Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2026:86

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
CUR2025H00231
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EOPArt. 16 EROCArt. 22 EROCArt. 101 Staatsregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over bouwvergunning en belangenafweging bij overschrijding bouwhoogte

Gran Canari kreeg een bouwvergunning voor zes bouwblokken met een bouwhoogte die deels hoger is dan de toegestane 8 meter. Appellanten stelden dat de minister onrechtmatig handelde door de bouwhoogte toe te staan en onvoldoende belangenafweging te maken. Het Gerecht vernietigde de vergunning wegens onjuiste bouwhoogtebepaling, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep betoogden appellanten dat de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd, dat de toetsing aan het Tourism Masterplan had moeten plaatsvinden en dat de woningdichtheid onjuist was geïnterpreteerd. Het Hof oordeelde dat artikel 3, tweede lid, onder d, van het EOP niet onverbindend is en dat de minister bevoegd is een belangenafweging te maken bij overschrijding van 8 meter bouwhoogte.

Het Hof vond dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat de hogere bouwhoogte tot onaanvaardbare hinder leidt, dat de taxatie van waardedaling niet objectief was en dat de technische noodzaak voor de hogere bouwhoogte voldoende was onderbouwd. Ook was het bouwplan geen toeristisch project in de zin van het Tourism Masterplan. De woningdichtheid moest per buurt worden beoordeeld, niet per kavel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

