ECLI:NL:OGHACMB:2026:13

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
SXM2019H00088
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in juwelierszaak met beschuldigingen van samenspanning en misleiding

In deze zaak, die voor het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba werd behandeld, gaat het om een hoger beroep van Riviera II Jewelers N.V. en andere appellanten tegen Gingerbread Real Estate Ltd. en andere geïntimeerden. De zaak betreft beschuldigingen van samenspanning om geld en goederen van de eisers afhandig te maken. De appellanten, die in eerste aanleg eisers in conventie waren, hebben in hun hoger beroep een bewijsopdracht gekregen om aan te tonen dat de geïntimeerden zich schuldig hebben gemaakt aan bedrog en misleiding. Het Hof heeft getuigen gehoord en de bewijswaardering uitvoerig besproken. De getuigenverklaringen van de appellanten werden met behoedzaamheid behandeld, gezien hun belang in de zaak. Het Hof concludeert dat de appellanten niet in hun bewijs zijn geslaagd. De eerdere vonnissen zijn bevestigd, en de appellanten zijn veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De uitspraak is gedaan op 21 januari 2026.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SXM201801012 – SXM2019H00088
Uitspraak: 21 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. de naamloze vennootschap
RIVIERA II JEWELERS N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
2.
[APPELLANT 2],
wonende in Sint Maarten,
3.
[APPELLANTE 3],
wonende in Sint Maarten,
4.
[APPELLANT 4],
wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg eisers in conventie, gedaagden in reconventie, thans appellanten,
gemachtigde: mr. E.E.S. Moenir Alam,
tegen
1. de vennootschap naar het recht van Anguilla
GINGERBREAD REAL ESTATE LTD.,
kantoorhoudende in Sint Maarten,
2.
[ERFGENAME],
als enige erfgename van wijlen
[GEÏNTIMEERDE 2],
wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. J.G. Snow,
en tegen
3.
[GEÏNTIMEERDE 3],
wonende in Sint Maarten,
4. de naamloze vennootschap
BLUE CARIBBEAN SXM N.V.,
handelende onder de naam
BLUE RIVIERA,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie, thans geïntimeerden,
gemachtigden: mrs. V.C. Choennie en S.J. Fox.
Appellanten worden hierna Riviera, [appellant 2], [appellante 3] en [appellant 4] genoemd. Gezamenlijk worden zij [appellanten] genoemd.
Geïntimeerden worden Gingerbread, [geïntimeerde 2] (de erflater; niet de erfgename), [geïntimeerde 3] en Blue Riviera genoemd.
Gezamenlijk worden zij [geïntimeerden] genoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1
Bij vonnis van 13 september 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:167 (het tweede tussenvonnis, hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof een bewijsopdracht verstrekt aan [appellanten]
1.2
Op 22, 24 en 25 januari, 19 februari en 23 oktober 2024 zijn in enquête in totaal vijf getuigen gehoord (hierna: mr. Huisman, [appellant 2], [appellant 4], [appellante 3] en mr. Moenir Alam). Op 23 oktober 2024 en 15 januari 2025 zijn in contra-enquête in totaal drie getuigen gehoord (hierna: mr. Snow, [geïntimeerde 3] en [getuige 8]). Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 [
[appellanten] hebben twee wrakingsverzoeken ingediend tegen de rechter die de eerste vier getuigen heeft gehoord. Op het eerste wrakingverzoek heeft de wrakingskamer van het Hof afwijzend beslist bij uitspraak van 18 maart 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:33. Op het tweede wrakingverzoek heeft de wrakingskamer van het Hof toewijzend beslist bij uitspraak van 20 mei 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:56.
1.4
Op 14 mei 2025 hebben (a) [appellanten], (b) Gingerbread en [geïntimeerde 2] en (c) [geïntimeerde 3] en Blue Riviera een akte ingediend. Aan de onder (b) en (c) bedoelde akten zijn producties gehecht. Op 22 oktober 2025 zijn van dezelfde drie zijden antwoordakten ingekomen.
