruikelijk was bij MC;
(ii) dat de uitgaven met de creditcard bijgehouden werden in een grootboek en verwerkt in een rekening-courant met het bedrijf;
(iii) dat de bestuurders recht hadden op bonussen (afhankelijk van behaalde targets) en die ook hebben ontvangen in 2011 en 2012;
(iv) dat de praktijk bij MC was dat er voorschotten op de te verwachten bonus werden genomen, die verrekend werden met de rc-schulden; binnen MC waren geen interne richtlijnen over het opnemen van die voorschotten en bestond geen formeel goedkeuringsmechanisme door de STAK;
( v) dat de STAK vanaf 2013 geen targets voor bonussen heeft vastgesteld, dat daardoor geen bonussen werden uitgekeerd waardoor de rc-schulden opliepen;
(iv) dat de rc-schulden in 2011-2014 vermeld werden in de jaarrekeningen onder “other receivables”(een gebruikelijke plek om deze uitgaven te vermelden) en dat deze schulden ook gespecificeerd werden in maandelijkse rapportages aan de STAK als “current account MH” en “current account DM” ;
( v) dat zowel de toenmalige STAK-leden als de UBO van MC zich steeds gedetailleerd op de hoogte lieten houden en dus ook op de hoogte waren van de rc-schulden;
(vi) dat zowel [bestuurder 1] (vanaf 2014) als [bestuurder 2] (vanaf 2012) aflossingen hebben gedaan op de rc-schulden;
(vii) dat aan de bestuurders decharge is verleend over de jaren 2011-2013.
5.56
MC heeft de in 5.55 sub (i) tot en met (vi) genoemde feiten niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. MC heeft weliswaar aangevoerd dat “zij” (bedoeld wordt kennelijk de huidige directie/STAK) niet bekend was met het privé-gebruik van de company credit cards, met de verwerking daarvan in de grootboeken en in de jaarrekeningen, maar dat betekent nog niet dat de leden van de STAK in de periode 2011-2014 daar ook niet van op de hoogte waren of hadden kunnen zijn. De bestuurders hebben aangevoerd dat zowel de toenmalige STAK als de toenmalige UBO wel degelijk op de hoogte waren van de rc-schulden en dat heeft MC onvoldoende gemotiveerd betwist. MC heeft ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat de rc-schulden op een gebruikelijke plek te vinden waren in de jaarrekeningen en dat de schulden gespecificeerd werden in de maandelijkse rapportages van de directie aan de STAK. Vast staat bovendien dat de bestuurders al ruimschoots voor hun ontslag aflossingen hebben gedaan op de rc-schulden en dat daarover concrete afspraken waren gemaakt, naar valt aan te nemen met de toenmalige STAK.
5.57
Gelet hierop heeft MC tegenover de gedetailleerde en onderbouwde betwisting door de bestuurders onvoldoende gesteld om aan te nemen dat hen een ernstig verwijt treft voor het laten ontstaan van de rc-schulden. Dat geldt voor het ontstaan van hun eigen schulden en van die van de ander; van kruislingse hoofdelijke aansprakelijkheid is dus ook geen sprake.
tussenconclusie inzake verwijt VI
5.58
MC heeft ook op dit punt onvoldoende gesteld dat kan leiden tot aansprakelijkheid van de bestuurders.
VII. het niet verlenen van een groothandelsvergunning in Bonaire
5.59
MC heeft in de inleidende verzoekschriften (in par 3.13 en 3.14 van het verzoekschrift tegen [bestuurder 1] en in par 3.9 en 3.10 van het verzoekschrift tegen [bestuurder 2]) het volgende aangevoerd. Door het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen per 10-10-2010 diende per nieuw Land een nieuwe groothandelsvergunning te worden aangevraagd, waarbij een “grace period” van 5 jaar gold. MC verwijt de bestuurders dat zij zich onvoldoende hebben ingespannen om een nieuwe vergunning te krijgen. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de MC-groep per 2015 niet langer gerechtigd was op Bonaire farmaceutische producten te verhandelen dan wel nieuwe registraties van geneesmiddelen uit te voeren.