Uitspraak

CUR2025H00231
Datum uitspraak: 6 mei 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[naam appellant 1] en [naam appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 6 augustus 2025 in zaak nr. CUR202404766, in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 17 oktober 2024 heeft de minister aan Gran Canari Development Company B.V. (hierna: Gran Canari) een bouwvergunning verleend voor de bouw van 28 appartementen verdeeld over zes bouwblokken met ondergrondse parkeergelegenheid, utiliteiten, zwembad met pomphuis, sauna en gym op het perceel met kadastrale aanduiding [nummer] te Jan Sofat.
Bij uitspraak van 6 augustus 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend. Gran Canari heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend. Gran Canari heeft daarop gereageerd.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 maart 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. P.H. de Lange, advocaat. De minister werd vertegenwoordigd door mr. G.N. Hollander. Gran Canari werd vertegenwoordigd door mrs. M.G. Woudstra en R.M.C.S. van der Heide, advocaten.
Overwegingen
Inleiding
1. Gran Canari heeft twee directeuren. Het bouwperceel is door hun vaders gekocht en zij hebben al lange tijd de wens om daarop een hoogwaardig project te realiseren. Het bouwperceel ligt in de wijk Jan Sofat, heeft een oppervlakte van 13.250 m2 en beslaat een heuvelachtig terrein.
1.1. Gran Canari heeft een vergunning gekregen voor de bouw van zes bouwblokken, waarbij het aantal bouwlagen varieert tussen de drie en vijf lagen.
1.2. Appellant 1 woont ten noordwesten van het perceel, op een afstand van ongeveer 44 meter tot bouwblok A3 en 49 meter tot bouwblok C. Appellant 2 woont ten noordoosten van het perceel, op een afstand van meer dan 100 meter tot het bouwproject.
De uitspraak van het Gerecht
2. Het Gerecht heeft het door appellanten tegen de bouwvergunning ingestelde beroep gegrond verklaard omdat de minister de bouwhoogte van de bouwblokken onjuist heeft bepaald. De minister heeft tijdens de beroepsprocedure een nieuwe berekening van de bouwhoogte uitgevoerd. In deze berekening zijn de zes bouwblokken tot een meter hoger dan waar de minister eerder van uit is gegaan. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de aangepaste berekening voldoet aan de wijze van meten als bedoeld in artikel 2 van Pro het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (hierna: EOP). Het Gerecht heeft daarop de bestreden beschikking vernietigd maar de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand gelaten. De bouwhoogten van de zes bouwblokken zijn in de uitspraak als volgt vastgesteld:
A1: 14,24 meter
A2: 14,18 meter
A3: 16,40 meter
B1: 7,84 meter
B2: 7,61 meter
C: 14,48 meter
2.1. Het Gerecht heeft de andere beroepsgronden verworpen. Over artikel 3, tweede lid, onder d, van het EOP heeft het Gerecht overwogen dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd om ook bij overschrijding van de bouwhoogte van acht meter de minister de bevoegdheid te geven om een belangenafweging te maken. Het Gerecht heeft daarbij van belang geacht dat de tekst van het EOP en de toelichting daarop geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat de wetgever de ruimte van de minister voor het maken van een belangenafweging vanaf een bepaalde bouwhoogte heeft willen beperken.
2.2. Over de door de minister verrichte belangenafweging heeft het Gerecht geoordeeld dat de minister het belang bij de haalbaarheid van het project en het belang van het streven naar meer duurzame verstedelijking met nadruk op verdichting voor een efficiënt gebruik van schaarse ruimte, zwaarder mocht laten wegen dan de belangen van appellanten. Hun belangen worden naar het oordeel van het Gerecht namelijk vooral geraakt door de al door de wetgever toegestane acht meter bouwhoogte. De extra meters aan bouwhoogte zijn niet van het grootste gewicht als het gaat om de impact op de leefomgeving. Daarbij komt dat de bovenste laag vooral voor de technische ruimte nodig is en dat op die laag niet over de gehele footprint wordt gebouwd.
2.3. Over de vraag of de minister gehouden was om de aanvraag te toetsen aan het Tourism Masterplan, heeft het Gerecht overwogen dat de minister als definitie van toeristisch project als bedoeld in het Tourism Masterplan mocht hanteren: ‘een ontwikkeling die naar vormgeving en uitvoering gericht is op het accommoderen van toeristen voor kort en/of langer verblijf’. Volgens het Gerecht heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvan in dit geval geen sprake is. Dit volgt niet uit de vergunningaanvraag en de toelichtingen daarop. Het bouwplan ziet op een gemengd woon- en verblijfsconcept. De verblijfsaccommodaties worden voor permanente bewoning ontwikkeld. De eigenaren kunnen hun appartementen verhuren aan short-term huurders wanneer zij er zelf tijdelijk niet verblijven. Die omstandigheid rechtvaardigt volgens het Gerecht echter niet de conclusie dat sprake is van een volledig toeristisch project als hiervoor bedoeld. Bovendien worden er geen voor een toeristisch project kenmerkende faciliteiten gerealiseerd. De minister was daarom niet gehouden om het bouwplan te toetsen aan het Tourism Masterplan.
