Appellante werkt sinds 2008 bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba en werd in 2019 geconfronteerd met een reorganisatie waarbij zij per 1 januari 2021 werd ingepast in een nieuwe functie en bevorderd naar schaal 7. Tegelijk werd zij ontheven uit die functie en aangesteld als ploegcommandant detentie, onder de voorwaarde dat zij meewerkt aan een ziekteverzuimverbetertraject.
Appellante maakte bezwaar tegen het inpassingsbesluit, met name tegen de voorwaarde dat het ziekteverzuimpercentage moet worden verlaagd en tegen de hoogte van haar bezoldiging. Het Gerecht verklaarde het bezwaar deels gegrond en oordeelde dat de voorwaarde omtrent verlaging van het ziekteverzuimpercentage rechtsonzeker is. Het Gerecht beval een nieuw besluit over de voorwaardelijke aanstelling.
In hoger beroep betoogde appellante dat het rangenstelsel zonder wettelijke grondslag niet nadelig op haar mocht worden toegepast en dat zij onterecht niet als ploegcommandant werd bezoldigd. De Raad van Beroep oordeelde dat het beleid niet nadelig is toegepast, dat de bevordering naar schaal 7 terecht is en dat de aanstelling als ploegcommandant een carrièrefunctie betreft waarvoor aanvullende bevorderingsvereisten gelden. Het bezwaar over epauletten werd buiten de omvang van het geding verklaard.
De Raad bevestigde de uitspraak van het Gerecht en het bestreden landsbesluit, en wees een veroordeling in proceskosten af.