5.6
Het Gerecht heeft in geen van beide zaken een beslissing gegeven op dit punt, wellicht omdat ter zake geen verklaring voor recht is gevorderd. In de memorie van grieven in beide zaken (in par 5.29 en 5.30 in de zaak tegen [bestuurder 1] en in par 4.28 en 4.29 in de zaak tegen [bestuurder 2]) komt MC op deze kwestie terug, ook weer zonder dat dit uitmondt in een vermeerdering van eis in hoger beroep. Ook hier zal het Hof (het petitum van) de memorie van grieven in combinatie met de inleidende vordering welwillend lezen en aannemen dat MC heeft bedoeld te stellen dat de bestuurders ook ter zake deze kwestie persoonlijk aansprakelijk zijn.
5.61 [
[bestuurder 1] heeft als verweer het volgende aangevoerd. [bestuurder 1] heeft, hoewel hij daar niet de primaire verantwoordelijkheid voor droeg, zich wel degelijk ingespannen om de groothandelsvergunning voor Bonaire te vernieuwen. Hij heeft daarvoor met de general manager van de vestiging in Bonaire een actieplan opgesteld. Als onderdeel daarvan hebben de general manager en haar team een speciale training in Nederland gevolgd. Ten tijde van het ontslag van de bestuurders was de vergunningaanvraag ingediend en was MC in afwachting van een beslissing daarop. Ook [bestuurder 2] heeft aangevoerd onder verwijzing naar bijgevoegde mailcorrespondentie met de Nederlandse inspecteur geneesmiddelen dat beide bestuurders al vanaf 2013 bezig zijn geweest met het vernieuwen van de groothandelsvergunning voor Bonaire.
5.62
Ook op dit punt geldt dat MC niet of nauwelijks op deze specifieke verweren is ingegaan, niet in de aktes van 8 juni 2020 en 6 juli 2020 en ook niet in hoger beroep. In de memories van grieven wordt slechts een alinea aan deze kwestie gewijd, waarin slechts de stellingen uit de inleidende verzoekschriften worden herhaald en de kwestie komt voor in een opsomming van verwijten aan de bestuurders als “laksheid op Bonaire”. MC heeft hiermee onvoldoende gesteld om aan te nemen dat op dit punt een ernstig verwijt te maken is aan de bestuurders.
tussenconclusie inzake verwijt VII
5.63
MC heeft ook op dit punt onvoldoende gesteld dat kan leiden tot aansprakelijkheid van de bestuurders.
conclusie bestuurdersaansprakelijkheid
5.64
Ook als alle verwijten in samenhang worden bezien komt het Hof niet tot het oordeel dat aan de bestuurders een ernstig verwijt valt te maken. Het is mogelijk dat de achtergrond van het conflict zo is als de bestuurders hebben geschetst, te weten dat er aan dit conflict een onverenigbaarheid van karakters (of een geheel andere kijk op de bedrijfsvoering van MC) ten grondslag ligt van de bestuurders enerzijds en anderzijds een of meer van de leden van de STAK die in 2014 aangetreden zijn. Daardoor waren zaken die eerst geaccepteerd waren binnen het bedrijf (bonussen als financiële prikkels om de winst op te krikken, het betreden van nieuwe markten voor generieke medicijnen en het daarbij nemen van risico’s) voor de nieuwe STAK wellicht niet acceptabel.
5.65
Of dit werkelijk de achtergrond van het conflict is valt moeilijk meer te achterhalen (ook omdat geen vertegenwoordigers van MC aanwezig waren tijdens de zitting in hoger beroep aan wie het Hof dit kon vragen). Het kan ook in het midden blijven, want de reden dat de vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid niet wordt toegewezen is in de eerste plaats dat MC onvoldoende context heeft geschetst om de verwijten goed te kunnen beoordelen. Uit het dossier valt bijvoorbeeld niet op te maken wat indertijd de risico’s waren die voortvloeiden uit de aard van het bedrijf, of er eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen waren en wat de kennis was waar ieder van de bestuurders over beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissing of gedraging. In de tweede plaats heeft MC tegenover de verweren van de bestuurders onvoldoende feitelijke onderbouwing aangedragen, zoals hiervoor per verwijt ook is geconstateerd. Een gebrek aan feitelijke onderbouwing kan niet goed worden gemaakt met bewijsaanbiedingen, die dan ook worden gepasseerd.
5.66
De afwijzing door het Gerecht van de vordering uit bestuurders-aansprakelijkheid blijft daarmee in stand.