2.4. Tot slot heeft het Gerecht geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwproject in lijn is met de in artikel 3, tweede lid, onder b, van het EOP genoemde woningdichtheid van 6 tot 20 woningen per hectare en met de bepaling in de Nota invulling en toetsingsnormen EOP (hierna: Nota) dat de woningdichtheid op de bestaande kavels niet meer dan verdubbelen mag.
Het betoog in hoger beroep
3. Appellanten betogen dat artikel 3, tweede lid, onder d, van het EOP onverbindend is voor zover daarin is bepaald dat hoger dan 8 meter kan worden gebouwd, omdat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving en algemene rechtsbeginselen. Zij betogen dat de bepaling die de grotere bouwhoogte dan 8 meter mogelijk maakt geen aanwijzingen geeft over hoe hoog gebouwd mag worden. Zij wijzen daarbij op artikel 16, derde lid, van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao (hierna: EROC), over de eisen die aan uitwerkingsregels worden gesteld. De enige beperking hier is volgens hen dat de minister een niet nader geconcretiseerde belangenafweging verricht. Daarmee is sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Om deze reden kon de minister evenmin een afwijking van de maximale bouwhoogte toestaan op grond van de vrijstellingsmogelijkheid beschreven in artikel 22, eerste lid, van de EROC. Zij verwijzen naar uitspraken van de rechtbank Den Haag en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) over een onvoldoende objectieve en concreet begrensde open norm in planregels (ECLI:NL:RBDHA:2022:7566, onder 9.3 en ECLI:NL:RVS:2023:3380, onder 6.7.1).
3.1. Appellanten betogen vervolgens dat voor zover de minister een belangenafweging kon maken, daarbij ten onrechte het belang van Gran Canari bij een hoger rendement en haalbaarheid van het project doorslaggevend is geacht. Het Gerecht is er volgens hen aan voorbij gegaan dat Gran Canari en de minister niet hebben onderbouwd waarom de grotere bouwhoogte nodig is om het project technisch en financieel haalbaar te maken, in het bijzonder wat betreft het realiseren van penthouses en de aanleg van een technische ruimte als een extra verdieping in plaats van een inpandige aanleg. De minister heeft volgens appellanten ook niet aannemelijk gemaakt dat de bouwhoogte van acht meter dezelfde gevolgen zou hebben voor hen als de thans voorziene hogere bouwhoogten. De gevolgen van de extra bouwhoogte voor de zichtlijnen zijn onvoldoende onderzocht. Volgens appellant 1 wordt door de thans voorgestelde hoogte van bouwblok C haar zicht op de Tafelberg volledig ontnomen, wat niet het geval zou zijn geweest bij een bouwhoogte van acht meter. Volgens appellant 2 geldt dit ook voor zijn zicht op Brakkeput, de Caracasbaai en Jan Thiel. Daarnaast is volgens appellanten onvoldoende onderzocht wat de gevolgen van de extra bouwhoogte zijn voor de waardedaling van hun woningen. Zij hebben een brief overgelegd van een taxateur die concludeert dat de woning van appellant 1 Cg 400.000.- minder waard wordt door de overschrijding van de bouwhoogte van 8 meter tot 15 meter. Verder is het Gerecht er volgens hen aan voorbij gegaan dat de appartementen ook voor korte duur verhuurd zullen worden, wat tot een grotere verkeersdruk zal leiden door een gebrek aan toeristische voorzieningen in de directe omgeving van het bouwproject. Ook dit had de minister nader moeten onderzoeken. Tot slot heeft het Gerecht ten onrechte geen betekenis toegekend aan de voorziene wellness-faciliteiten op het terrein, waarvan niet geborgd is dat deze alleen bezocht zullen worden door bewoners, aldus appellanten.
3.2. Appellanten komen verder op tegen het oordeel van het Gerecht dat de minister de aanvraag niet hoefde te toetsen aan het Tourism Masterplan. Volgens hen gaat het wel om een toeristisch project, omdat de eigenaren van de appartementen deze voor korte termijn kunnen verhuren. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een toeristisch project, is volgens hen niet doorslaggevend of er voorzieningen zoals een lobby en schoonmaakservice zijn. Volgens hen is bepalend of in de vergunningsaanvraag de mogelijkheid is opgenomen dat de appartementen (ook) voor toeristische verhuur gebruikt zullen worden. Het gevolg hiervan is dat de minister de vergunningsaanvraag had moeten toetsen aan het Tourism Masterplan. Daarbij had in het bijzonder gekeken moeten worden naar de eisen die gesteld worden aan de maximale ‘plot cover’ en aan de zuivering van afvalwater.
3.3. Appellanten komen tot slot op tegen het oordeel van het Gerecht dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwproject in lijn is met de in artikel 3, tweede lid, onder b, van het EOP genoemde woningdichtheid van 6 tot 20 woningen per hectare en met de bepaling in de Nota dat de woningdichtheid op de bestaande kavels niet meer dan verdubbelen mag. Volgens hen heeft het Gerecht de vereiste woningdichtheid verkeerd geïnterpreteerd, omdat gekeken moet worden naar de dichtheid op de kavel zelf, in plaats van binnen de gehele wijk. Ervan uitgaande dat de dichtheid nu 6,3 woningen per hectare is, zijn op het bouwperceel maximaal 12,6 woningen per hectare toegestaan. Die norm wordt overschreden, aldus appellanten.
Oordeel van het Hof