1.5
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

Bewijsopdracht
2.1
In het tussenvonnis heeft het Hof [appellanten] opgedragen de volgende stellingen te bewijzen. [geïntimeerden] hebben samengespannen om geld en goederen van [appellanten] afhandig te maken en zich daarna van hen te ontdoen. Dat is als volgt verlopen. [appellant 4] en [appellant 2] waren werknemers van Riviera. Gingerbread en [geïntimeerde 2] hebben door bedrog [appellant 4] en [appellante 3] (de echtgenote van [appellant 2]) ertoe overgehaald tegen betaling aandelen in Riviera te verwerven en bedragen in het winkelpand te investeren. Op aandringen van [geïntimeerde 2] is [geïntimeerde 3] bestuurder geworden van Riviera. [geïntimeerde 3] heeft Blue Riviera opgericht en heeft door misbruik te maken van verschillende adresaanduidingen bereikt dat Blue Riviera ingeschreven werd op dezelfde locatie als Riviera. Vervolgens is Blue Riviera vanuit het winkelpand juwelen gaan verkopen, gebruikmakend van de inboedel en inventaris van Riviera en met wederrechtelijke toe-eigening daarvan. [appellant 4] en [appellant 2] hebben als verkopers van juwelen hoge omzetten in het winkelpand gegenereerd, maar de verkoopopbrengsten zijn zonder dat [appellant 4] en [appellant 2] dat wisten, ten goede gekomen aan Blue Riviera in plaats van aan Riviera. [geïntimeerden] hebben het huurgenot van het winkelpand aan Riviera ontnomen en aan Blue Riviera gegund. [geïntimeerden] hebben een huurachterstand van Riviera gefabriceerd. Dit alles hebben zij buiten [appellant 4], [appellant 2] en [appellante 3] om gedaan. Zij hebben de rechter misleid door zich op de gefabriceerde huurachterstand te beroepen en door te doen voorkomen dat die was ontstaan door lage inkomsten als gevolg van een slechte economische situatie, terwijl zij wisten dat dit niet waar was.
Overzicht bewijsmiddelen
2.2
De verklaringen van de getuigen [appellant 2], [appellant 4] en [appellante 3] moeten met behoedzaamheid worden gehanteerd, omdat zij tevens procespartij zijn en dus belang hebben bij de uitkomst van de zaak (dat geldt ook voor [geïntimeerde 3], maar hij heeft de bewijslast niet). Dat beperkt de overtuigingskracht van hun verklaringen. Overigens verdient opmerking dat tot 1 januari 2025 in Europees Nederland art. 164 lid 2 Rv-NL (oud) gold, waaruit werd afgeleid dat verklaringen van partij-getuigen op zichzelf niet voldoende konden zijn voor een bewezenverklaring, ook niet als verschillende partij-getuigen verklaringen hadden afgelegd die elkaar ondersteunden (HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2710). Deze regel geldt niet in Sint Maarten, maar past wel bij de behoedzaamheid die in het gehele Koninkrijk gehanteerd moet worden bij het waarderen van de overtuigingskracht van verklaringen van partijgetuigen.
2.3
Mr. Moenir Alam heeft als getuige verklaard informatie te hebben gekregen van haar cliënten en bevestiging daarvan gevonden te hebben in de stukken die zij bestudeerd heeft (en die zij, naar het Hof aanneemt, als producties in het geding heeft gebracht). Daarom voegt haar verklaring als getuige geen bewijskracht toe aan hetgeen de cliënten van mr. Moenir Alam zelf hebben verklaard en hetgeen kan worden afgeleid uit de in het geding gebrachte producties.
2.4
De feiten die het Hof in het tussenvonnis onder 2.2.1-2.2.15 heeft weergegeven, zijn op zichzelf onvoldoende om ook de verwijten bewezen te achten die besloten liggen in de te bewijzen stellingen, weergegeven onder 2.4 van het tussenvonnis. Die verwijten zijn aangeduid met woorden als samenspannen, afhandig maken, ontdoen, bedrog, misbruik, wederrechtelijke toe-eigening, ontnemen, fabriceren, misleiden en iets doen voorkomen waarvan men weet dat het niet waar is. De verklaringen van de getuigen [appellant 2], [appellant 4], [appellante 3] en mr. Moenir Alam geven onvoldoende steun aan die verwijten. Dat geldt ook voor de in het geding gebrachte producties (zie hierna).
2.5
De verklaringen van mr. Huisman, mr. Snow, [geïntimeerde 3] en [getuige 8] geven ook geen steun aan de hiervoor bedoelde verwijten en spreken die op onderdelen tegen.
2.6
Slotsom van het voorgaande is dat [appellanten] niet in het bewijs is geslaagd.