D. achterstallig salaris, opzegtermijn en boete [bestuurder 1]
5.67
Het Gerecht heeft (in r.ov 48-50 en 58-63) de vordering van [bestuurder 1] tot achterstallig salaris over de maanden februari 2016 tot en met april 2016 toegewezen tot een bedrag van NAf 56.250, vermeerderd met een contractuele boete van 50% over dat bedrag, hetgeen optelt tot een bedrag van NAf 84.375. Ook de wettelijke rente over dit bedrag is toegewezen, maar de vordering van [bestuurder 1] van NAf 4.500 wegens buitengerechtelijke incassokosten niet.
5.68
MC heeft een grief gericht tegen de toewijzing van het achterstallig salaris en de daarover gerekende boete van 50%. [bestuurder 1] heeft in hoger beroep betoogd dat MC de overeengekomen opzegtermijn van 6 maanden in acht had moeten nemen en dat het Gerecht ook daarover de boete van 50% had moeten rekenen. Bovendien heeft [bestuurder 1] een grief gericht tegen de afwijzing door het Gerecht van de vordering buitengerechtelijke incassokosten.
5.69
Voor de beoordeling van deze grieven is het volgende van belang. In de overeenkomst van opdracht (OvO[bestuurder 1]) die is gesloten tussen MCI en [bestuurder 1] staat onder meer vermeld dat [bestuurder 1] met ingang van 1 juni 2011 voor onbepaalde tijd in dienst treedt als statutair directeur. In artikel 9 is Pro de beëindiging van de overeenkomst geregeld. Op grond van artikel 9.1 van de OvO[bestuurder 1] heeft MCI ten allen tijde het recht de overeenkomst te beëindigen
“(i) met onmiddellijke ingang indien [bestuurder 1] in staat van faillissement verkeert of surseance van betaling wordt verleend; (ii) met onmiddellijke ingang, indien [bestuurder 1] in verzuim is met de nakoming van materiële verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst, mits [bestuurder 1] schriftelijk zal zijn aangemaand onder het stellen van een redelijke termijn voor nakoming; en (iii) met een opzegtermijn van 6 maanden, indien MC International de Overeenkomst doet eindigen zonder opgaaf van redenen, waarbij MC International dan aan [bestuurder 1] een Bruto vergoeding (inclusief eventueel aanspraak op cessantia) is verschuldigd gelijk aan, van het eerste tot en met het twaalfde jaar, één jaarsalaris plus gemiddelde bonussen, en hierna een bedrag gelijk aan de uitkomst van de volgende formule: 1 maandsalaris per gewerkt jaar vanaf 1 juni 2017. Deze vergoeding wordt geacht te zijn een volledige vergoeding in relatie tot het ontslag en de beëindiging van de overeenkomst”.In artikel 14 lid 3 OvO Pro[bestuurder 1] is vermeld dat indien MCI in verzuim is ten aanzien van een betalingsverplichting jegens [bestuurder 1] zij een boete zal verbeuren gelijk aan de vertragingsrente ingevolge artikel 1614q BW, te berekenen over het verschuldigde bedrag.
5.7
Vast staat dat MCI [bestuurder 1] vanaf februari 2016 geen salaris meer heeft betaald. De OvO[bestuurder] is door MCI opgezegd (onder verwijzing naar artikel 9 lid Pro 2 (bedoeld zal zijn 9.1 (ii)) OvO[bestuurder 1]) bij brief van 25 april 2016 (hierna: de opzegbrief). Beoordeeld moet worden door uitleg van de OvO[bestuurder 1] en de opzegbrief (aan de hand van het Haviltex-criterium) of artikel 9.1 OvO[bestuurder 1] van toepassing is in deze situatie, en zo ja, welk onderdeel van dit artikel.
5.71
Voorop staat dat partijen bij het aantreden van [bestuurder 1] als bestuurder hebben gekozen voor een overeenkomst tot opdracht, waarbij de hoofdregel is dat die overeenkomst te allen tijde opgezegd kan worden (artikel 7:408 lid 1 BW Pro). Die ruimere opzegmogelijkheid paste bij de wijziging in positie van [bestuurder 1] (die eerst werknemer van MC was) en gaf de onderneming in beginsel een grotere vrijheid om hem te ontslaan. [bestuurder 1] heeft aangevoerd dat hij zich dat gerealiseerd heeft, en dat hij daarover onderhandelingen heeft gevoerd met MC, die geresulteerd hebben in een wijziging in artikel 9.1 OvO[bestuurder 1]. Van belang is dat de OvO[bestuurder 1] is opgesteld door de advocaat van MCI en dat [bestuurder 1] bij de onderhandelingen niet werd bijgestaan door een advocaat.
