ECLI:NL:OGHACMB:2026:19

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
AUA2024H00170
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Lwtf
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bestuurlijke boete voor te late melding transacties volgens Lwtf

De Centrale Bank van Aruba (CBA) legde aan PGM Condobuilders N.V. een bestuurlijke boete op wegens het te laat melden van drie transacties volgens artikel 26, eerste lid, van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering (Lwtf). Na bezwaar en beroep stelde het Gerecht in eerste aanleg de boete vast op Afl. 100.000,-, lager dan het oorspronkelijke bedrag van Afl. 200.000,- opgelegd door CBA.

CBA ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het Hof onderzocht de representativiteit van de steekproef van transacties, de toepassing van het boeteberekeningskader uit de Leidraad en de motivering van de boetehoogte. Het Hof oordeelde dat de steekproef representatief was en dat CBA terecht een verhoging van 25% toepaste, maar matigde deze naar 12,5% vanwege het beperkte aantal te late meldingen.

Het Hof bevestigde dat de factoren benadeling van derden, marktverstoring en financieel voordeel alleen tot verhoging kunnen leiden en niet tot verlaging van de boete. De objectieve draagkracht van PGM en de passendheidstoets leidden tot een verlaging van het boetebedrag. Uiteindelijk stelde het Hof de boete vast op Afl. 180.000,- en vernietigde het de eerdere uitspraak voor zover deze een lagere boete bepaalde.

Uitkomst: Het Hof stelt de bestuurlijke boete vast op Afl. 180.000,- en vernietigt de eerdere lagere boetebepaling.

Uitspraak

AUA2024H00170
Datum uitspraak: 11 februari 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Centrale Bank van Aruba (hierna: CBA),
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 24 april 2024 in zaak nr. AUA202303769, in het geding tussen:
appellante,
en
PGM Condobuilders N.V., gevestigd in Aruba (hierna: PGM)

Procesverloop

Bij beschikking van 25 augustus 2022 heeft CBA aan PGM een bestuurlijke boete opgelegd van Afl. 200.000.-.
Bij beschikking van 18 september 2023 heeft CBA het door PGM daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2024 heeft het Gerecht het door PGM daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking van 18 september 2023 vernietigd, de bestuurlijke boete vastgesteld op Afl. 100.000.- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.
Tegen deze uitspraak heeft CBA hoger beroep ingesteld.
PGM heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 mei 2025. Het Hof was als volgt samengesteld: mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden. PGM werd vertegenwoordigd door mr. R.T.J.M. Oomen, advocaat, en I.J. Perret Gentil, directeur. CBA werd vertegenwoordigd door mr. A.A.D.A. Carlo, advocaat. Verder waren aanwezig W. Roelens, L. Keur, S. Schmidt en G. Croes-Fleming, allen werkzaam bij CBA.
In verband met het defungeren van mr. W.H. Bel is het Hof vanaf 1 augustus 2025 als volgt samengesteld: mr. T.G.M. Simons, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden. Partijen hebben desgevraagd bericht dat zij geen nieuwe behandeling van de zaak op een zitting wensen.

