ECLI:NL:ORBAACM:2026:11

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
AUA2025H00012
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMLandsverordening ambtenarenrechtspraak (La)Bijlage B Bezoldingsregeling Aruba 1986
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over bevordering en schadevergoeding ambtenaar Aruba

Appellant, werkzaam als bewakingsmedewerker bij de Directie Gevangeniswezen Aruba, verzocht meerdere malen om bevordering naar hogere schalen. Na eerdere afwijzingen en vernietigingen van besluiten, werd hij uiteindelijk per 1 december 2020 bevorderd naar schaal 4, terwijl het verzoek om bevordering naar schaal 5 werd afgewezen vanwege onvoldoende anciënniteit.

Het Gerecht in Ambtenarenzaken had het bezwaar van appellant tegen het landsbesluit van 27 februari 2024 ongegrond verklaard en zijn verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Appellant stelde dat het Gerecht ten onrechte had geoordeeld dat het besluit van 27 februari 2018 ook zijn verzoek van 10 januari 2018 betrof en dat hij recht had op bevordering met ingang van 16 november 2017.

De Raad van Beroep oordeelde dat het Gerecht terecht had vastgesteld dat een bevordering vóór 1 december 2020 niet mogelijk was vanwege het ontbreken van een gunstige beoordeling. Ook was het verzoek om bevordering naar schaal 5 terecht afgewezen vanwege de anciënniteitseis van vier jaar. De Raad verwierp het beroep op overschrijding van de redelijke termijn, omdat de termijn pas vanaf 28 maart 2023 liep en minder dan drie jaar bedroeg tot de uitspraak.

De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees de verzoeken om schadevergoeding af, omdat het bestreden landsbesluit op goede gronden was genomen en geen sprake was van onrechtmatige besluitvorming.

Uitkomst: De Raad bevestigt de bevordering per 1 december 2020 en wijst de schadevergoedingsverzoeken af wegens het ontbreken van overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 9 februari 2026
Zaaknummer: AUA2025H00012

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellant],

wonend in Aruba,
appellant (hierna: [appellant]),
gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
23 december 2024, AUA202400962 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.