5.72
In die uitonderhandelde tekst van artikel 9.1 OvO[bestuurder 1] worden drie situaties omschreven waarin opzegging te allen tijde kan plaatsvinden. Vast staat dat de situatie in 9.1 (i) niet aan de orde is. Artikel 9.1(ii) maakt opzegging met onmiddellijke ingang mogelijk indien “
[bestuurder 1] in verzuim is met de nakoming van materiële verplichtingen”, waarbij hem een termijn gegund moet zijn om die verplichtingen alsnog na te komen. Uit de formulering in artikel 9.1 (ii) volgt dat dit per definitie gaat om een opzegging met opgave van redenen, te weten concrete verzuimen die hersteld kunnen worden. Als herstel of verbetering niet volgt binnen een redelijke termijn is MCI volgens de tekst van het artikel geen beëindigingsvergoeding verschuldigd. Niet geregeld is de situatie van een opzegging wegens onbehoorlijke taakuitoefening, waarbij herstel of verbetering niet kan plaatsvinden, zodat aanmaning zinloos is.
5.73
Artikel 9.1(iii) spreekt over een opzegging zonder opgave van redenen. In dat geval moet MCI een opzegtermijn in acht nemen en een beëindigingsvergoeding betalen, hetgeen ook voor de hand ligt bij een dergelijke abrupte opzegging zonder reden. De OvO[bestuurder 1] omschrijft echter niet de situatie van een opzegging met opgave van redenen waarbij een beëindigingsvergoeding verschuldigd is.
5.74
MCI heeft aangevoerd dat partijen in artikel 9.1 uitsluitend hebben bedoeld vast te leggen in welke gevallen er mag worden afgeweken van de wettelijke bevoegdheid om te allen tijde de overeenkomst te kunnen beëindigen. Geen van die uitzonderingsgevallen doet zich voor. De opzegbrief somt een groot aantal ernstige verwijten op aan [bestuurder 1] die opzegging met onmiddellijke ingang zonder meer rechtvaardigen. MCI heeft dus terecht gebruik gemaakt van haar wettelijke opzegbevoegdheid, zonder opzegtermijn en is geen beëindigingsvergoeding verschuldigd.
5.75
Het Hof oordeelt als volgt. [bestuurder 1] heeft aangevoerd dat artikel 9.1 een limitatieve opsomming van situaties bevat waarin opgezegd kan worden (te weten opzegging conform 9.1 (ii) zonder vergoeding en conform 9 (iii) met vergoeding), maar niet valt in te zien dat dit zo is. Uit de tekst van het artikel volgt dat niet; het enkele gebruik van het woordje “en” aan het einde van 9.1 (ii) is daarvoor onvoldoende. Het ligt (anders dan [bestuurder 1] heeft gesteld) ook niet zonder meer voor de hand dat MCI bij het aangaan van de overeenkomst afstand heeft willen doen van haar wettelijke bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen met onmiddellijke ingang en zonder vergoeding indien, zoals in dit geval, het vertrouwen tussen de aandeelhouders van de onderneming en de bestuurders is komen te ontbreken. Die in het bedrijfsleven niet ongebruikelijke situatie wordt niet gedekt door de tekst van artikel 9.1.
5.76
Uit de stukken die [bestuurder 1] voorafgaand aan de zitting van 22 maart 2021 heeft overgelegd over de onderhandelingen bij de totstandkoming van de overeenkomst blijkt ook niet dat het de bedoeling van partijen (met name ook van MCI) was dat artikel 9.1 een limitatieve opsomming van opzeggingsgronden zou moeten bevatten. Wel wordt uit die stukken duidelijk dat [bestuurder 1] de aanspraken uit zijn eerdere dienstverband niet wilde prijsgeven. [bestuurder 1] wilde, zoals hij heeft aangevoerd, niet geheel afhankelijk zijn van “de grillen van UBO en STAK” en daarbij past dat de inzet van zijn onderhandelingen kennelijk geheel gericht was op de in 9.1 (iii) omschreven situatie, namelijk een opzegging zonder opgaaf van redenen.
