Uitspraak
Procesverloop
Overwegingen
rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig handelt in of bemiddelt bij het aan- en verkopen van onroerende zaken.
Uit artikel 26, eerste lid, van de Lwtf volgt dat een dienstverlener een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld moet melden aan het MOT nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie hem bekend is geworden.
Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties (AB 2012, no. 47
)(hierna: de Regeling) volgt dat een waarde van Afl. 500.000.- of meer wordt gezien als een indicator van een ongebruikelijke girale transactie.
Uit artikel 5, eerste lid, van de Lwtf volgt dat een dienstverlener de bevoegdheid moet nagaan van een natuurlijke persoon die stelt te handelen namens een cliënt die een rechtspersoon of juridische constructie is. Voordat hij de dienst verleent, moet hij de identiteit van de natuurlijke persoon vaststellen en verifiëren en moet hij de gegevens over de rechtsvorm en de vertegenwoordiging vastleggen. Uit het tweede lid volgt dat de dienstverlener redelijke maatregelen moet nemen die er in ieder geval toe leiden dat de dienstverlener inzicht krijgt in de eigendoms- en feitelijke zeggenschapsstructuur van de cliënt.
Uit artikel 8, eerste lid, van de Lwtf volgt dat een dienstverlener een cliëntenonderzoek verricht voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een transactie wordt uitgevoerd
In artikel 2 van Pro het op grond van artikel 37, vijfde lid, van de Lwtf vastgestelde Landsbesluit grondslagen bestuurlijke handhaving Lwtf (hierna: het Landsbesluit) worden de beboetbare overtredingen verdeeld in twee categorieën. Op grond van artikel 4 geldt Pro voor categorie 1 een basisbedrag van Afl. 50.000.- met een minimum van Afl. 0.- en een maximum van Afl. 100.000.- en voor categorie 2 een basisbedrag van Afl. 500.000.- met een minimum van Afl. 0.- en een maximum van Afl. 1.000.000.-. Op grond van artikel 5 stelt Pro CBA een bestuurlijke boete vast op het basisbedrag, verhoogt of verlaagt zij deze indien dat gerechtvaardigd wordt door de ernst of de duur van de overtreding of de mate van verwijtbaarheid van de overtreder en houdt zij rekening met de draagkracht van de overtreder.
CBA hanteert een op grond van artikel 37, vierde lid, van de Lwtf door haar vastgestelde en bekendgemaakte ‘Leidraad vaststellen van de hoogte van bestuurlijke boetes’ (hierna: de Leidraad), waaruit volgt onder welke omstandigheden het basisbedrag van een boete kan worden verhoogd of verlaagd. De Leidraad bevat zeven stappen: ernst en duur van de overtreding (stap 1), mate van verwijtbaarheid (stap 2), recidive (stap 3), objectieve draagkracht (stap 4), verkregen voordeel (stap 5), passendheidstoets (stap 6) en geïndividualiseerde draagkrachttoets (stap 7). Bij elke stap staat vermeld met welk percentage de boete wordt verhoogd dan wel verlaagd. De Leidraad blijft naar het oordeel van het Hof binnen de door de Lwtf en het Landsbesluit gestelde kaders.
In een ‘Intern kalibratiemodel’ (hierna: het kalibratiemodel) heeft CBA het in de Leidraad opgenomen beleid (voor de stappen 1, 2, 4, 6 en 7) nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Het kalibratiemodel is door CBA niet bekendgemaakt, maar dat staat naar het oordeel van het Hof aan toepassing daarvan niet in de weg en daarmee ook niet aan toetsing door de bestuursrechter van het kalibratiemodel zelf en de toepassing door CBA daarvan in een concreet geval. Ook het kalibratiemodel blijft naar het oordeel van het Hof binnen de door de Lwtf en het Landsbesluit gestelde kaders en het is ook niet strijdig met de Leidraad.