Procesverloop

[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 15 december 2025. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1.1. [
Appellant] is met ingang van 16 mei 2005 in tijdelijke dienst aangesteld bij de Directie Gevangeniswezen Aruba. Met ingang van 27 maart 2008 is hij overgeplaatst naar de Cuerpo Special Arubana in de functie van bewakingsmedewerker (schaal 2, dienstjaar 7). Hij is met ingang van 1 september 2010 bevorderd naar schaal 3 (dienstjaar 6).
1.2.
Op 7 juni 2016 heeft [appellant] een verzoek om bevordering naar schaal 4 met ingang van 1 september 2014 ingediend. De minister van Justitie heeft dit verzoek afgewezen met een besluit van 6 december 2016. Het Gerecht heeft bij uitspraak van 18 september 2017, AUA201700101, dit besluit vernietigd omdat het onbevoegd is genomen. Bij brief van 10 januari 2018 heeft [appellant] zijn verzoek van 7 juni 2016 herhaald en een verzoek om bevordering naar schaal 5 met ingang van 1 september 2018 gedaan. Bij besluit van 27 februari 2018 is het verzoek om bevordering van 7 juni 2016 afgewezen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
1.3. [
Appellant] heeft op 1 september 2020 opnieuw verzocht om bevordering en dat verzoek op 16 november 2020 herhaald. Bij landsbesluit van 2 maart 2023 is [appellant] met ingang van 1 november 2021 bevorderd naar schaal 4. [Appellant] heeft op 28 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 maart 2023. Dit bezwaar heeft het Gerecht bij uitspraak van 13 november 2023, AUA202301178, gegrond verklaard, omdat de gouverneur heeft erkend dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan het zogenoemde “90-dagen beleid”. Het Gerecht heeft het besluit van 2 maart 2023 vernietigd en de gouverneur opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen.
1.4.
Met het landsbesluit van 27 februari 2024 (bestreden landsbesluit) is [appellant] met ingang van 1 december 2020 in zijn functie van bewakingsmedewerker bevorderd naar schaal 4 (dienstjaar 8). Het verzoek om bevordering naar schaal 5 is afgewezen.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en zijn verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Daaraan liggen de volgende overwegingen van het Gerecht ten grondslag.
Welke functie heeft [appellant]?
2.1. [
Appellant] heeft meerdere besluiten ontvangen van de gouverneur, waarin is vermeld dat [appellant] de functie van beveiligingsmedewerker vervulde. Het Gerecht heeft vastgesteld dat die besluiten steeds zijn gevolgd door correctiebesluiten waarin de juiste functie van bewakingsmedewerker is vermeld. De gouverneur heeft nooit een besluit genomen waarbij [appellant] is ontheven uit zijn functie van bewakingsmedewerker en benoemd is in de functie van beveiligingsmedewerker. [Appellant] heeft een dienstwapen gekregen. Dat is een feitelijke handeling die niet is gericht op rechtsgevolg en zeker niet kan leiden tot de conclusie dat [appellant] geacht moet worden te zijn aangesteld in de functie van beveiligingsmedewerker.
Moet [appellant] met ingang van een eerdere datum bevorderd worden?
2.2.
Naar het oordeel van het Gerecht heeft de gouverneur geen rekening hoeven houden met het verzoek om bevordering dat [appellant] heeft gedaan op 7 juni 2016. Dit verzoek en de herhaling van dit verzoek op 10 januari 2018 zijn bij een besluit van 27 februari 2018 afgewezen. Dit besluit heeft namelijk formele rechtskracht, omdat [appellant] tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt.
2.3.
Om op enig moment na 2018 in aanmerking te komen voor bevordering moet [appellant] voldoen aan de bevorderingseisen van de Bezoldingsregeling Aruba 1986 (BRA). Eén van de eisen voor bevordering naar schaal 4 is een gunstige beoordeling. Een gunstige beoordeling op 7 april 2022 heeft geleid tot een voorstel om [appellant] te bevorderen per 1 november 2021. Na een tweede gunstige beoordeling op 2 november 2022 is geadviseerd om [appellant] met ingang van 1 december 2020 te bevorderen. De gouverneur heeft als ingangsdatum van de bevordering naar schaal 4 gekozen voor de voor [appellant] meest gunstige datum van 1 december 2020. Een bevordering met ingang van een eerdere datum dan 1 december 2020 is niet mogelijk, omdat er voorafgaand aan die datum geen gunstige beoordeling van [appellant] is. Gelet op de anciënniteitseis van vier jaar in schaal 4, kan van een bevordering naar schaal 5 op het moment dat het bestreden landsbesluit is genomen nog geen sprake zijn. Op zijn vroegst kan [appellant] met ingang van 1 december 2024 worden bevorderd. De gouverneur heeft het verzoek om bevordering naar schaal 5 terecht afgewezen.
Heeft [appellant] recht op schadevergoeding?
2.4.
Het Gerecht heeft het verzoek om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. Van overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake en voor vergoeding van immateriële schade is geen grond omdat het bezwaar van [appellant] ongegrond is en het bestreden landsbesluit op goede gronden berust.
Wat heeft [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3.1.