Onderdelen van de bewijsopdracht
2.7
Over de onderdelen van de bewijsopdracht overweegt het Hof als volgt.
Koop aandelen
2.8
Uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat [geïntimeerde 2] (onder meer) [appellant 4] en [appellante 3] heeft benaderd met het voorstel om tegen betaling aandelen in Riviera te verwerven, en dat beiden op dat voorstel zijn ingegaan, maar niet dat [geïntimeerden] hierbij onjuiste informatie hebben verstrekt of bedrog hebben gepleegd. Als [geïntimeerde 2] daarbij heeft aangedrongen en hij [appellant 4] en [appellante 3] heeft overgehaald, dan is dat op zichzelf geen voldoende grondslag voor toewijzing van enige vordering.
Oprichting Blue Riviera
2.9
Op 4 januari 2011 is Riviera bij het Handelsregister ingeschreven met als zakenadres ‘[adres 1]’ en met [geïntimeerde 3] als bestuurder met adres [adres 2] en geboortedatum [geboortedatum 1] (productie 1 bij inleidend verzoekschrift). Op 30 september 2016 is Blue Riviera bij het Handelsregister ingeschreven met als zakenadres ‘[adres 3]’ en met [geïntimeerde 3] als bestuurder met adres [adres 4] en geboortedatum [geboortedatum 2] (productie 2 bij inleidend verzoekschrift). Met de verschillende adresaanduidingen van de vennootschappen wordt hetzelfde winkelpand aangeduid.
2.1
Uit niets kan worden afgeleid dat de verschillen in de adresaanduidingen en geboortedata in het Handelsregister opzettelijk zijn veroorzaakt, laat staan dat dit gedaan is om voorschriften van het Handelsregister te omzeilen of om [appellanten] of wie dan ook onrechtmatig te beconcurreren of anderszins te benadelen. Enige vorm van misbruik is niet bewezen.
Verkoop vanuit hetzelfde winkelpand
2.11
Vast staat dat Blue Riviera juwelen is gaan verkopen vanuit het winkelpand waar voordien Riviera dat gedaan had. Niet onaannemelijk is dat daarbij gebruik is gemaakt van (een deel van) de inboedel die Riviera ook gebruikte. Uit de getuigenverklaringen en de producties kan echter niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat Blue Riviera zich wederrechtelijk inboedel of inventaris van Riviera heeft toegeëigend. De facturen die op een verkeerde naam staan, dragen niet bij aan het bewijs, aangezien dat allerlei andere oorzaken kan hebben dan opzet. Op zichzelf is wel aannemelijk dat de handelsnaam van Blue Riviera opzettelijk is gekozen om continuïteit van de activiteiten vanuit het winkelpand te suggereren, maar dat is niet onrechtmatig jegens [appellanten] of jegens wie dan ook. Dat kan er ook toe geleid hebben dat facturen zonder opzet op een verkeerde naam zijn gezet.
2.12
Uit hetgeen de getuigen hebben verklaard over het uiten van bedreigingen en het meenemen van juwelen door [geïntimeerde 2] kan, wat daarvan zij, niet worden afgeleid Blue Riviera zich wederrechtelijk inventaris (of inboedel) van Riviera heeft toegeëigend.
Verkoopopbrengst
2.13
Uit de getuigenverklaringen en de producties kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de door [appellant 4] en [appellant 2] gegenereerde omzetten, zonder dat zij dat wisten, ten goede zijn gekomen aan Blue Riviera in plaats van aan Riviera. [getuige 8] heeft verklaard nooit te hebben gemerkt dat [geïntimeerde 3] haar gevraagd heeft om informatie weg te houden bij [appellant 4] en [appellant 2] en dat ook [geïntimeerde 2] nooit druk op haar heeft uitgeoefend om dat te doen. Daarnaast geldt dat niet alleen van belang is wat [appellant 4] en [appellant 2] wisten, maar ook wat zij hadden kunnen weten op basis van een redelijkerwijs van hen (als aandeelhouders) te vergen onderzoek.
Huurgenot
2.14
Het staat vast dat Gingerbread (vertegenwoordigd door haar bestuurder [geïntimeerde 2]) het huurgenot van het winkelpand aan Riviera heeft ontnomen (door met succes in kort geding ontruiming te vorderen) en aan Blue Riviera heeft gegund. Op zichzelf is dat echter niet onrechtmatig.
