ECLI:NL:OGHACMB:2026:63

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
AUA2024H00385
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel I.22 Staatsregeling ArubaArtikel VI.4 Staatsregeling ArubaArtikel 2 lid 1 onder d Landsverordening normering topinkomensArtikel 23 Landsverordening normering topinkomens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepasselijkheid landsverordening normering topinkomens op pensioenfonds APFA

De zaak betreft de vraag of de Landsverordening normering topinkomens (LNT) onrechtmatig is toegepast op Stichting Algemeen Pensioenfonds Aruba (APFA). APFA was opgenomen in de bijlage van de LNT, waardoor de wet op haar van toepassing is. Het Gerecht in eerste aanleg stelde de LNT buiten werking voor zover deze op APFA betrekking had en veroordeelde het Land Aruba in de proceskosten.

Het Land stelde hoger beroep in en betoogde dat de rechter slechts marginaal mag toetsen en dat de LNT niet evident onredelijk is. Het Hof oordeelde dat toetsing aan de Staatsregeling van Aruba en internationale verdragen slechts beperkt mogelijk is en dat APFA geen grondrechten of verdragsbepalingen heeft aangevoerd die de toepassing van de LNT verbieden.

Verder concludeerde het Hof dat de opname van APFA in de bijlage van de LNT gerechtvaardigd is vanwege de nauwe relatie met het Land Aruba, onder meer doordat meer dan 60% van de deelnemers overheidsambtenaren zijn en het Land premies afdraagt. De overgangsregeling in de LNT voorkomt inbreuk op eigendomsrechten. Het Hof vernietigde het vonnis van eerste aanleg, wees de vorderingen van APFA af en veroordeelde APFA in de proceskosten.

Uitkomst: Het Hof vernietigt het vonnis van eerste aanleg en wijst de vorderingen van APFA af, waarbij APFA in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202302626 – AUA2024H00385
Uitspraak: 31 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET LAND ARUBA
met zetel in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant,
gemachtigden: mrs. A.F.J. Caster en G. Croes
tegen
de stichting
STICHTING ALGEMEEN PENSIOENFONDS ARUBA
gevestigd in Aruba,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
gemachtigde: mr. P.R.C. Brown.
Appellant wordt hierna
het Landgenoemd en geïntimeerde
APFA.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de (on)rechtmatigheid van wetgeving. APFA is in een bijlage bij de Landsverordening normering topinkomens (de
LNT) aangemerkt als rechtspersoon op wie die landsverordeing toepasselijk is. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna:
het Gerecht) heeft in zijn vonnis van 28 augustus 2024 de de LNT buiten werking gesteld voor zover deze op APFA betrekking heeft en heeft het Land in de proceskosten veroordeeld. Het Hof is het daarmee niet eens en het vernietigt het vonnis. Hieronder wordt uitgelegd waarom het Hof zo oordeelt, nadat het procesverloop is geschetst en feiten zijn vastgesteld die vaststaan.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het Land heeft op 8 oktober 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht en heeft op 19 november 2024 een memorie van grieven ingediend. Daarmee wil het Land bereiken dat het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd en dat de vorderingen van APFA alsnog worden afgewezen, met veroordeling van APFA in de kosten van de procedure bij het Gerecht en die bij het Hof.
2.2.
APFA heeft op 10 januari 2025 een memorie van antwoord ingediend. Zij concludeert dat het Hof het vonnis van het Gerecht zal bevestigen, althans dat het aan een eventuele vernietiging geen terugwerkende kracht zal geven. Verder wil zij dat het Hof het Land in de kosten van het hoger beroep veroordeelt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis van het Hof.
2.3.
Op de zitting van het Hof van 10 juni 2025 hebben beide partijen een pleitnota ingediend. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het vonnis zal wijzen. Dat is dit vonnis.

3.De vaststaande feiten

De eerste rechter heeft in haar vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 feiten vastgesteld waar geen discusie over is. Die feiten worden ook in hoger beroep tot uitgangspunt genomen. Kort gezegd gaat het daarbij om het volgende.
3.1.
Het APFA is een in 2005 opgerichte stichting die de pensioenaanspraken beheert van haar deelnemers. Overheidsambtenaren en daarmee gelijkgestelden vormen ruim 60% van de deelnemers in het pensioenfonds. De andere deelnemers hebben of hadden andere werkgevers. Volgens de statuten van APFA staat haar bestuur onder toezicht van een Raad van Toezicht (
RvT). Eén van de vijf leden van de RvT wordt benoemd door het Land (formeel: de Minister van Financiën en Economische Zaken).
3.2.
De LTN stelt grenzen aan de bezoldiging van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. Volgens artikel 2 lid 1 onder Pro d LNT is de LNT van toepassing op rechtspersonen en instellingen die in de bijlage bij de LNT (hierna:
de Bijlage) zijn opgenomen. De Bijlage maakt deel uit van de ontwerp-landsverordening en is als zodanig afgekondigd, na door de Staten te zijn aangenomen. APFA is in die Bijlage opgenomen en valt daarom volgens de LNT onder de werking van die wet.