Artikel 3, tweede lid, onder d, van het EOP

4. In artikel 3, tweede lid, onder d, van het EOP staat:
‘Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan acht meter, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door die grotere bouwhoogte kan ontstaan.’
4.1.
Anders dan appellanten betogen, is er geen ruimte om deze bepaling exceptief te toetsen aan het rechtszekerheidsbeginsel. Het EOP is in 1995 vastgesteld bij eilandsverordening en heeft thans de status van een landsverordening. Daarover heeft het Hof in de uitspraak van 7 september 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:83, overwogen dat artikel 101 van Pro de Staatsregeling zo moet worden uitgelegd dat de rechter deze verordeningen alleen mag toetsen aan klassieke grondrechten en dus (onder meer) niet aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Ook heeft het Hof in die uitspraak toegelicht dat regelingen van gelijke rang niet aan elkaar getoetst kunnen worden en dat het EOP daarom niet aan de EROC kan worden getoetst.
4.2.
Zoals het Hof verder heeft overwogen in onder meer de genoemde uitspraak, staat het de rechter wel vrij om in bepaalde (groepen van) gevallen een wetsbepaling buiten toepassing te laten op de grond dat toepassing van die bepaling in verband met daarin niet verdisconteerde omstandigheden in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
Het Hof volgt appellanten niet in het betoog dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn verdisconteerd, omdat de wetgever niet zou hebben voorzien dat ook bouwwerken met een hoogte van veel meer dan 8 meter vergund zouden kunnen worden. In de toelichting op het EOP, onder 1.2 is immers opgenomen dat het gaat om globale bestemmingen die zo flexibel moeten zijn dat onvoorziene mogelijkheden voor investeringen niet door het plan worden uitgesloten. Onder 1.4 is opgenomen dat de globale bestemmingsvoorschriften een grote mate van vrijheid geven om in te spelen op zich in de praktijk voordoende situaties. Deze globaliteit en flexibiliteit brengen met zich dat niet alles van tevoren vaststaat en dat meerdere interpretaties mogelijk zijn, zo staat in de toelichting. Aldus heeft de wetgever bewust ervoor gekozen om bouwhoogten van (veel) meer dan 8 meter mogelijk te maken. Bovendien heeft de wetgever in artikel 3, tweede lid, onder d, van het EOP voorgeschreven dat een belangenafweging moet plaatsvinden als de bouwhoogte van 8 meter wordt overschreden. Daarmee zijn de bouwmogelijkheden niet ongelimiteerd maar zijn zij afhankelijk van een belangenafweging in het concrete geval.
4.3.
Het betoog slaagt niet.

