ECLI:NL:ORBAACM:2026:16

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AUA2025H00031
Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inpassingsbesluit en voorwaarden ziekteverzuim bij reorganisatie DGWA

Appellante werkt sinds 2008 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba en werd in 2019 geconfronteerd met een reorganisatie waarbij zij per 1 januari 2021 werd ingepast in een nieuwe functie en bevorderd naar schaal 7. Tegelijk werd zij ontheven uit die functie en aangesteld als ploegcommandant detentie, onder de voorwaarde dat zij meewerkt aan een ziekteverzuimverbetertraject.

Appellante maakte bezwaar tegen het inpassingsbesluit, met name tegen de voorwaarde dat het ziekteverzuimpercentage moet worden verlaagd en tegen de hoogte van haar bezoldiging. Het Gerecht verklaarde het bezwaar deels gegrond en oordeelde dat de voorwaarde omtrent verlaging van het ziekteverzuimpercentage rechtsonzeker is. Het Gerecht beval een nieuw besluit over de voorwaardelijke aanstelling.

In hoger beroep betoogde appellante dat het rangenstelsel zonder wettelijke grondslag niet nadelig op haar mocht worden toegepast en dat zij onterecht niet als ploegcommandant werd bezoldigd. De Raad van Beroep oordeelde dat het beleid niet nadelig is toegepast, dat de bevordering naar schaal 7 terecht is en dat de aanstelling als ploegcommandant een carrièrefunctie betreft waarvoor aanvullende bevorderingsvereisten gelden. Het bezwaar over epauletten werd buiten de omvang van het geding verklaard.

De Raad bevestigde de uitspraak van het Gerecht en het bestreden landsbesluit, en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Raad van Beroep bevestigt het inpassingsbesluit en de voorwaarde tot medewerking aan het ziekteverzuimverbetertraject, en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 9 februari 2026
Zaaknummer: AUA2025H00031

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellante],

wonend in Aruba,
appellante ([appellante]),
gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van
30 januari 2025, AUA202303435 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellante]
en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde (hierna: de gouverneur),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.

