Uitspraak
gemachtigde [A],
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid die olie raffineert en levert aan buitenlandse afnemers, betwistte naheffingsaanslagen belasting op bedrijfsomzetten (LBBO) voor januari en februari 2007. De kern van het geschil betrof de plaats van levering van de olieproducten, de rechtmatigheid van de belastingheffing onder internationale verdragen en het gelijkheidsbeginsel.
De Raad stelde vast dat de plaats van levering ingevolge artikel 6 LBBO Pro Aruba is, omdat het vervoer van de goederen in direct verband staat met de levering, ook al gaat het eigendom pas over nadat het schip internationale wateren bereikt of de haven van bestemming. Het beroep op het recht op eigendom uit artikel 1 Prot Pro. 1 EVRM en artikel 1.19 van de Staatsregeling Aruba faalde, aangezien belastingheffing binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de staat valt.
Verder oordeelde de Raad dat de belastingheffing niet in strijd is met het LGO-Besluit, het gelijkheidsbeginsel of het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten. De vrijstelling voor bedrijven in een vrije zone geldt niet voor belanghebbende, en het beroep op discriminatie werd verworpen. De naheffingsaanslagen werden verminderd na beroep, en de boetebeschikking voor januari 2007 werd vernietigd.
Uitkomst: Naheffingsaanslagen belasting op bedrijfsomzetten gehandhaafd na vermindering; boetebeschikking januari 2007 vernietigd.