Conclusie
niet in geschil(ik volg de formulering van Hof 's-Hertogenbosch 13 februari 1976, B.N.B. 1976/269, Vakstudie-Nieuws (V.-N.) 18 december 1976, punt 17), ‘’dat ..... vóór de betaling van ….. het handgeld belanghebbende en voetbalspeler mondeling een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan. De belanghebbende spreekt dan ook in haar beroepschrift in cassatie, blz. 2, onder 1, over ‘’de tussen de betreffende speler en N.E.C. zojuist tot stand gekomen privaatrechtelijke dienstbetrekking’’. In dit opzicht is de situatie derhalve gelijk aan die in H.R. 3 november 1965, B.N.B. 1966/12, en Hof 's-Hertogenbosch 13 februari 1976, B.N.B. 1976/269, en verschillend van die in H.R. 12 april 1967, B.N.B. 1967/144 met noot H.J. Hofstra, F.E.D., I.B.: Art. 17:25 met Pro noot S. Stoffer, Het Financieele Dagblad 18 augustus 1967, Tijdschrift voor Vennootschappen, Verenigingen en Stichtingen, december 1967, jaargang 10 blz. 325 met noot C. van Soest, Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie 5017 d.d. 23 november 1968, jaargang 99, blz. 486 met mijn noot, De Naamlooze Vennootschap, april 1970, jaargang 48, blz. 7 met noot Hofstra; 13 december 1967, B.N.B. 1968/27, en 29 mei 1968, B.N.B. 1968/152.
nahet omschreven tijdvak hebben plaatsgehad niet aan de orde, of de naheffingstermijn overschreden is. Evenmin wordt aangevoerd, dat over enig tijdvak tevens te veel loonbelasting afgedragen zou zijn, in welk geval de vraag zou kunnen rijzen, of dat meerdere met het nageheven bedrag in vergelijking zou kunnen worden gebracht. En ten slotte is ook niet betoogd, dat over dezelfde bedragen ook uit anderen hoofde loon en/of inkomstenbelasting geheven zou zijn.
concludeerik tot verwerping van het beroep.