ECLI:NL:OGHNAA:2010:BM4507

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
7 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HAR 79/09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 RwNed 1984Art. 1:209 BWArt. 8 EVRMRijkswet op het NederlanderschapToescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit op grond van erkenning

Verzoekster, geboren in 1975 in de Dominicaanse Republiek en erkend door een Nederlandse man in 1993, verzocht het Hof vast te stellen dat zij sinds 1994 de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij had echter niet de Nederlandse nationaliteit verkregen op basis van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Hoewel abusievelijk Nederlandse reisdocumenten aan haar waren afgegeven in 1994 en 2004, leidt dit niet tot verkrijging van het Nederlanderschap. Het Hof benadrukte dat de Rijkswet limitatief bepaalt op welke wijze het Nederlanderschap kan worden verkregen, en dat algemene beginselen zoals het vertrouwensbeginsel hier niet aan kunnen worden getoetst.

Het Hof oordeelde ook dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen recht op verkrijging van een bepaalde nationaliteit verleent en dat er geen sprake is van discriminatie. De erkenning van verzoekster door haar vader werkt niet terug tot de geboorte voor de toepassing van de Rijkswet. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het Hof wijst het verzoek af en stelt vast dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

Uitspraak

Registratienr. HAR 79/09
Uitspraak: 7 mei 2010
BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
In de zaak van:
1. [verzoekster],
verzoekster,
gemachtigde: mr. R.A. Groeneveldt,
belanghebbenden:
2. de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen,
3. het Openbaar Ministerie van de Nederlandse Antillen,
4. Hoofd Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van Sint Maarten,
5. de Gezaghebber van het Eilandgebied Sint Maarten,
gemachtigde van de belanghebbenden onder 2, 4 en 5: mr. R. Gibson Jr.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij op 31 juli 2009 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, ingediend, op 21 september 2009 bij het Hof ingekomen, verzoekschrift ingevolge artikel 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (hierna ook: RwNed), met producties, heeft verzoeker het Hof verzocht – zo begrijpt het Hof – vast te stellen dat zij sedert 7 maart 1994, althans sedert enig moment, de Nederlandse nationaliteit bezit.
1.2. De gezaghebber van het Eilandgebied Sint Maarten heeft een brief, ingekomen op 1 december 2009, ingezonden.
1.3. Bij brief van 10 december 2009 heeft de gemachtigde van verzoekster, mr. R.M. Stomp, gedesisteerd.
1.4. De voor 18 december 2009 voorgenomen behandeling is uitgesteld.
1.5. Op 17 februari 2010 is een schriftelijke conclusie, met producties, van de Advocaat-Generaal ingekomen.
1.6. Op 12 maart 2010 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn verzoekster, vergezeld van haar nieuwe gemachtigde, mr. R.A. Groeneveldt, de Advocaat-Generaal en mr. R. Gibson Jr. Mr. Groeneveldt heeft gepleit overeenkomstig een overgelegde pleitnotitie.
1.7. Ter zitting is een heden uit te spreken beschikking aangezegd.
2. Beoordeling
2.1. Verzoekster, die op [datum] 1975 geboren is in de Dominikaanse Republiek en niet de Nederlandse nationaliteit had, is op 5 juli 1993 erkend door een Nederlandse man, [naam vader], echtgenoot van haar moeder. Ten tijde van de erkenning was verzoeker dus 18 jaren oud, derhalve naar het destijds geldende Nederlands-Antilliaanse Burgerlijke Wetboek minderjarig, maar voor de toepassing van de destijds geldende Rijkswet op het Nederlanderschap meerderjarig (artikel 1 RwNed Pro 1984; de huidige Rijkswet op het Nederlanderschap bepaalt niet anders).
2.2. Verzoekster heeft derhalve het Nederlanderschap niet verkregen op basis van de bepalingen van Rijkswet op het Nederlanderschap (1984). De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname is hier niet van toepassing.
2.3. Abusievelijk is aan verzoekster door de Nederlandse ambassade in Venezuela op 7 maart 1994 een Nederlands reisdocument afgegeven. Op 23 november 2004 is door de Nederlandse ambassade in de Dominikaanse Republiek aan haar opnieuw abusievelijk een Nederlands reisdocument afgegeven.
2.4. De wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen zijn limitatief voorzien in de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (HR 11 april 1997, NJ 1997, 705). Daaronder is niet begrepen een zodanige verkrijging door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel (HR 16 september 1994, NJ 1995, 563).
2.5. Aan art. 8 EVRM Pro noch aan enige andere bepaling van het EVRM kan het recht worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit (HR 1 februari 2008, NJ 2008, 82, rov. 3.5). Van discriminatie is geen sprake aangezien in verband met de nationaliteitswetgeving minderjarige en meerderjarige kinderen niet in een relevant vergelijkbare positie verkeren.
2.6. Van een intrekking is hier geen sprake. Verzoekster heeft het Nederlanderschap nimmer gehad.
2.7. Niet valt in te zien op welke wijze verzoekster bescherming kan ontlenen aan een bezit van staat als kind van haar vader (artikel 1:209 BW Pro), aangezien haar staat volgens de geboorteakte, aangevuld met de erkenningsakte, niet afwijkt van haar staat volgens de wet. Door de met de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap belaste autoriteiten is niet betwist dat zij [naam vader] rechtsgeldig tot (juridisch) vader heeft.
2.8. Een erkenning werkt niet terug tot de geboorte, niet naar de regels van het Burgerlijk Wetboek en evenmin voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
2.9. De slotsom is dat het verzoek moet worden afgewezen.
3. Beslissing
Het Hof wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2010 op Sint Maarten, in tegenwoordigheid van de griffier.