Huurachterstand
2.15
Uit de getuigenverklaringen en de producties kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [geïntimeerden] een huurachterstand hebben gefabriceerd.
2.16
Zoals het Gerecht onder 2.3 en 4.2 van het bestreden vonnis heeft overwogen, zijn onder meer Riviera, [appellante 3] en [appellant 4] in een bodemzaak bij vonnis van 9 januari 2018, AR 99/2016, veroordeeld tot betaling van een huurachterstand. In die bodemzaak trad mr. Moenir Alam op voor [appellante 3] en [appellant 4]. In die bodemzaak hebben zij verweer gevoerd, maar het bestaan van de huurachterstand niet betwist, ook al maakten zij [geïntimeerden] toen al de verwijten die zij hen nu ook maken, blijkens de notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van 31 oktober 2017. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van hun stelling dat er in werkelijkheid geen huurachterstand bestond.
2.17
In overeenstemming met hetgeen het Gerecht onder 4.3 van het bestreden vonnis heeft overwogen, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verkoopopbrengsten van Riviera zo goed waren dat er geen huurachterstand kan zijn ontstaan. Ook in hoger beroep kan dat niet worden vastgesteld.
2.18 [
[appellanten] lijken te stellen dat mr. Huisman het opzettelijk ertoe heeft geleid dat de kortgedingrechter over de huurachterstand werd misleid door [geïntimeerde 3] wel naar de zitting mee te nemen, maar [appellant 2], [appellant 4] en [appellante 3] niet. Dit kan niet worden aangenomen. Indien mr. Huisman bij het kort geding aanwezig was en alleen [geïntimeerde 3] had meegebracht, bewijst dat geen opzet tot misleiding van de rechter.
2.19
Uit hetgeen de getuigen hebben verklaard over het uiten van bedreigingen en het meenemen van juwelen door [geïntimeerde 2] kan, wat daarvan zij, niet worden afgeleid dat er een huurachterstand is gefabriceerd.
Slotoverwegingen
2.2
Uit voorgaande overwegingen vloeit voort dat niet is bewezen dat [geïntimeerden] hebben samengespannen om geld en goederen van [appellanten] afhandig te maken en zich daarna van hen te ontdoen.
2.21
Het Hof verenigt zich met de volgende oordelen van het Gerecht, verkort weergegeven, en met de motivering van die oordelen:
Niet kan worden aangenomen dat de slechte situatie van Riviera te wijten is aan wanbeleid. Het betalen van een oude belastingschuld duidt niet op wanbeleid (4.3).
Niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor:
a. eventueel door Riviera verschuldigde loon- en andere betalingen,
b. schulden die [appellant 2] en [appellant 4] voor Riviera hebben betaald of gelden die zij in Riviera hebben geïnvesteerd of
c. schade wegens oneerlijke concurrentie (4.4).
Aangenomen moet worden dat de juwelen zijn teruggegaan naar de leveranciers en dat de overige inventaris een geringe waarde had en door de orkaan Irma waardeloos is geworden (4.5).
[appellanten] hebben onvoldoende belang bij hun vordering rekening en verantwoording af te leggen, omdat zij informatie kunnen verkrijgen door hun aandeelhoudersrechten uit te oefenen (4.6).
Het beslag moet worden opgeheven (4.7).
2.22
Voor zover [appellanten] na de getuigenverhoren hun eis nog hebben gewijzigd, geldt dat de nieuwe eisen hetzij stuklopen op voorgaande overwegingen, hetzij in strijd met de eisen van een goede procesorde nieuwe onderwerpen aan de orde stellen. Voor zover [appellanten] bij antwoordakte na de getuigenverhoren nog nieuwe stellingen hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun eisen en bewijsvoering, blijft dat buiten beschouwing wegens strijd met de eisen van een goede procesorde.
2.23
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Gingerbread en [geïntimeerde 2] gevallen en tot op heden begroot aan verschotten en Cg 17.500,00 aan salaris voor de gemachtigde en aan de zijde van [geïntimeerde 3] en Blue Riviera gevallen en tot op heden begroot op Cg 930,00 op Cg 21.000,00 aan salaris voor de gemachtigden;
verklaart de proceskostenveroordeling met betrekking tot Gingerbread en [geïntimeerde 2] uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 21 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.