ECLI:NL:OGHACMB:2026:64

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
AUA2024H00024
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 162 BWArt. 3:310 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over onrechtmatige hinder door rioolwaterzuiveringsinstallatie nabij hotel

MBR exploiteert een hotel nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) die sinds 2002 stank- en vliegenoverlast veroorzaakt. Het Gerecht in eerste aanleg stelde vast dat het Land Aruba onrechtmatige hinder veroorzaakt en veroordeelde het Land tot schadevergoeding. Het Land ging in hoger beroep en betwistte onder meer de ontvankelijkheid en de onrechtmatigheid van de hinder.

Het Hof oordeelt dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en bevestigt dat het Land onrechtmatige hinder veroorzaakt. De hinder is ernstig en structureel, zoals blijkt uit klachten van hotelgasten en internetrecensies. Hoewel de RWZI een publiek belang dient, ontslaat dit het Land niet van de verplichting tot schadevergoeding, zeker omdat MBR onevenredig zwaar wordt getroffen.

Het Hof stelt vast dat de schadevergoeding beperkt moet worden tot de periode vanaf 10 januari 2017, vanwege verjaring, tot 1 juli 2024, toen het beheer van de RWZI overging naar een andere partij. Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht met deze aanpassing en veroordeelt het Land in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de onrechtmatige hinder door het Land en beperkt de schadevergoeding tot de periode 10 januari 2017 tot 1 juli 2024.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA202200037 en AUA2024H00024
Uitspraak: 31 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
De rechtspersoon naar publiek recht
HET LAND ARUBA,
met zetel in Aruba,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant,
gemachtigde: mrs. Y.F.M. Kaarsbaan en D.G. Kock,
tegen
de naamloze vennootschap
MANOR BEACH RESORT N.V.
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. P.R.C. Brown.
Partijen worden hierna het Land en MBR genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak gaat over onrechtmatige hinder. MBR exploiteert een hotel met restaurant. Dichtbij het perceel waarop de gebouwen van MBR staan ligt een rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: de
RWZI). Tot 1 juli 2024 gebruikte het Land de RWZI. De installatie zuivert het afvalwater van veel toeristenaccomodaties.
1.2
MBR heeft gevorderd dat het Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna:
het Gerecht) in een vonnis vaststelt (voor recht verklaart) dat het Land sinds 2002 onrechtmatig jegens MBR handelt doordat de RWZI stank- en/of vliegenoverlast veroorzaakt en dat het Gerecht het Land veroordeelt om de schade die MBR als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden, met rente. De omvang van de schade zou in een afzonderlijke procedure moeten worden vastgesteld (de schadestaatprocedure).
1.3
Het Gerecht heeft de vorderingen in een vonnis van 13 december 2023 toegewezen en het Land in de proceskosten veroordeeld. Het Land is in hoger beroep gekomen.
1.4
Het Hof bevestigt hieronder de beslissingen van het Gerecht, maar bepaalt dat het Land over een kortere periode schade moet vergoeden dan in het vonnis van het Gerecht is vermeld. Het geeft in dit vonnis eerst het procesverloop weer en stelt vast van welke feiten het uitgaat. Daarna volgt verdere uitleg van de beslissing van het Hof.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 23 januari 2024 per Portal ingediende akte van appel is MBR in hoger beroep gekomen van het vonnis van het Gerecht. Vervolgens is op 7 februari 2024 een akte van hoger beroep opgemaakt, die door de deurwaarder aan MBR is uitgereikt (betekend). Het Land heeft een memorie van grieven ingediend, die eveneens aan MBR is betekend. Het Land wil blijkens deze memorie bereiken dat het Hof het vonnis van het Gerecht vernietigt en MBR in de proceskosten veroordeelt, naar het Hof begrijpt: met afwijzing van de vorderingen van MBR.
2.2
MBR heeft een memorie van antwoord ingediend. Zij wil dat het Hof het Land niet-ontvankelijk verklaart omdat het hoger beroep te laat is ingesteld. Als het Hof dat niet doet, wil zij dat het Hof het vonnis van het Gerecht bevestigt en het Land veroordeelt in de kosten van het hoger beroep.
2.3
Op de zitting van het Hof van 10 juni 2025 heeft elk van de partijen pleitnotities ingediend. Vervolgens heeft het Hof bepaald dat het vonnis zal wijzen.