Procesverloop

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld.
De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 16 december 2025. [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1.1. [
Appellante] werkt sinds 1 juli 2008 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGWA) in de functie van gevangenisinrichtingswerker. Met ingang van 1 juli 2012 is zij bevorderd naar schaal 6.
1.2.
Na goedkeuring op 20 augustus 2019 van het formatierapport DGWA 2019, is bij besluit van 1 november 2019 (de nieuwe organisatie van) de DGWA ingesteld. Op 18 mei 2021 is het besluit genomen de reorganisatie van DGWA met ingang van 1 januari 2021 te implementeren.
1.3.
Met het landsbesluit van 1 september 2023 (inpassingsbesluit) is [appellante] met ingang van 1 januari 2021 ingepast in de functie van penitentiair inrichtingswerker, en bevorderd naar schaal 7, dienstjaar 9. Met ingang van diezelfde datum is zij ontheven uit die functie en aangesteld als ploegcommandant detentie, onder de voorwaarde dat zij haar ziekteverzuimpercentage verlaagt door mee te werken aan een ziekteverzuimverbetertraject (onderdeel III). Verder is besloten [appellante] terug te plaatsen in de functie van penitentiair inrichtingswerker, als zij niet meewerkt aan het ziekteverzuimverbetertraject en haar ziekteverzuimpercentage niet verlaagt (onderdeel IV).
1.4. [
appellante] heeft tegen het inpassingsbesluit bezwaar gemaakt.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellante] deels gegrond verklaard, voorzover gericht tegen de onderdelen III en IV van het inpassingsbesluit. Daarbij heeft het Gerecht het volgende overwogen.
2.1.
De Raad verwijst allereerst naar de onderdelen 2 en 3 van de aangevallen uitspraak, gepubliceerd onder nr. ECLI:NL:OGAACMB:2025:16, waarin het Gerecht de belangrijkste uitgangspunten bij de reorganisatie heeft verwoord en de juridische grondslag van het inpassingsbesluit heeft uiteengezet.
2.2.
Het Gerecht heeft vervolgens vastgesteld dat een wettelijke grondslag voor het gehanteerde rangenstelsel geheel dan wel grotendeels ontbreekt. Het door de gouverneur bij de reorganisatie en inplaatsingsbesluiten gehanteerde rangenstelsel, met bijbehorende schalering en bevorderingseisen heeft het Gerecht daarom aangemerkt als beleidsregels.
2.3.
De gouverneur heeft naar het oordeel van het Gerecht, gelet op het hoge ziekteverzuim van [appellante], niet onredelijk gehandeld door aan de aanstelling als ploegcommandant detentie de voorwaarde te verbinden dat [appellante] meewerkt aan een ziekteverzuimverbetertraject. De gouverneur heeft aan die voorwaarde niet ook de voorwaarde mogen koppelen dat het ziekteverzuimverbetertraject moet leiden tot een verlaging van het ziekteverzuimpercentage. Dit onderdeel van de voorwaarde is volgens het Gerecht rechtsonzeker. Medewerking aan een ziekteverzuimverbetertraject houdt namelijk geen garantie in dat het ziekteverzuimpercentage wordt verlaagd en het is onduidelijk met hoeveel procent het ziekteverzuim moet zijn verlaagd om terugplaatsing naar de functie van penitentiair inrichtingswerker te voorkomen.
2.4.
Het Gerecht heeft de gouverneur opgedragen om een nieuw besluit te nemen over de voorwaardelijke aanstelling als ploegcommandant detentie, om te voorkomen dat [appellante] door het maken van bezwaar in een slechtere positie komt te verkeren. Het Gerecht gaat er daarbij vanuit dat [appellante] in de periode die nodig is om een nieuw landsbesluit te nemen haar werk als ploegcommandant detentie blijft uitoefenen.
2.5.
Het bezwaar van [appellante] tegen de hoogte van haar bezoldiging heeft het Gerecht afgewezen. In de nieuwe formatiestructuur zijn aan de functie van penitentiair inrichtingswerker de schalen 3 tot en met 7 verbonden en aan de functie van ploegcommandant de schalen 7 tot en met 9. [Appellante] is met ingang van 1 januari 2021 bevorderd naar schaal 7 en gelet op het, kort samengevat, geldende juridische kader kan zij pas met ingang van 1 januari 2023 worden bevorderd. Op dat moment voldoet zij, theoretisch, aan de anciënniteitseis van twee jaar, en bevordering is dan mogelijk als ook aan de overige eisen voor bevordering is voldaan.
Wat heeft [appellante] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3.1. [
Appellante] heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak en het bestreden landsbesluit niet in stand kunnen blijven, omdat het rangenstelsel dat geen wettelijke grondslag heeft en als beleid aangemerkt dient te worden, niet in het nadeel van [appellante] kan worden toegepast. [Appellante] stelt dat de gouverneur heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, door haar niet net als haar collega’s te bezoldigen als ploegcommandant. Het Gerecht heeft ten onrechte haar bezwaar over de epauletten buiten de omvang van het geding verklaard.
Hoe oordeelt de Raad?
4.1.
De Raad heeft in wat in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om anders te oordelen dan het Gerecht heeft gedaan en volstaat met het maken van enkele opmerkingen.
4.2.
Het argument over het niet ten nadele kunnen strekken van het beleid als gevolg van het rangenstelsel zonder wettelijke grondslag kan alleen betekenis hebben bij de inpassing van [appellante] in de functie van penitentiair inrichtingswerker. Deze inpassing heeft geleid tot bevordering naar schaal 7. De functie van penitentiair inrichtingswerker is in het formatierapport maximaal gewaardeerd op schaal 7 en [appellante] voldeed aan alle vereisten om te worden bevorderd van schaal 6 naar schaal 7. De Raad stelt vast dat toepassing van het beleid in dit geval niet nadelig, maar voordelig is voor [appellante]. Een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden landsbesluit zou tot gevolg hebben dat dit voordeel bij [appellante] wordt weggenomen.
4.3.
Vaststaat dat [appellante] in de functie van penitentiair inrichtingsmedewerker met ingang van 1 januari 2021 is bevorderd naar schaal 7. De aanstelling in de functie van ploegcommandant detentie heeft niet geleid tot aanpassing van de bezoldiging. De functie van ploegcommandant detentie is geen benoemde functie, maar een carrièrefunctie. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie naast de in de aangevallen uitspraak genoemde uitspraken ook de uitspraak gepubliceerd in: ECLI:NL:ORBAACM:2021:33) is bevordering in een carrièrefunctie alleen mogelijk als aan alle vereisten voor bevordering is voldaan. In dit geval geldt een anciënniteitseis van twee jaar in schaal 7, voordat een bevordering naar schaal 8 kan plaatsvinden.
4.4.
Het bestreden landsbesluit handelt niet over epauletten. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat dit bezwaar buiten de omvang van het geding valt.

Conclusie

5.1.
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5.2.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad
bevestigtde aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en
mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.