Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1605

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
27 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
132 HLAR 06/06
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 LTU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vergunning tot verblijf wegens onvoldoende middelen van bestaan

Appellanten hebben bij de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao een verzoek ingediend om een vergunning tot verblijf, welke is geweigerd wegens onvoldoende bewijs van voldoende middelen van bestaan. Het Gerecht in eerste aanleg heeft dit besluit bevestigd en appellanten hebben hiertegen hoger beroep ingesteld.

Het Hof overweegt dat de door appellanten overgelegde documenten, waaronder een verklaring van de partner, een uittreksel uit het Handelsregister en een bankverklaring, geen concrete en door een officiële instantie gestaafde inkomensgegevens bevatten. Hierdoor is niet aannemelijk gemaakt dat aan de inkomenseis van Naf. 1.500,00 wordt voldaan, zoals vereist volgens de geldende instructies en het toelatingsbeleid.

Verder benadrukt het Hof dat in de fase van de bestuurlijke besluitvorming moet worden aangetoond dat aan de toelatingseisen wordt voldaan, en dat dit niet voor het eerst in rechte kan worden gedaan. Het beroep op het Internationaal Verdrag ter bescherming van arbeidsmigranten faalt omdat het Koninkrijk geen partij is bij dit verdrag.

Gelet op deze overwegingen verklaart het Hof het hoger beroep ongegrond en bevestigt het de eerdere uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.

Uitspraak

132 HLAR 06/06
Datum uitspraak: 27 november 2006
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellante sub 1],
2. [appellante sub 2], beiden wonende op [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 20 januari 2006 in het geding tussen:
appellanten
en
de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao, namens de Minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden beschikkingen van 19 maart 2005, beide verzonden op 11 april 2005, heeft de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de Gezaghebber) verzoeken van appellanten om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen.
Bij uitspraak van 20 januari 2006 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 14 februari 2006, bij het Gerecht ingekomen op 3 maart 2006, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, ingekomen op 22 september 2006, heeft de Gezaghebber van antwoord gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. drs. B.W. Scheperboer, advocaat, en de Gezaghebber, vertegenwoordigd door mr. I.E.A. Doorstam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (hierna: de LTU) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de Minister van Justitie worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen. Ingevolge het bepaalde bij die aanhef en onder b kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de Minister van Justitie worden geweigerd, indien niet kan worden aangetoond dat degene, voor wie toelating wordt verzocht, over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
2.2. Appellanten klagen dat het Gerecht heeft miskend dat de Gezaghebber zich, nu hun moeder en haar Nederlandse partner een onderneming drijven en daaruit voldoende inkomsten genieten, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet over voldoende middelen van bestaan beschikken. Ter toelichting hebben zij een verklaring van de bank overgelegd.
2.2.1. De moeder beschikt over een vergunning tot tijdelijk verblijf voor verblijf bij Nederlandse partner. Dit brengt volgens het gevoerde beleid, zoals vermeld in de herziene Instructie van de Minister van Justitie aan de Gezaghebbers inzake de toepassing van de LTU en het Toelatingsbesluit, met zich dat zij en haar partner over een inkomen van Naf. 1.500,00 moeten beschikken om appellanten voor vergunningverlening in aanmerking te kunnen laten komen.
Het Gerecht heeft terecht en op goede gronden aan de door appellanten bij het beroepschrift gevoegde verklaring van de partner en aan het daarbij overgelegde uittreksel uit het Handelsregister niet die betekenis gehecht die appellanten daaraan gehecht wilden zien. De juistheid van de verklaring wordt niet door enig document van een officiële instantie gestaafd en het uittreksel uit het Handelsregister bevat geen gegevens over het inkomen van de moeder en haar partner.
Aan de voor het eerst in hoger beroep overgelegde verklaring van de bank komt evenmin de betekenis toe die appellanten daaraan gehecht willen zien, reeds omdat ook die verklaring geen gegevens over het maandelijkse inkomen van de moeder en haar partner bevat.
Overigens dient in de fase van de bestuurlijke besluitvorming aangetoond te worden dat aan de voor de gevraagde toelating gestelde eisen wordt voldaan en kan dat in de regel niet voor het eerst in rechte gebeuren.
De klacht faalt.
2.3. Het beroep van appellanten op het Internationaal Verdrag ter bescherming van alle arbeidsmigranten en van hun familieleden faalt evenzeer reeds omdat het Koninkrijk daarbij geen partij is.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.
w.g. Ter Berg
Voorzitter w.g. Martinez
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2006