3.De vaststaande feiten

3.1
Het Land was tot 1 juli 2024 de eigenaar van de RWZI. Vanaf die dag wordt de RWZI beheerd door de naamloze vennootschap Aruba Wastewater Sustainable Solutions N.V.
3.2
MBR drijft een hotel met restaurant dat dichtbij de RWZI ligt. Volgens een rapport van 5 april 2018 dat TNO Caribbean over de RWZI heeft opgesteld is er bij de aeration tank sprake van
concrete degradationen functioneert de installatie slecht door een te hoge belasting.
3.3
Gasten van MBR hebben geklaagd over rioollucht en over vliegen in en bij het hotel en het restaurant. Een aantal van die gasten heeft commentaar achtergelaten op internet met waarschuwingen voor de overlast. In het vonnis van het Gerecht worden de teksten daarvan uitvoerig geciteerd. De volgende passages maken deel uit van het commentaar:
‘a strong smell of septic’
‘The smell in this “resort” is beyond healthy’
‘The moment you step out of your room it hits you. It’s extremely powerful. … 4 nights now and we are experiencing headaches from the methane. It is atrocious … Do not stay here … you will get sick’
‘we were not prepared for how bad the stench was from the water treatment plant. … The ‘pooh winds’ were frequent and regularly tore through the resort and onto the beach. I am not sure whether the smell led to the annoying number of flies ….but their number was noticeable compared to our other visits’
en
‘this awful stench of human feces’.
De citaten zijn in januari 2020, september 2021, februari 2021, februari 2022, maart 2022 (2x) en april 2022 op het internet geplaatst, onder verschillende namen.
3.4
Partijen hebben met elkaar een lange geschiedenis van procedures met betrekking tot de hinder. Op 21 mei 2002 en 28 november 2007 hebben partijen vaststellingsovereenkomsten met elkaar gesloten. In de overeenkomst van 21 mei 2002 heeft MBR zich expliciet voorbehouden om schadevergoeding te vorderen. MBR heeft ook regelmatig geklaagd bij het Land over de stank en de vliegen.