Overwegingen

Inleiding
1. Bij de beschikking van 25 augustus 2022, in bezwaar gehandhaafd bij de beschikking van 18 september 2023, heeft CBA een bestuurlijke boete opgelegd aan PGM, een onderneming die optreedt als makelaar/projectontwikkelaar, voor overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering (AB 2011, no. 28) (hierna: Lwtf). CBA heeft de boete opgelegd voor het te laat melden van drie transacties.
1.1.
Deze zaak hangt samen met de zaken nrs. AUA2024H00171 en AUA2024H00187, over twee andere ondernemingen die met PGM deel uitmaken van de Pering Groep en waarin het Gerecht eveneens op 24 april 2024 uitspraak heeft gedaan. In de zaak nr. AUA2024H00187 heeft het Hof op 7 september 2025 uitspraak gedaan (ECLI:NL:OGHACMB:2025:231). In de zaak nr. AUA2024H00171 doet het Hof vandaag ook uitspraak (ECLI:NL:OGHACMB:2026:18).
Feiten
2. Van 11 tot en met 13 februari 2020 heeft CBA een onderzoek op locatie verricht bij PGM. Daarbij heeft CBA ook een steekproef uitgevoerd van vijf van de 50 (voorgenomen) transacties van Afl. 500.000.- of meer die PGM, blijkens opgave van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (hierna: MOT), in de periode van januari 2014 tot en met januari 2020 heeft gemeld. Bij het controleren van deze transacties is gebleken dat PGM drie van de transacties te laat heeft gemeld bij het MOT. De laatste van deze drie meldingen deed PGM in 2020. De meldingen waren daarmee onderscheidenlijk 153, 316 en 456 dagen te laat.
2.1.
Het boetebedrag voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf is als volgt berekend. Het wettelijke basisbedrag is Afl. 500.000.-. Dat bedrag is met 25% verhoogd tot Afl. 625.000.- in verband met de ernst en de duur van de overtreding. Daarbij is voor de ernst een verhoging van 10% toegepast en voor de duur een verhoging van 40%, wat gezamenlijk leidt tot een verhoging met (50% : 2 =) 25%. Gelet op de objectieve draagkracht van PGM is dat bedrag met 60% verlaagd tot Afl. 250.000.-. Op dat bedrag is ten slotte na de passendheidstoets een verlaging van 20% toegepast, waarmee de boete uitkomt op Afl. 200.000,-.
Wettelijke bepalingen en beleid
3. Voor de wettelijke bepalingen en het beleid van CBA verwijst het Hof naar 3. en 3.1. van zijn uitspraak van vandaag, ECLI:NL:OGHACMB:2026:18
.
De uitspraak van het Gerecht voor zover in hoger beroep van belang
4. Over de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf heeft het Gerecht overwogen dat PGM niet dwaalde over de meldingsplicht op zich, waarmee de overtreding vaststaat. Over de hoogte van de boete voor deze overtreding heeft het Gerecht ten eerste overwogen dat het de omvang van de steekproef willekeurig acht. PGM heeft daar immers geen invloed op, terwijl het voor de vaststelling van het percentage ten onrechte niet gemelde transacties een relevant verschil maakt of bij de steekproef vijf, vijftien, 30 of meer dossiers worden betrokken. Ten tweede heeft het Gerecht overwogen dat CBA verhogingen en verlagingen op het basisboetebedrag heeft toegepast die afwijken van de systematiek van het stappenplan uit de Leidraad. Volgens het Gerecht kunnen op het basisbedrag voor een gemiddelde ernst en duur van de overtreding slechts verhogingen en verlagingen worden toegepast in stappen van 25%, oplopend tot 50% voor zowel de ernst als de duur. Het Gerecht is gelet op het voorgaande van oordeel dat de (feitelijke) onderbouwing en motivering van de boete onvoldoende draagkrachtig is. Het Gerecht heeft vervolgens het boetebedrag zelf vastgesteld op Afl. 100.000.-, wat volgens het Gerecht passend en geboden is. Het Gerecht heeft daarbij betrokken dat PGM de transacties voorafgaand aan het onderzoek van CBA alsnog op eigen initiatief heeft gemeld, dat het verzuim beperkt is gebleven tot slechts enkele transacties, dat niet is gebleken van benadeling van derden, dat de overtreding het vertrouwen in de markt niet heeft verstoord, dat PGM geen financieel voordeel heeft gehad van de overtreding, dat het om een eerste overtreding gaat en dat PGM maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen.
Het hoger beroep van CBA
5. Volgens CBA heeft het Gerecht ten onrechte overwogen dat de omvang van de steekproef willekeurig is. De controle had betrekking op alle dossiers van transacties die PGM heeft gemeld, in de periode van januari 2014 tot en met januari 2020. Van deze 50 meldingen waren 42 te laat. Vanwege de beperkte capaciteit van controleambtenaren hebben zij zich moeten beperken tot een – aselecte – steekproef daaruit van vijf meldingen. Daarvan zijn vervolgens alleen de drie meldingen tegengeworpen waarin buiten twijfel stond dat de objectieve indicator van een waarde van Afl. 500.000.- of meer zich voordeed. De andere twee meldingen zijn niet meegenomen. PGM is hierdoor in een gunstigere en in elk geval niet in een ongunstigere positie terechtgekomen. Het percentage te late meldingen is bij drie van de vijf te late meldingen immers 60%, terwijl dat bij 42 van de in totaal 50 meldingen 84% is.
5.1.