De verrichte belangenafweging

4.4.
Appellanten komen tevergeefs op tegen het oordeel van het Gerecht over de afweging die de minister heeft gemaakt tussen enerzijds het belang van Gran Canari bij een grotere bouwhoogte dan 8 meter en anderzijds de mogelijke hinder en ontsiering daarvan voor de omgeving.
4.5.
Zoals ook is toegelicht in de Nota, kan van ontsiering sprake zijn als zichtlijnen worden belemmerd. Appellanten hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat het zichtverlies door de overschrijding van de bouwhoogte van 8 meter van dien aard is dat de minister de belangenafweging in hun voordeel had moeten laten uitvallen. Zij hebben geen objectieve gegevens overgelegd waaruit dat kan worden afgeleid. Daarbij geldt dat enige mate van ontsiering geduld moet worden, omdat er geen recht op vrij uitzicht bestaat. Bovendien bevat het ROP-advies in de bijlage een zichtlijnenstudie, waaruit blijkt dat bij het ontwerpen en positioneren van de bouwblokken specifiek rekening is gehouden met de zichtlijnen vanaf het terrein van appellant 1. Het Hof volgt verder het Gerecht in het oordeel dat ook met een bouwhoogte van maximaal 8 meter er verlies van uitzicht zou zijn geweest, omdat het bouwwerk wordt geplaatst op een perceel dat hoger ligt dan de omliggende percelen.
4.6.
De gestelde waardedaling van de woningen van appellanten kan bij de belangenafweging worden betrokken. Daarbij geldt wel dat het gaat om de waardedaling die optreedt als gevolg van de overschrijding van de bouwhoogte van 8 meter. Het Hof volgt de conclusie uit de door appellanten in hoger beroep overgelegde brief van een taxateur dat de woning van appellant 1 Cg 400.000.- minder waard wordt door de overschrijding van de bouwhoogte, niet. Zoals Gran Canari terecht heeft aangevoerd, is de taxateur niet op basis van objectieve uitgangspunten tot deze conclusie gekomen, maar op basis van door appellanten verstrekte informatie, waaronder een door henzelf opgestelde schets van het uitzicht, waarin de bouwhoogte overigens ook met een halve meter naar boven is afgerond. Al aangenomen dat realisering van het bouwplan zal leiden tot enige waardedaling van de woningen van appellanten hebben zij hiermee niet onderbouwd dat sprake is van een dusdanige waardedaling van hun woningen, dat de minister had moeten concluderen dat de belangenafweging in hun voordeel uitvalt.
4.7.
Appellanten betogen daarnaast tevergeefs dat onvoldoende is onderbouwd waarom de grotere bouwhoogte nodig is om het project technisch en financieel haalbaar te maken, in het bijzonder wat betreft het realiseren van penthouses en de aanleg van een technische ruimte als een extra verdieping in plaats van een inpandige aanleg.
Gran Canari heeft in hoger beroep nogmaals uitgelegd welke installatie op het bouwwerk geplaatst wordt en waarom dat volgens haar nodig is. Zo is toegelicht dat er een technische noodzaak bestaat voor de grotere bouwhoogte, omdat is gekozen voor een VRF-airconditioningsysteem (‘Variable Refrigerant Flow’). Dit is een energiezuinig, stil en individueel regelbaar systeem. Alternatieve airconditioningsystemen, zoals split-units, multi-splits of centrale luchtkanaalsystemen zijn verouderd en onvoldoende geschikt voor een ontwikkeling van deze omvang en kwaliteit, aldus Gran Canari. De grotere bouwhoogte is noodzakelijk om de buitencompressoren van het VRF-systeem correct en duurzaam te kunnen plaatsen, namelijk op de daken, omdat de afstand tussen binnen- en buitencompressoren beperkt moet blijven. Plaatsing in de garage of op maaiveldniveau is technisch niet uitvoerbaar of zal leiden tot onevenredige kosten, zwaardere installaties en extra geluid, volgens de toelichting van Gran Canari. Appellanten hebben niet onderbouwd waarom deze toelichting niet zou kunnen worden gevolgd.
4.8.
Het betoog van appellanten dat er verkeer- en parkeerhinder zal optreden doordat de appartementen voor korte termijn verhuurd kunnen worden, slaagt niet. Volgens de Nota gaat het erom dat er ‘geen onevenredige verkeer- en parkeerhinder optreedt door de bijkomende bouwoppervlakte’. Aan die eis is voldaan omdat door de extra bouwoppervlakte nauwelijks extra wooneenheden worden gerealiseerd. Gran Canari heeft immers toegelicht dat de extra bouwhoogte voor de blokken A1, A2, A3 en C het mogelijk maakt om een volwaardige derde bouwlaag te realiseren die wordt uitgevoerd in een penthouse, waarop een technische ruimte is voorzien. Voor zover het bijkomende bouwoppervlakte wordt gebruikt voor de aanleg van extra wooneenheden, zijn dat er dus slechts vier. Bovendien worden voor deze vier wooneenheden in totaal twaalf extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de hogere bouwhoogte tot onevenredige verkeer- en parkeerhinder leidt.
Appellanten voeren in het kader van verkeer- en parkeerhinder ook aan dat de wellness-faciliteiten een aantrekkende werking voor andere gebruikers kunnen hebben. Uit de bouwtekeningen volgt evenwel dat deze faciliteiten niet op het bijkomende oppervlakte worden gebouwd. Dit valt daarmee buiten de omvang van de belangenafweging. Bovendien blijkt nergens uit dat de faciliteiten daadwerkelijk door niet-bewoners gebruikt mogen worden.
4.9.
Het betoog slaagt niet.