4.De beoordeling

het land is ontvankelijk
4.1
Het hoger beroep is ingesteld door indiening van de akte van hoger beroep bij de griffie van dit Hof in Aruba. De indiening vond op 23 januari 2024 plaats langs elektronische weg, zo blijkt ook uit de administratie van het Hof. Dit betekent dat het Land op tijd was met het instellen van hoger beroep. Het beroep op niet-ontvankelijkheid blijkt ongegrond.
artikel 5:37 BW Pro
Het Gerecht heeft in rov 4.3 en 4.4 geoordeeld dat het Land onrechtmatige hinder heeft veroorzaakt en daarvoor aansprakelijk is op grond van art 5:37 BW Pro. In hoger beroep heeft geen van de beide partijen de juistheid van deze door het Gerecht gehanteerde grondslag voor beoordeling van de vordering van MBR betwist, zodat het Hof de vordering eveneens beoordeelt op die grondslag.
4.2
Art 5:37 BW Pro is een bepaling van burenrecht. De tekst daarvan luidt:
De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Pro Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
bij grief 1 heeft het Land geen belang
4.3
In een voetnoot bij rov 4.3 van het vonnis van het Gerecht staat dat de wettelijke plicht van het Land om (hinder en) overlast voor MBR tegen te gaan geen inspanningsverplichting is, maar een resultaatsverplichting. Het Land maakt met zijn eerste grief bezwaar tegen deze kwalificatie, maar de grief slaagt niet omdat de centrale vraag is of de hinder die de RWZI veroorzaakt onrechtmatig is, ongeacht of het om een resultaats- of inspanningsverplichting gaat. Deze centrale vraag moet aan de hand van de omstandigheden van het geval worden beantwoord.
grief 2 faalt - de hinder is onrechtmatig
4.4
Met de tweede grief vecht het Land het oordeel van het Gerecht aan dat de hinder onrechtmatig is. MBR verwijt het Land dat het onvoldoende onderhoud aan de RWZI heeft gepleegd en dat het de capaciteit van die installatie niet heeft aangepast aan het sterk gegroeide aantal toeristenaccomodaties dat op de RWZI is aangesloten. Hierdoor handelt het Land in strijd met zijn zorgplicht jegens de inwoners van Aruba.
Het Land heeft ter rechtvaardiging van het voortduren van de hinder aangevoerd dat het te weinig geld heeft voor een goede oplossing en dat het met de waterzuivering een publiek belang dient. Ook wijst het Land erop dat MBR haar hotelheeft gebouwd toen de RWZI er al stond.
4.5
Het Hof stelt vast dat de hinder aanmerkelijk is, gelet op de ervaringen die ex-gasten van MBR op het internet hebben gedeeld. Het Land heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat de stank- en vliegenhinder voor een bedrijf als dat van MBR (immers: een hotel/restaurant) zeer schadelijk is. In het inleidend verzoekschrift is onweersproken gesteld dat gasten vanwege de stank en de vliegen wegblijven. De hinder is niet altijd even groot, maar komt wel steeds weer terug. De tijdstippen waarop de klachten op het internet werden geplaatst maken dit duidelijk. Het feit dat MBR of een aan haar gelieerde onderneming plannen heeft om in de onmiddellijke omgeving van de RWZI accomodaties te bouwen, is onvoldoende om serieus te twijfelen aan de ernst van de hinder. MBR heeft namelijk (onweersproken) gesteld dat zij/de investeerder nog niet is begonnen met de bouw en erop vertrouwt dat de RWZI wordt hersteld.
4.6
De waterzuivering dient ontegenzeggelijk een publiek belang. MBR vordert echter geen verbod op het gebruik van de installatie, maar wil haar schade vergoed krijgen. Indien iemand schade lijdt door een handelen in het publiek belang, staat dat enkele gegeven nog niet aan zijn aanspraken op een vergoeding van die schade in de weg. De hinder wordt vooral door (de gasten en medewerkers van) MBR ondervonden, naast mogelijk ondernemers die afhankelijk zijn van bezoekers van het strand ter hoogte van het hotel van MBR: de passaatwind waait de lucht over het perceel van MBR en over het strand de zee op (zie het citaat hierboven waarin sprake is van ‘pooh winds’ ).
Gelet hierop ligt het in het directe verlengde van de stellingen van MBR dat haar schade, die het gevolg is van het handelen in publiek belang, uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en dat het haar in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. Het beginsel
égalité devant les charges publiquesbrengt in dit geval mee dat het handelen in publiek belang het Land niet vrijwaart van zijn verplichtingen om de daarbij aan MBR toegebrachte schade te vergoeden.
4.7
