Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:140

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
AUA2025H00182
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:316 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 7:677 lid 4 BWArt. 7:681 lid 1 BWArt. 7:683 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling stuiting verjaring en kennelijk onredelijk ontslag in hoger beroep

Werknemer, werkzaam als technician bij werkgeefster, werd op 17 juni 2024 op staande voet ontslagen wegens het drinken van alcohol tijdens een dienstreis, het maken van fouten en het geven van een grote mond aan zijn leidinggevende. Werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk en onregelmatig was en vorderde schadevergoeding.

De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring, omdat de brief van werknemer waarin hij de nietigheid van het ontslag inriep geen stuitende werking had op de schadevordering wegens kennelijk onredelijk ontslag. In hoger beroep oordeelt het Hof dat de brief wel een voldoende duidelijke waarschuwing bevatte om de verjaring te stuiten, mede gelet op de mogelijkheid om tijdens de procedure te switchen van nietigheid naar onredelijkheid.

Desondanks bevestigt het Hof het oordeel dat het ontslag terecht was gegeven, gelet op de vaststaande gedragingen van werknemer en de gegronde reden voor ontslag. De vordering tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen en werknemer wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslag op staande voet wordt bevestigd als terecht gegeven.

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 9 juni 2026
ZAAKNRS: AUA202404474 – AUA2025H00182
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[WERKNEMER],
wonend in Aruba,
in eerste aanleg verzoeker, thans appellant,
gemachtigde: mr. J.J.C. Odor,
-tegen-
[WERKGEEFSTER],
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz en E.A. Suarez.
Partijen zullen hierna (ook) worden aangeduid met werknemer en werkgeefster.
De zaak in het kort
Werknemer werkte als “technician” in dienst van werkgeefster en is op een bepaald moment op staande voet ontslagen. Het Gerecht heeft de door werknemer verzochte schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk en/of onregelmatig ontslag afgewezen, op grond van het oordeel dat de vordering is verjaard omdat de brief waarbij werknemer de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen geen stuitende werking heeft gehad ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding. Het Hof beoordeelt de zaak in hoger beroep opnieuw.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Verwezen wordt naar de op 17 juni 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
1.2
Werknemer is van die beschikking (hierna: de bestreden beschikking) in hoger beroep gekomen door indiening op 24 juli 2025 van een beroepschrift.
1.3
Werkgeefster heeft op 25 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
1.4
Op 30 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Zowel de werknemer als de werkgeefster hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden. Bij die gelegenheid zijn de standpunten van partijen nader toegelicht, door mr. Odor aan de hand van een pleitnota waarvan een exemplaar is overgelegd, en zijn vragen van het Hof beantwoord.
1.5
Uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
2.1.1
Werknemer is met ingang van 28 november 2018 in dienst getreden van werkgeefster. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van "technician" tegen een brutoloon van Afl. 5.000,- per maand.
2.1.2
Op 10 juni 2024 is werknemer, samen met een collega, naar Guyana gereisd om bij een klant van werkgeefster onderhoud te verrichten aan een machine. Werknemer is er voorafgaand aan zijn vertrek op gewezen dat het op grond van de bedrijfsregels niet is toegestaan om tijdens dienstreizen alcoholische dranken te nuttigen.
2.1.3
Op 17 juni 2024 heeft de directeur van werkgeefster werknemer aangesproken op gebeurtenissen tijdens de dienstreis. Tijdens dat gesprek heeft werkgeefster werknemer op staande voet ontslagen.
2.1.4
Bij brief van 3 september 2024 heeft werknemer de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen, aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon en zich bereid verklaard de bedongen arbeid te blijven verrichten.

3.Het verzoek

Werknemer heeft, na vermeerdering van zijn verzoek in eerste aanleg, verzocht dat de rechter, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht verklaart dat het aan werknemer verleende ontslag kennelijk onredelijk of onregelmatig is;
- werkgeefster veroordeelt tot betaling van cessantia tot het bedrag van Afl. 15.812,50;
- werkgeefster veroordeelt tot betaling van de schadevergoeding, schadeloosstelling, onbetaald gebleven vakantiedagen of emolumenten t.w.:
a. a) hoofdsom (Afl. 55.000,- + Afl. 2.970,-) Afl. 57.970,-
b) 15% incassokosten Afl. 8.695,50
vermeerderd met 3% rente per jaar na 3 september 2024, althans iedere andere
in goede justitie te treffen voorziening.