Toetsing aan het Tourism Masterplan

5. Het Hof volgt appellanten niet in hun betoog dat het Gerecht niet heeft onderkend dat de minister de aanvraag had moeten toetsen aan het Tourism Masterplan omdat sprake is van een toeristisch project. Het Hof overweegt daartoe als volgt.
5.1.
Appellanten betwisten de definitiebepaling van het begrip ‘toeristisch project’, als gehanteerd door de minister en het Gerecht, als zodanig niet. Het Hof sluit daarom aan bij die definitiebepaling, die inhoudt dat het moet gaan om ‘een ontwikkeling die naar vormgeving en uitvoering gericht is op het accommoderen van toeristen voor kort en/of langer verblijf’.
5.2.
Niet in geschil is dat het bouwplan van Gran Canari ziet op een gemengd woon- en verblijfsconcept voor zowel permanent als tijdelijk verblijf. De verblijfsaccommodaties worden voor permanente bewoning ontwikkeld. Weliswaar kunnen eigenaren hun appartementen verhuren aan short-term huurders wanneer zij er zelf tijdelijk niet verblijven, maar die enkele omstandigheid maakt op zichzelf nog niet dat het bouwplan daarom moet worden beschouwd als een ontwikkeling die naar vormgeving en uitvoering gericht is op het accommoderen van toeristen voor kort en/of langer verblijf. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat in dit verband ook van belang is dat er geen voor een toeristisch project kenmerkende faciliteiten worden gerealiseerd. De minister was daarom zoals ook het Gerecht heeft geoordeeld niet gehouden om het bouwplan te toetsen aan het Tourism Masterplan.
5.3.
Het betoog slaagt niet.

Woningdichtheid

6. Appellanten betogen tot slot tevergeefs dat het Gerecht de wettelijke eisen over de woningdichtheid verkeerd heeft geïnterpreteerd, omdat gekeken moet worden naar de dichtheid op de kavel zelf, in plaats van binnen de gehele wijk. De tekst van artikel 3, tweede lid, onder b, van het EOP is op dit punt duidelijk. Daarin staat dat wordt gestreefd naar het bereiken van een woningdichtheid ‘per buurt’ van 6 tot 20 woningen per hectare. In de artikelsgewijze toelichting bij het EOP staat over deze bepaling: ‘Uitgangspunt voor volkswoningbouw is een bruto dichtheid ‘per buurt’ van 15 tot 30 woningen per hectare. Voor andere plannen geldt een bruto dichtheid van 6 tot 20 woningen per hectare, teneinde daar plannen met wat ruimere kavels mogelijk te laten blijven.’ Hieruit volgt niet dat het zou gaan om de woningdichtheid op een kavel. Het Hof verwijst verder naar zijn uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:OGHAMB:2025:258, onder 8.1, waarin het Hof de motivering van het Gerecht in de uitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:311, onder 10.1 en 10.2, heeft overgenomen en waarin de dichtheid per buurt is beoordeeld, niet de dichtheid op een kavel.
6.1.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigtde uitspraak van het Gerecht.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.