5.77 [
[bestuurder 1] heeft over die onderhandelingen namelijk het volgende gesteld (onder verwijzing naar correspondentie en een concept-overeenkomst). In het eerste concept van de overeenkomst was in artikel 9.1 (iii) naast een opzegtermijn van twee maanden een nog nader overeen te komen schadevergoeding opgenomen. Ook bevatte de concept-overeenkomst op voorstel van MCI een non-concurrentiebeding (in artikel 8). Onderdeel van de onderhandelingen vormde tevens de cessantia, waarop [bestuurder 1] als werknemer recht had bij de beëindiging van de arbeidsrelatie anders dan door zijn schuld of een aan hem toe te rekenen omstandigheid. Daarmee was in het eerste concept geen rekening gehouden. Nadat [bestuurder 1] daarop gewezen had hebben partijen in de eerste plaats de cessantiavergoeding (ongeveer NAf 23.000) meegenomen in de formulering van de in artikel 9.1 (iii) opgenomen beëindigingsvergoeding. Bij beëindiging van de OvO[bestuurder 1] zou dus niet alleen rekening gehouden worden met de jaren die [bestuurder 1] als bestuurder zou gaan werken, maar ook met zijn verleden als werknemer. Dat blijkt ook uit de toevoeging daarover aan het begin van de overeenkomst (in de considerans, vierde gedachtestreepje). In de tweede plaats werd de opzegtermijn verlengd van twee naar zes maanden. Volgens [bestuurder 1] speelde daarbij de handhaving van het concurrentiebeding een rol.
5.78
Uit wat uit de stukken bekend is over de totstandkoming van de OvO[bestuurder 1] kan dus niet worden afgeleid dat het de bedoeling van beide partijen was dat opzegging door MCI alleen kon gebeuren in de in artikel 9.1 omschreven situaties. Het Hof is van oordeel dat MCI dus kon opzeggen met onmiddellijke ingang op de wijze zoals zij gedaan heeft in de opzegbrief. In die brief wordt gesproken over wanbeleid, ernstig verwijtbaar handelen en een onbehoorlijke taakvervulling en wordt aan [bestuurder 1] een groot aantal verwijten gemaakt. Uit de tekst en toon van de brief wordt duidelijk dat het vertrouwen van de aandeelhouders in [bestuurder 1] als bestuurder geheel was komen te ontbreken en dat dit het motief voor de opzegging was.
5.79
Ook indien de redenering van [bestuurder 1] gevolgd zou worden dat opzegging alleen plaats kon vinden in de in artikel 9.1 OvO[bestuurder 1] omschreven gevallen leidt dit niet tot toewijzing van de daarmee verbandhoudende vorderingen van [bestuurder 1]. Van dat geval uitgaande is het Hof van oordeel dat de opzegging valt onder de in artikel 9 (ii) omschreven situatie, te weten verzuimen van [bestuurder 1], leidend tot de genoemde vertrouwenscrisis, waarbij herstel van dat vertrouwen niet meer kon plaatsvinden, zodat het geven van een termijn zinloos zou zijn geweest. [bestuurder 1] heeft weliswaar betwist dat hij tekortgekomen is, maar heeft zijn betwisting met name toegespitst op de hiervoor in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid omschreven kwesties. Die in de opzeggingsbrief gedetailleerd omschreven verwijten zijn weliswaar onvoldoende om te concluderen tot het ernstige verwijt dat nodig is voor bestuurdersaansprakelijkheid, maar vormen naar het oordeel van het Hof ruim voldoende grond tot opzegging. De opzegbrief bevat daarnaast ook nog andere verwijten (opgesomd op p.2 onder 1 tot en met 6), die [bestuurder 1] niet of onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.
5.8
Slotsom is dat MCI de OvO[bestuurder 1] mocht opzeggen zonder een opzegtermijn in acht te nemen en zonder een beëindigingsvergoeding te hoeven betalen. Dit betekent het volgende voor de vorderingen van [bestuurder 1].
5.81
Het salaris van [bestuurder 1] zal moeten worden doorbetaald vanaf februari 2016 tot 25 april 2016, de datum van de opzegbrief. Dat [bestuurder 1] in die periode niet heeft gewerkt lag niet aan hem (hij is immers door MCI geschorst per 15 januari 2016). Vast staat dat het salaris over die periode NAf 56.250 bedroeg; dat moet MCI alsnog betalen.