Uit de stellingen van partijen blijkt dat de capaciteit van de RWZI op enig moment in de loop van de afgelopen tientallen jaren werd overschreden doordat er steeds meer toeristenaccomodaties werden bijgebouwd. Volgens MBR is de grens van het toelaatbare in elk geval in 2002 overschreden en was dit capaciteitstekort voor het Land voorzienbaar. Dit is niet gemotiveerd weersproken. MBR had haar onderneming al ruim voordien op de plaats gevestigd waar zij vanaf 2002 de (extreme) hinder ondervindt. Dat zij bij de bouw al rekening had moeten houden met de hierboven gebleken mate van hinder, heeft het Land niet voldoende toegelicht.
4.8
Volgens het Land moet verder nog rekening gehouden worden met een rechterlijke uitspraak van 17 mei 2006, waarin het Gerecht na een descente heeft geoordeeld dat het Land de meerderheid van de afspraken die in 2002 en 2005 zijn gemaakt heeft uitgevoerd. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de geur- en vliegenhinder in 2006 was verholpen. Het Land heeft voor het overige niet gemotiveerd bestreden dat er sinds 2002 sprake is van ernstige overlast. Het heeft aangevoerd dat het aanpassingen aan de RWZI heeft aangebracht, maar onvoldoende geld heeft gereserveerd, mede doordat een reservering die daarvoor was opgenomen in een ontwerpbegroting is geschrapt.
4.9
Op grond van het vorenstaande sluit het Hof zich bij het oordeel van het Gerecht aan dat het Land sinds 2002 onrechtmatige hinder aan MBR heeft aangedaan.
grief 3 – het tijdvak waarover het Land schade moet vergoeden
4.1
Het Land beroept zich voor het eerst in de memorie van grieven op verjaring van zijn verplichting om de schade te vergoeden (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). MBR heeft dit beroep op verjaring bestreden en doet, op haar beurt, in de memorie van antwoord een beroep op stuitingen. Van voldoende duidelijke stuitingen is echter niet gebleken. MBR heeft niet onderbouwd dat uit de kort gedingprocedures die zij in de loop van de jaren heeft aangespannen en uit de (andere) berichten die zij het Land heeft gestuurd over met name de stankoverlast ondubbelzinnig blijkt dat zij zich haar rechten op schadevergoeding wilde voorbehouden. Een dergelijk voorbehoud blijkt wel uit de vaststellingsovereenkomst van 21 mei 2002, maar had moeten worden herhaald om te voorkomen dat de vordering zou verjaren. De vordering is dan ook verjaard voor zover MBR de schade vóór 10 januari 2017 heeft geleden. MBR heeft de verjaring – met een termijn van vijf jaar - immers op 10 januari 2022 gestuit door indiening van het inleidend verzoekschrift.
4.11
Nu verder nog onweersproken is aangevoerd dat het Land vanaf 1 juli 2024 geen zeggenschap meer heeft over de RWZI, is de vergoedingsplicht van het Land beperkt tot de schade die MBR in de periode van 10 januari 2017 tot 1 juli 2024 door de hinder heeft geleden. In zoverre slaagt de derde grief.
de slotsom
4.12
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De in het vonnis van het Gerecht gegeven verklaring voor recht zal worden bevestigd en de veroordeling om schade te vergoeden zal worden aangepast doordat het jaartal 2002 dat daarin is opgenomen zal worden vervangen door de datum 10 januari 2017 en door daarin de einddatum van 1 juli 2024 op te nemen.
4.13
Gelet op deze uitkomst is het Land de overwegend in het ongelijk te stellen partij, ook in hoger beroep. Het Hof bevestigt de in eerste aanleg uitgesproken kostenveroordeling en veroordeelt het Land in de kosten van het hoger beroep. De kosten die MBR voor het hoger beroep heeft gemaakt en die voor vergoeding in aanmerking komen worden begroot op Afl 261 voor explootkosten en Afl 5.000 voor salaris van de gemachtigde (2,5 punten tarief 5).
4.14
De kostenveroordeling levert ook voor het nasalaris een executoriale titel op (HR 16 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853). Het Hof begroot daarom ook de nakosten van MBR, en wel op Afl 250 voor salaris van de gemachtigde, welk bedrag in geval van betekening van dit vonnis aan het Land wordt verhoogd met Afl 150 en met de kosten van de betekening.
4.15
het totaalbedrag dat het Land uit hoofde van de proceskostenveroordeling aan MBR is verschuldigd is dan ook Afl 5.511 eventueel te verhogen met Afl 150 en de kosten van betekening.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis van het Gerecht van 13 december 2023, met dien verstande dat in het dictum op pagina 12 in de tweede regel daarvan de tekst ‘vanaf 2002’ wordt vervangen door de tekst ‘vanaf 10 januari 2017’ en bepaalt dat schade die op 1 juli 2024 of daarna is geleden niet door het Land hoeft te worden vergoed;
veroordeelt het Land in de kosten van de procedure aan de zijde van MBR gevallen en begroot deze op Afl 5.511, welk bedrag wordt verhoogd met Afl 150 en met de kosten van betekening van dit vonnis aan het Land indien die betekening plaatsvindt.
wijst of het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 31 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.