4.De beoordeling door het Hof

4.1.
In het vonnis van het Gerecht wordt in de rov 4.1 en 4.2 vooropgesteld dat de rechter terughoudend moet zijn met het buiten werking stellen van een landsverordening of een gedeelte daarvan en dat hij dit oordeel van de wetgever slechts marginaal mag toetsen. Indien blijkt dat de wetgever een evident onredelijke keuze heeft gemaakt, is sprake van onrechtmatige wetgeving en mag de rechter die wetgeving buiten werking stellen, aldus het vonnis.
4.2.
De Bijlage bij de LNT is tegelijk met de de rest van die landsverordening behandeld en afgekondigd. Dit betekent dat de Bijlage door partijen en het Gerecht terecht is beschouwd als een wet in formele zin.
4.3.
De rechter mag wetten in formele zin slechts beperkt toetsen. Artikel VI.4 van de Staatsregeling van Aruba (hierna:
de Staatsregeling [1] ) houdt namelijk in:
De rechter treedt, behoudens het bepaalde in artikel I.22, niet in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling.Artikel I.22 van de Staatsregeling is onderdeel van Hoofdstuk I van die regeling. Daarin staat:
Wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.Hoofdstuk I van de Staatsregeling behelst een opsomming van - klassieke -grondrechten. Veel van deze grondrechten zijn ook in internationale verdragen opgenomen, zoals de rechten op gelijke behandeling, lichamelijke integriteit, privacy, vrijheid van meningsuiting, etc.
Gelet op deze bepalingen van de Staatsregeling mag de rechter formele wetten niet buiten werking stellen enkel omdat de inhoud daarvan evident onredelijk is, zoals het Gerecht heeft overwogen, maar moet blijken dat de wet onmiskenbaar onverenigbaar is met bepalingen van Hoofdstuk I van de Staatsregeling en/of '
verdragen en van besluiten van internationale volkenrechtelijke organisaties. [2]
4.4.
Van een dergelijke onverenigbaarheid blijkt in het geval van APFA niet. APFA heeft geen grondrechten of verdragsbepalingen aangedragen waarmee de normering van de salarissen van haar werknemers in strijd zou komen. Zij stelt dat haar eigendomsrecht wordt geschonden doordat zij als gevolg van de LNT niet meer vrij is om te bepalen welke salarissen en/of andere vergoedingen zij met haar interne en externe medewerkers wil afspreken, maar hierin ziet het Hof geen eigendomsinbreuk. Dat zij schade lijdt door in de Bijlage te zijn opgenomen, is ook al geen inbreuk op een bepaling in Hoofdstuk I van de Staatsregeling of op een verdragsrechtelijke bepaling.
4.5.
Wat betreft bezoldigingen die op het moment van inwerkingtreden van de LNT hoger waren dan toegelaten volgens de LNT, is van belang dat de LNT daarvoor een overgangsregiem kent in artikel 23 LNT Pro. Dat is, zo blijkt uit de memorie van toelichting (pagina 17/18) gedaan om het argument van afname van eigendom te pareren. De gekozen constructie houdt in dat een bestaande hogere bezoldiging nog gedurende maximaal twee jaar na het inwerkingtreden van de LNT is toegestaan en dat deze daarna binnen een periode van drie jaar moet worden teruggebracht naar het voor de rechtspersoon geldende maximum. Dat deze regeling niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van wettelijke basis, het dienen van het algemeen belang en een fair balance tussen algemeen en individueel belang is door APFA niet gesteld. Daarvan is ook geen sprake. Ook voor op het moment van inwerkingtreden bestaande bezoldigingen is dus geen sprake van inbreuk op het eigendomsrecht van APFA en/of de personen die deze bezoldiging genoten.
4.6.
Indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en waarvan de strikte toepassing zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, kan - bij hoge uitzondering - de toepassing van de wet achterwege blijven [3] . APFA is echter heel bewust in de Bijlage opgenomen. Dit is immers gebeurd doordat zij daarin met zoveel woorden is genoemd. Bovendien heeft APFA tijdens de totstandkoming van de LNT brieven aan de minister en de Staten gestuurd en gesprekken gehouden met de minster en de Staten over haar positie, waarbij zij te kennen heeft gegeven dat het beter zou zijn om haar niet als semi-publieke instelling te beschouwen omdat een normering van de inkomens van haar werknemers haar beperkt in het aantrekken van talentvolle medewerkers en consultants, die voor betere (beleggings)resultaten kunnen zorgen. APFA heeft op hierop geen antwoord gekregen, maar dat betekent niet dat haar argumenten niet zijn meegewogen.