5.82
Vanwege het feit dat MCI in verzuim was met betaling van dit salaris, terwijl de OvO[bestuurder 1] nog niet opgezegd was, ziet het Hof aanleiding daarover een vertragingsrente te rekenen (op de voet van artikel 14 lid 3 OvO Pro[bestuurder 1]), die het Hof naar analogie van het gebruikelijke percentage in arbeidszaken zal stellen op 10%. In totaal moet MCI dus NAf 61.875 betalen, met toewijzing van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 april 2016.
5.83
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [bestuurder 1] tot betaling van salaris over de opzegtermijn worden afgewezen.
5.84
De gevorderde buitengerechtelijke kosten (NAf 4.500) zullen worden afgewezen. [bestuurder 1] heeft gewezen op de brief van zijn gemachtigde van 4 juli 2017 als onderbouwing van deze post, maar op dat moment liep deze procedure al en deze aanmaning is kennelijk gestuurd als voorbereiding op de in januari 2018 genomen conclusie van antwoord. De voor deze brief gemaakte kosten vallen dan ook onder de proceskostenveroordeling (artikel 63a Rv). [bestuurder 1] heeft wel gesteld, maar niet onderbouwd dat er meer buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht dan het opstellen van die brief.
E. Beëindigingsvergoeding [bestuurder 1]
5.85
Gelet op het voorgaande heeft [bestuurder 1] geen recht op de in artikel 9.1 (iii) opgenomen beëindigingsvergoeding.
F. opzegtermijn, beëindigingsvergoeding en overige vorderingen [bestuurder 2]
5.86 [
[bestuurder 2] heeft vanaf oktober 2009 diensten verleend aan MCI via zijn managementvennootschap ICS. Vanaf 1 juni 2011 is [bestuurder 2] op basis van een Overeenkomst van opdracht (hierna: OvO[bestuurder 2]) werkzaam geweest als statutair bestuurder. De OvO[bestuurder 2] is gesloten tussen MCI en ICS voor de duur van 60 maanden (dus tot 1 juni 2016) en is door MCI op 3 februari 2016 opgezegd met onmiddellijke ingang. Op grond van artikel 6.2 van de OvO[bestuurder 2] heeft MCI ten allen tijde het recht de OvO[bestuurder 2] te beëindigen (voor zover relevant)
“(iii) met onmiddellijke ingang, indien ICS in verzuim is met de nakoming van materiële verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst, mits ICS schriftelijk zal zijn aangemaand onder het stellen van een redelijke termijn voor nakoming; (…)en
(v) met een opzegtermijn van 6 maanden, indien MC International de Overeenkomst wenst te doen beëindigen zonder gegronde redenen, waarbij MC International dan aan ICS een vergoeding verschuldigd is van ANG 173.000 plus een bedrag gelijk aan de uitkomst van de volgende formule: 1, de in artikel 2.1 bedoelde maandvergoeding vermenigvuldigd met het afgeronde aantal contractjaren vanaf 1 juni 2011.”In artikel 9.3 OvO[bestuurder 2] is vermeld dat indien MCI in verzuim is ten aanzien van een betalingsverplichting jegens ICS en [bestuurder 2] zij een terstond opeisbare boete zal verbeuren aan ICS ter hoogte van 2% per maand, te berekenen over het verschuldigde bedrag.
5.87 [
[bestuurder 2] en ICS hebben in eerste aanleg in reconventie zakelijk weergegeven en na vermeerdering van eis gevorderd dat het Gerecht:
a. verklaart voor recht dat MCI ten onrechte is overgegaan tot opzegging van de OvO[bestuurder 2] of daardoor wanprestatie heeft gepleegd dan wel onrechtmatig heeft gehandeld waardoor zij schadeplichtig is;
b. MCI veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van NAf 490.139,48, vermeerderd met 2% contractuele boete per maand, 15% incassokosten en wettelijke rente;
c. verklaart voor recht dat [bestuurder 2] en ICS hun vordering mogen verrekenen met een eventuele vordering van MC op hen.
5.88 [
[bestuurder 2] en ICS hebben aangevoerd dat de situatie beschreven in 6.2 (v) OvO[bestuurder 2] van toepassing is en vorderen de volgende posten:
1.NAf 138.114 (6 maanden opzegtermijn ad NAf 21.716);
2. NAf 173.000;
3. NAf 115.095 op grond van de in artikel 6.2 (v) in de laatste zin genoemde formule(5 x NAf 21.716).
Vermeerderd met een boete van 2% komt dit volgens hen uit op NAf 490.139.