4.De bestreden beslissing

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht de verzoeken van werknemer afgewezen.
4.2
Hieraan heeft het Gerecht het volgende ten grondslag gelegd (rov. 4.2 – 4.7 van de bestreden beschikking):
4.2
Als meest verstrekkende verweer heeft [Werkgeefster] aangevoerd dat de vordering van [Werknemer] is verjaard. Volgens [Werkgeefster] is de vordering verjaard op grond van artikel 7:683 lid 2 BWA Pro, omdat [Werknemer] niet binnen zes maanden na de datum van zijn ontslag op staande voet een verzoekschrift bij het Gerecht heeft ingediend.
4.3
Het Gerecht overweegt als volgt. Artikel 7:683 BWA Pro bepaalt dat een rechtsvordering op grond van onder andere de artikelen 7:677 lid 4 en 7:681 lid 1 BWA verjaart na zes maanden. Deze termijn vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (HR 20 maart 1970, NJ 1970/250). Aangezien het ontslag op staande voet op 17 juni 2024 is gegeven, is de verjaringstermijn op die datum gaan lopen. De termijn is geëindigd op 17 december 2024. Het verzoekschrift is echter op 18 december 2024 ingediend, en dus één dag te laat.
4.4 [
Werknemer] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn brief van 3 september 2024 de verjaringstermijn heeft gestuit.
4.5
Ingevolge artikel 3:316 lid 1 BWA Pro kan de verjaring van de vordering worden gestuit door het instellen van een eis of door een daad van rechtsvervolging of door een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BWA Pro). Na een stuitingshandeling begint de verjaringstermijn opnieuw te lopen. De stuiting moet wel betrekking hebben op het juiste onderwerp: een stuitingsbrief die uitsluitend is gericht op de nietigverklaring van het ontslag, stuit niet de verjaring van een vordering die is gebaseerd op de kennelijke onredelijkheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 13 oktober 2020, ECLI:NL:OGEAA:2020:429).
4.6
Dat is precies wat in dit geval aan de orde is. In de brief van 3 september 2024 heeft [Werknemer] zich op het standpunt gesteld dat het ontslag op staande voet vernietigbaar is wegens het ontbreken van toestemming van de directeur van de Directie Arbeid en Onderzoek. Daarnaast heeft hij [Werkgeefster] aangemaand om het loon te blijven doorbetalen. In deze procedure beroept [Werknemer] zich echter op de onredelijkheid en/of onregelmatigheid van het ontslag. Met betrekking tot dit beroep heeft [Werknemer] geen stuitingshandeling verricht, zodat deze vordering is verjaard (zie ook G.E.M. Polkamp/P.H. Veling, Arbeidsovereenkomstenrecht in de praktijk van Aruba 2023, par. 13.5). [Werknemer] heeft nog verwezen naar een oudere uitspraak van dit Gerecht (11 april 2017, ECLI:NL:OGEAA:2017:261), waarin is geoordeeld dat het mogelijk is om — na een stuitingshandeling gericht op de nietigheid — voorafgaand aan of tijdens een gerechtelijke procedure te "switchen" naar een beroep op onredelijkheid. Deze lijn is echter verlaten in de hiervoor genoemde uitspraak van 2020.
4.7
Dit betekent dat de vordering van [Werknemer], gegrond op de stelling dat het ontslag kennelijk onredelijk en/of onregelmatig is, is verjaard. (…).