Verder komt CBA op tegen het oordeel van het Gerecht dat alleen in stappen van 25% kan worden verhoogd of verlaagd. CBA betoogt dat de Leidraad vermeldt dat er ‘in principe’ stappen worden genomen van 25%, met een maximum van 50%, en dat dat niet betekent dat alleen per stap van 25% gerekend kan worden.
5.2.
Tot slot betoogt CBA dat het Gerecht gelet op het stappenplan uit de Leidraad onjuiste criteria heeft gehanteerd bij het zelf vaststellen van de hoogte van de boete en dat het Gerecht daarbij het stappenplan uit de Leidraad ook niet kenbaar heeft toegepast. De factoren benadeling van derden, marktverstoring en verkrijging van financieel voordeel zijn verzwarende factoren die in het systeem van de Leidraad alleen kunnen leiden tot een verhoging van het boetebedrag. Het ontbreken van een of meer van deze factoren leidt daarentegen niet tot een verlaging, aldus CBA. Daarnaast wijst CBA erop dat het feit dat het om een eerste overtreding gaat en dat PGM naar aanleiding van een brief van CBA al maatregelen heeft genomen, al reden zijn geweest om het boetebedrag met 20% te verlagen in het kader van de passendheidstoets. CBA wijst er verder op dat bij de passendheidstoets geen gewicht wordt toegekend aan het voorafgaand aan een onderzoek alsnog op eigen initiatief melden van een transactie.
Beoordeling door het Hof
6. Voor het beoordelingskader verwijst het Hof naar 6, 7.1, 8.1 en 9.1 van zijn uitspraak van vandaag, ECLI:NL:OGHACMB:2026:18
.Toepassing daarvan op het hier voorliggende geval leidt tot het volgende.
6.1.
Het Hof stelt voorop dat voor de vaststelling van een overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf (alleen) relevant zijn dossiers van meldingsplichtige transacties, dus transacties van Afl. 500.000.- of meer. Uit die dossiers moet een representatieve steekproef worden getrokken. Dat heeft CBA in dit geval ook gedaan. Uit de 42 dossiers waarin een te late melding was gedaan (en waarvan PGM dus zelf al had gevonden dat er gemeld moest worden) is een aselecte steekproef van vijf dossiers getrokken. PGM heeft ook niet betwist dat de steekproef representatief is voor het geheel van de meldingen. Daarbij komt dat CBA van de vijf dossiers uit de steekproef alleen de drie transacties heeft meegenomen waarvan evident was dat ze meldingsplichtig waren. CBA kon vervolgens bij het vaststellen van de ernst van de overtreding als uitgangspunt nemen dat drie van de vijf transacties (60%) te laat zijn gemeld. Het in 5 weergegeven betoog van CBA slaagt.
6.2.
Het Hof onderschrijft het in 5.1 weergegeven betoog van CBA. Het systeem van de Leidraad zoals nader uitgewerkt en geconcretiseerd in het kalibratiemodel kent een glijdende schaal en CBA heeft aan de hand daarvan deugdelijk gemotiveerd hoe zij tot een verhoging van 25% is gekomen.
6.3.
Ook het in 5.2 weergegeven betoog van CBA onderschrijft het Hof. Het Hof voegt daaraan ten eerste toe dat in dit geval het ontbreken van de factoren benadeling van derden, marktverstoring en verkrijging van financieel voordeel niet tot een verlaging van de boete hoeft te leiden. Ten tweede voegt het Hof daaraan toe dat PGM niet heeft aangevoerd dat er bij de drie transacties waarvoor de boete is opgelegd, sprake was van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het te laat melden in meer of mindere mate verontschuldigbaar was.
6.4.
Niettemin zal het Hof de door CBA opgelegde boete van Afl. 200.000.- matigen. CBA heeft minder dan tien te laat gemelde transacties tegengeworpen. Dit brengt mee dat “onder de streep” het bij de bepaling van de ernst en de duur van de overtreding berekende percentage wordt verlaagd met 12,5%. Dat leidt tot een verhoging van het wettelijke basisbedrag met 12,5% in plaats van met 25%.
6.5.
Omdat de beroepsgronden van PGM geen aanleiding geven tot verdere correcties, resulteert dit in een door het Hof voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf passend en geboden geachte boete van Afl. 180.000.-. Deze is opgebouwd uit het wettelijke basisbedrag van Afl. 500,000.-, vermeerderd met 12,5% tot Afl. 562.500.- in verband met de ernst en de duur van de overtreding. Dat bedrag is verminderd met 60% wegens de objectieve draagkracht van PGM tot Afl. 225.000.- en vervolgens verminderd met 20% op grond van de passendheidstoets.
Conclusie
7. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd voor zover het Gerecht het boetebedrag heeft vastgesteld op Afl. 100.000.-. Het Hof zal zelf in de zaak voorzien en het boetebedrag vaststellen op Afl. 180.000.-.
7.1.
CBA hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 24 april 2024 in zaak nr. AUA202303769, voor zover het Gerecht, zelf in de zaak voorziend, de hoogte van de boete die PGM moet betalen aan CBA voor de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf heeft vastgesteld op Afl. 100.000.-;
bepaaltdat de hoogte van die boete wordt vastgesteld op Afl. 180.000.-.
Aldus vastgesteld door mr. T.G.M. Simons, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Simons
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.