5.89
Het Gerecht heeft (in r.ov 47-63 Vonnis [bestuurder 2]) de vorderingen afgewezen en ICS en [bestuurder 2] hebben daartegen een (incidentele) grief gericht.
5.9
Vast staat dat de OvO[bestuurder 2] (die nog liep tot 1 juni 2016) door MCI is opgezegd in het besluit van de STAK van 3 februari 2016, met onmiddellijke ingang. Hoofdregel is dat een overeenkomst tot opdracht te allen tijde opgezegd kan worden (artikel 7:408 lid 1 BW Pro), maar partijen kunnen anders overeenkomen en dat hebben zij hier gedaan. Beoordeeld moet worden door uitleg van de OvO[bestuurder 2] (aan de hand van het Haviltex-criterium) of en artikel 6.2 OvO[bestuurder 2] van toepassing is en zo ja, welk onderdeel van dit artikel.
5.91
Artikel 6.2 (iii) OvO[bestuurder 2] is gelijkluidend aan artikel 9.1 (ii) OvO[bestuurder 1]. Artikel 6.2 (v) bepaalt dat indien MC International de overeenkomst wenst te doen eindigen zonder gegronde reden, een opzegtermijn van 6 maanden in acht moet worden genomen en een beëindigingsvergoeding moet worden betaald.
5.92 [
[bestuurder 2] heeft aangevoerd (in de toelichting op grief 1 van zijn incidentele appel) dat opzegging wegens een gegronde reden alleen mogelijk is op grond van artikel 6.2 (iii) van de OvO[bestuurder 2] en dat dit artikel alleen van toepassing is als ICS is aangemaand. Nu de beëindigingsgronden volgens [bestuurder 2] limitatief zijn opgesomd in artikel 6.2 OvO[bestuurder 2] betekent dit dat artikel 6.2 (v) toepasselijk is en MCI de in dat artikel genoemde vergoeding moet betalen.
5.93
Het Hof heeft hiervoor overwogen in de zaak tegen [bestuurder 1] (r.ov 5.72-5.75) dat uit de tekst van de OvO[bestuurder 1] niet volgt dat sprake is van een limitatieve opsomming van beëindigingsgronden. Nu de relevante artikelen in beide overeenkomsten grotendeels gelijkluidend zijn geldt dit oordeel ook voor artikel 6.2 OvO[bestuurder 2].
5.94
Daarnaast geldt dat ook [bestuurder 2] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het de bedoeling van partijen was, met name ook van MCI, dat artikel 6.2 OvO[bestuurder 2] een limitatieve opsomming van opzeggingsgronden zou bevatten. [bestuurder 2] heeft daartoe aangevoerd dat ICS (dat wil zeggen hijzelf als vertegenwoordiger van de vennootschap) bij het aangaan van de overeenkomst heeft begrepen dat hij niet op ieder moment zonder vergoeding aan de kant geschoven kon worden. Hij legt echter geen stukken over waaruit dat blijkt en maakt niet duidelijk op grond van welke omstandigheden hij dit zo heeft begrepen en heeft kunnen verwachten dat dit ook de bedoeling van MCI was.
5.95
Ook in deze zaak geldt dat het niet zonder meer voor de hand ligt dat MCI bij het aangaan van de overeenkomst afstand heeft willen doen van haar wettelijke bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen met onmiddellijke ingang en zonder vergoeding indien, zoals in dit geval, het vertrouwen tussen de aandeelhouders van de onderneming en de bestuurders is komen te ontbreken. [bestuurder 2] heeft nog aangevoerd dat de OvO een concurrentiebeding bevat en dat MCI als beduidend grotere partij anders dan [bestuurder 2] juridische bijstand had en dus beschikte over grotere “bargaining power”, maar dit maakt het oordeel van het Hof niet anders.
5.96
In het besluit van de STAK van 3 februari 2016 waarbij [bestuurder 2] is ontslagen als bestuurder wordt niet alleen gesproken over financiële onttrekkingen (waarbij kennelijk gedoeld wordt op het Baker Tilly-rapport over de rc-schulden), maar ook over het niet naar behoren verrichten van de taken en verantwoordelijkheden van [bestuurder 2] als bestuurder, grote meningsverschillen tussen de STAK en [bestuurder 2] over de wijze waarop de vennootschap bestuurd moet worden en over een verder verlies van reeds aangetast vertrouwen van de STAK in [bestuurder 2]. Voldoende is komen vast te staan dat herstel van dat vertrouwen niet meer kon plaatsvinden, zodat het geven van een termijn in de zin van artikel 6.2 (iii) zinloos zou zijn geweest. Dat gebrek aan vertrouwen tussen de nieuwe STAK en [bestuurder 2] vormt voldoende reden voor opzegging van de OvO[bestuurder 2].