4.7.
APFA ziet kennelijk een tegenstrijdigheid tussen de criteria van artikel 2 LNT Pro en het opnemen van APFA in de Bijlage, maar van een kennelijke vergissing is geen sprake. De criteria zijn zeer ruim, alleen al doordat volgens artikel 2 LNT Pro een relatie met het Land al reden kan zijn om APFA semi-publiek te noemen. Maar ook omdat de betrokkenheid van het Land bij APFA groter is dan voor het bestaan van een willekeurige relatie nodig is: de (ex-)werknemers van het Land vormen meer dan de helft van het aantal deelnemers in het pensioenfonds en het Land draagt de door de werknemers verschuldigde premies af aan APFA.
4.8.
De Minister van Financiën en Economische Zaken is bevoegd om bij Landsbesluit houdende algemene maatregelen wijziging te brengen in de Bijlage. Desverzocht heeft de Minister geweigerd om dit te doen. Het Hof laat in het midden of de weigering van de Minister moet worden aangemerkt als een beschikking waartegen een bestuursrechtelijke rechtsgang openstond. De LNT geeft de Minister in artikel 2 lid Pro 2, voor zover van belang, onder b de bevoegdheid een rechtspersoon van de Bijlage te verwijderen indien de grond voor opname niet langer bestaat. APFA heeft niet gesteld dat die situatie zich voordeed. Haar standpunt is immers dat zij van meet af aan al niet in de Bijlage had moeten worden opgenomen. Dat de Minister APFA niet van de Bijlage heeft verwijderd is dan ook, in het licht van het wettelijk criterium waaraan de Minister is gebonden, niet onrechtmatig. Voor zover APFA de onrechtmatigheid baseert op het feit dat zij is opgenomen in de Bijlage geldt dat de wetgever die keuze heeft mogen maken, zoals hiervoor uiteengezet. Ook in zoverre is dus van onrechtmatigheid geen sprake.
4.9.
Het Hof trekt de conclusie dat er onvoldoende grond is om de LTN voor zover het gaat om APFA buiten toepassing te laten.
4.10.
APFA heeft verzocht om aan het vonnis van het Hof geen terugwerkende kracht te verbinden. Dit zou neerkomen op het toewijzen van de vorderingen voor een beperkte periode. Daar ziet het Hof geen grond voor, mede in het licht van het feit dat de LNT een overgangsregiem kent voor op het moment van inwerkingtreden bestaande bezoldigingen.
de slotsom
4.11.
De grieven zijn gegrond. Het vonnis van het Gerecht zal daarom worden vernietigd en de vorderingen van APFA worden alsnog afgewezen.
proceskosten
4.12.
APFA blijkt de in het ongelijk te stellen partij te zijn. Daarom veroordeelt het Hof haar in de kosten van de procedures bij het Gerecht en bij het Hof. Het Hof begroot de kosten van het Land die voor vergoeding in aanmerking komen
- voor de procedure bij het Gerecht op nihil en
- voor de procedure bij het Hof op Afl 900 voor griffierecht en op Afl 207 voor explootkosten.
In totaal gaat het om Afl 1.100 voor verschotten.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
5.1.
vernietigt het vonnis met zaaknummer AUA202302626 dat het Gerecht in eerste aanleg van Aruba op 28 augustus 2024 tussen partijen heeft uitgesproken en doet opnieuw recht;
5.2.
wijst de vorderingen van APFA af;
5.3.
veroordeelt APFA in de kosten van het hoger beroep en begroot de proceskosten die zij aan Het Land moet vergoeden op Afl 1.107 voor verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 31 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.AB 1997 GT 1
2.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722 en HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8513
3.HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679