5.De beoordeling in hoger beroep

5.1
Gezien het overgelegde bewijs van onvermogen van 11 juli 2025, zal werknemer toelating worden verleend om in hoger beroep kosteloos te procederen.
5.2
Het hoger beroep richt zich met succes tegen het oordeel van het Gerecht dat de vordering is verjaard omdat de brief van 3 september 2024 geen stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de – na de switch – verzochte schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk en/of onregelmatig ontslag. Het Hof licht dit als volgt toe.
5.3
Voor de stuiting van een lopende verjaring geldt in zijn algemeenheid het volgende (zie HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:111). De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW Pro). Deze schriftelijke mededeling moet de strekking hebben van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar, zodat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee kan houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW Pro gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval.
5.4
In het arbeidsrecht geldt dit onder meer voor de stuiting van de verjaring van aan de werknemer toekomende rechtsvorderingen tot nakoming van de verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst na een nietig ontslag en tot schadevergoeding na een kennelijk onredelijk en/of onregelmatig gegeven ontslag.
5.5
Het komt vaker voor dat een werknemer die zich aanvankelijk heeft beroepen op de nietigheid van het gegeven ontslag, uiteindelijk toch in dat ontslag berust en in plaats van loondoorbetaling en wedertewerkstelling een schadevergoeding verzoekt wegens de kennelijke onredelijkheid en/of onregelmatigheid van het ontslag. De rechtspraak van de Hoge Raad laat dat ook toe. Tegen deze achtergrond is het Hof van oordeel dat de brief van 3 september 2024 voor werkgeefster niet alleen een voldoende duidelijke waarschuwing is geweest dat zij er rekening mee moest houden dat werknemer zich bij het hem gegeven ontslag niet neerlegde en daartegen zonodig in rechte zou opkomen, maar ook een voldoende duidelijke waarschuwing dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de werknemer later alsnog zou berusten in het ontslag maar niettemin in rechte een schadevergoeding zou verzoeken. Het oordeel van het Gerecht dat deze brief geen stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van het verzoek van de werknemer gegrond op de onredelijkheid en/of onregelmatigheid van het ontslag en dat hij het verzoek waarvoor hij zich het recht op nakoming voorbehield nauwkeurig had moeten omschrijven met aanwijzing van de correcte juridische grondslag, gaat uit van een te beperkte rechtsopvatting (vgl. HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494, NJ 2008/373).
5.6
In zoverre slaagt het appel. Het Hof zal daarom hieronder alsnog het beroep op kennelijke onredelijkheid en/of onregelmatigheid van het gegeven ontslag beoordelen.
5.7
Werkgeefster heeft gesteld dat zij werknemer op staande voet heeft ontslagen, omdat hij (a) heeft gehandeld in strijd met de uitdrukkelijke instructies van werkgeefster door tijdens een dienstreis, waarbij de machine van een buitenlandse klant geserviced moest worden, onder werktijd alcohol te drinken; (b) tijdens het werk fouten heeft gemaakt en (c) toen hij door zijn leidinggevende op deze fouten is aangesproken, boos is geworden en zijn leidinggevende een grote mond heeft gegeven.
5.8
De omstandigheid dat het ontslag niet schriftelijk is gegeven, maar alleen mondeling, doet niet ter zake. Aan een ontslag op staande voet is geen vormvereiste verbonden. Voor zover werknemer heeft willen betogen dat hij daardoor niet op de hoogte was van de reden van het ontslag, gaat dit niet op, gelet op het volgende.
5.9
Werknemer heeft niet betwist dat de hierboven onder 5.7 omschreven gedragingen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Voor zover werknemer heeft betwist dat hij zich op die manier heeft gedragen, geldt dat werkgeefster voldoende heeft onderbouwd dat het werk niet naar behoren was verricht en dat werknemer alcohol heeft gedronken, en zich daarop niet heeft laten aanspreken. Zulks blijkt uit de verklaringen van zijn leidinggevende, van de collega met wie hij op dienstreis was, van degene die bij het gesprek aanwezig was en van de klant van werkgeefster in Guyana wiens machine geserviced moest worden tijdens de dienstreis. Werknemer heeft die verklaringen onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat die vast zijn komen te staan. Werknemer heeft evenmin bestreden dat de aldus vaststaande gedragingen voor werkneemster een gegronde reden waren om hem op staande voet te ontslaan. Aldus is sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet. In die omstandigheid kan geen sprake zijn van kennelijke onredelijkheid en/of onregelmatigheid van het gegeven ontslag.
5.1
Het Gerecht heeft dus de verzoeken van werknemer terecht afgewezen.
5.11
De slotsom luidt dat het hoger beroep op het punt van de stuiting van de verjaring weliswaar gegrond is, maar dat werknemer daarbij geen belang heeft omdat het ontslag niet kennelijk onredelijk dan wel onregelmatig is gegeven. De bestreden beschikking zal worden bevestigd en werknemer zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep van werkgeefster worden veroordeeld.
BESLISSING:
Het Hof:
verleent werknemer toelating om kosteloos te procederen;
bevestigt de bestreden beschikking;
veroordeelt werknemer in de kosten van het hoger beroep van werkgeefster, tot op heden begroot op Afl. 6.000,- ( 3 x tarief 5) aan gemachtigdensalaris;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba op 9 juni 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.