5.97
Slotsom is dat MCI de OvO[bestuurder 2] mocht opzeggen zonder een opzegtermijn in acht te nemen en zonder een beëindigingsvergoeding te hoeven betalen. Dit betekent dat de vorderingen van [bestuurder 2] zullen worden afgewezen.
6.
Slotsom in zaak 126 (tegen [bestuurder 1])
6.1
Het principaal beroep gaat alleen in zoverre op dat de vertragingsrente over het achterstallige salaris op 10% gesteld zal worden (zie hiervoor r.ov 5.82). Het incidenteel beroep faalt. Het bestreden vonnis zal alleen worden vernietigd ter zake dictumonderdeel c. en MCI zal worden veroordeeld tot betaling van Cg 61.875 aan salaris en vertragingsrente, vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het overige zal het vonnis worden bevestigd (inclusief de compensatie van proceskosten). Daarmee vindt dus ook geen verrekening plaats van de vordering in conventie en de vordering in reconventie. Dit zou ook op praktische problemen stuiten, nu [bestuurder 1] heeft verklaard dat hij bezig is met afbetaling van de rc-schulden en de rentevordering inzake het achterstallige salaris bovendien niet gespecificeerd is.
6.2
MC geldt in het principaal beroep als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zal dus de proceskosten van [bestuurder 1] dienen te vergoeden:
- Cg 1.106,28 aan betekeningskosten,
- Cg 22.000 aan salaris van de gemachtigde (4 punten tegen appeltarief 8),
te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en nakosten.
6.3
In het incidenteel beroep geldt [bestuurder 1] als de in het ongelijk gestelde partij, die de proceskosten van MCI zal moeten vergoeden. Het Hof zal die stellen op Cg 11.000 aan salaris van de gemachtigde (de helft van het tarief van het principale appel).
7.
Slotsom in zaak 127 (tegen ICS en [bestuurder 2])
7.1
Zowel het principaal beroep als het incidenteel beroep gaan niet op, waarbij geldt dat de toewijzing van de vordering van MC inzake de rc-schulden van Cg 143.534 niet voorligt in hoger beroep (r.ov 5.16). Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
7.3
MC geldt in het principaal hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij en zal dus de proceskosten van ICS en [bestuurder 2] dienen te vergoeden:
- Cg 1.026,28 aan betekeningskosten;
- Cg 22.000 aan salaris van de gemachtigde ( 4 punten tegen appeltarief 8).
7.4.
In het incidenteel beroep geldt [bestuurder 2] als de in het ongelijk gestelde partij, die de proceskosten van MCI zal moeten vergoeden. Het Hof zal die stellen op Cg 11.000 aan salaris van de gemachtigde (de helft van het tarief van het principale appel).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
in zaak CUR2023H00126 tegen [bestuurder 1]
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van hetgeen in reconventie onder dictumonderdeel c. is toegewezen;
vernietigt dictumonderdeel c. en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt MCI tot betaling aan [bestuurder 1] van Cg 61.875 aan salaris en vertragingsrente over de periode februari 2016 tot 25 april 2016, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 april 2016 tot aan de algehele voldoening;
veroordeelt MCI en MCA hoofdelijk in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [bestuurder 1] tot op heden begroot op Cg 1.106,28 aan betekeningskosten en Cg 22.000 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de nakosten van Cg 250 zonder betekening en Cg 400 in geval van betekening, het totaal vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;
veroordeelt [bestuurder 2] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van MC begroot op Cg 11.000 aan salaris van de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
in zaak CUR2023H00127 tegen ICS en [bestuurder 2]
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt MCI en MCA in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van ICS en [bestuurder 2] tot op heden begroot op Cg 1.026,28 aan betekeningskosten en Cg 22.000 aan salaris voor de gemachtigde, het totaal vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;
veroordeelt [bestuurder 2] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van MC begroot op Cg 11.000 aan salaris van de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.A. Saleh en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.