Het Gerecht heeft ten onrechte vastgesteld dat het bestreden landsbesluit (ook) een reactie is op zijn verzoek van 10 januari 2018. [Appellant] verwijst naar de tekst van het bestreden landsbesluit waarin expliciet is overwogen dat het mede gaat om een beslissing op zijn verzoek om bevordering van 10 januari 2018.
3.2.
Volgens [appellant] heeft het Gerecht onvoldoende acht geslagen op zijn verzoek om bevordering van 16 november 2020. Op grond van dit verzoek heeft hij het recht om met ingang van 16 november 2017 te worden bevorderd.
3.3. [
Appellant] stelt zich op het standpunt dat met het bestreden landsbesluit van
27 februari 2024 is beslist op zijn verzoek om bevordering van 10 januari 2018. Dat is een periode van meer dan zes jaar. Op basis van deze vaststelling verzoekt [appellant] om schadevergoeding van Afl. 6.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, te verhogen met een bedrag van Afl. 500,- voor elk half jaar na 27 februari 2024 dat de procedure doorloopt. [Appellant] heeft ook verzocht om een schadevergoeding van Afl. 35.000,- voor immateriële schade die hij heeft geleden omdat het meer dan zes jaar heeft geduurd voordat de gouverneur een beslissing op zijn verzoek om bevordering van 10 januari 2018 heeft genomen.
Hoe oordeelt de Raad?
4.1.
De Raad merkt allereerst op dat toepassing van het “90-dagen beleid” ertoe leidt dat [appellant] met ingang van 1 mei 2015 voldoet aan de anciënniteitseis om te worden bevorderd naar schaal 4. Een andere voorwaarde om te kunnen worden bevorderd naar schaal 4 is dat sprake moet zijn van een gunstige beoordeling en over die voorwaarde gaat het in deze zaak.
4.2.
De brief van [appellant] van 10 januari 2018 bevat zowel een herhaling van zijn op 7 juni 2016 ingediende verzoek om bevordering naar schaal 4 met ingang van 1 september 2014, als een nieuw verzoek om bevordering naar schaal 5 met ingang van 1 september 2018. Met het besluit van 27 februari 2018 is gereageerd op het verzoek om bevordering van 7 juni 2016. Daarmee kan worden aangenomen dat dit besluit ook een reactie is op het herhaalde verzoek om bevordering van 10 januari 2018. In het bestreden landsbesluit is expliciet overwogen dat niet eerder is beslist op het verzoek om bevordering van 10 januari 2018. In zoverre is de aanname van het Gerecht dat met het besluit van 27 februari 2018 ook (volledig) is beslist op het verzoek van 10 januari 2018 niet juist. Uit wat hierna volgt zal blijken dat deze vaststelling geen relevante juridische gevolgen heeft en ook niet hoeft te hebben.
4.3.
Naar het oordeel van de Raad heeft het Gerecht terecht vastgesteld dat de bevordering naar schaal 4 met ingang van 1 december 2020 in stand kan blijven. Een bevordering met ingang van een tijdstip voor 1 december 2020 is niet mogelijk, omdat aan een van de vereisten voor een bevordering naar schaal 4 - een gunstige beoordeling - op dat moment niet is voldaan. Gelet op de bepalingen van (bijlage B van) het BRA geldt voor een bevordering naar schaal 5 een anciënniteitseis van vier jaar. Dat betekent dat het Gerecht ook op goede gronden heeft vastgesteld dat het verzoek om bevordering naar schaal 5 bij het bestreden landsbesluit terecht is afgewezen.
4.4.
Voor de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 van Pro het EVRM verwijst de Raad naar de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius (Hof) van 18 januari 2017 (ECLI:NL:OGHACMB:2017:64). In deze uitspraak heeft het Hof onder meer overwogen dat als de rechter (in beroep of in hoger beroep) het bestreden besluit vernietigt en het bestuursorgaan opdraagt opnieuw te besluiten, de procedure niet eindigt en er dus geen nieuwe (redelijke) termijn aanvangt. In deze situatie vangt de termijn aan op 28 maart 2023, het moment waarop [appellant] bezwaar maakt tegen het landsbesluit van 2 maart 2023. Deze termijn loopt door tot het moment waarop definitief een einde aan het geschil wordt gemaakt. In dit geval is dat 9 februari 2026, het moment waarop de Raad uitspraak doet. Van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 van Pro het EVRM is sprake als de totale duur van de termijn meer bedraagt dan vier jaar. De periode tussen 28 maart 2023 en de datum van deze uitspraak is minder dan drie jaar en daarmee staat vast dat van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is. Aldus bestaat er in dit verband geen grond voor toewijzing van de door [appellant] verzochte schadevergoeding. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.
4.5.
De Raad herhaalt wat het Gerecht in 6.1 heeft overwogen. Het bestreden landsbesluit is op goede gronden genomen en is niet in strijd met het recht. Van een schadevergoedingsplicht voor de gouverneur op grond van onrechtmatige besluitvorming is dus geen sprake. Het verzoek om immateriële schadevergoeding van Afl. 35.000,- moet reeds hierom worden afgewezen.

Conclusie

5.1.
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5.2.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad van Beroep:
-
bevestigtde aangevallen uitspraak;
-
wijstde verzoeken om veroordeling tot schadevergoeding
af.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.