Conclusie
[verzoeker] ging in hoger beroep en voerde twee grieven aan, door het hof weergegeven in r.o. 2:
"I. "Ten onrechte heeft de eerste rechter aangenomen, dat [betrokkene 1] op 30 december 1977 aan het Handelsregister heeft opgegeven, dat hij als directeur van
geïntimeerde was uitgetreden"; en
II. "Ten onrechte heeft de eerste rechter overwogen, dat niet is bewezen, dat [betrokkene 1] op 24 januari 1978 nog directeur van geïntimeerde was, en vervolgens
aan appellant zijn vorderingen ontzegd"."
Het hof oordeelde, in r.o. 2, de beide grieven gegrond en onderzocht vervolgens, in r.o. 3, " ….. het in eerste aanleg door geïntimeerde voorgedragen verweer ….. dat [betrokkene 1] op 24 januari 1978 als directeur niet bevoegd was tot het aangaan van een overeenkomst van koop en verkoop van de litigieuze draaibanken ….. omdat ten aanzien van de verkoop van machinerieën uitdrukkelijk was besloten, dat de directie daartoe alleen bevoegd zou zijn na toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders." Vervolgens oordeelde het hof dit verweer in r.o. 3 gegrond. Het beroepen vonnis werd door het hof bevestigd bij vonnis van 15 september 1981.
[verzoeker] heeft zich in cassatie voorzien en bestrijdt het vonnis van het hof met de middelen I (1-3), II (1-11), III (1-4), IV (1-3), V (1-4), VI (1-3; het tweede onderdeel 2 moet kennelijk het nummer 3 hebben) en VII (abusievelijk schrijft het cassatierekest: VI; 1-3).
Middel Ibevat in de
onderdelen 1 en 2geen klacht.
Onderdeel 3verwijt het hof miskenning van zijn taak als appèlrechter en het treden buiten de rechtsstrijd van partijen, door in r.o. 3 het aldaar bedoelde, in eerste aanleg gevoerde maar in hoger beroep niet herhaalde verweer te onderzoeken.
uitdrukkelijkeherhaling of handhaving van een in eerste aanleg gevoerd verweer een onnodig formalisme betekent. In zijn memorie van grieven had [verzoeker] geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot toewijzing van de vorderingen. De memorie van grieven stelde het hof dus voor de vraag of de vorderingen van [verzoeker] , in geval van gegrondbevinding van de grieven, toewijsbaar waren. Op deze wijze anticipeerde die memorie mede op een mogelijke herhaling of handhaving door de vennootschap van al haar relevante verweren die aan toewijzing van de vorderingen van [verzoeker] in de weg konden staan, en strekte die memorie bij voorbaat tot verwerping daarvan. [verzoeker] kan dan ook niet gezegd worden door het door het hof verrichte onderzoek naar het onderhavige verweer te zijn "overvallen met een onbekend betoog", zoals in de conclusie O.M. voor HR 10 november 1967, NJ 1968, 84, p. 319, - in het voetspoor van de M.v.T., p. 4, op na te noemen Landsverordening d.d. 4 augustus 1956 - wordt gezegd voor een andere casus, nl. ambtshalve vernietiging (die niet mogelijk is: HR 11 maart 1966, NJ 1966, 330, op het eerste middel). Dat de appèlgrieven zelf zich slechts richtten tegen het vonnis van de eerste rechter voor zover appellant daardoor was bezwaard (zie Rutten, diss. p. 17), en, naar het hof – dat ook grief II, klagend over ontzegging van de vordering, als "terecht voorgedragen" beschouwt – blijkbaar oordeelt, het onderhavige verweer niet in de rechtsstrijd in hoger beroep betrokken, doet daaraan niet af. Dat zo zijnde moet de vennootschap, in hoger beroep concluderende tot bevestiging van het beroepen vonnis, worden geacht dat ook te hebben gedaan voor het geval de appèlrechter de grieven gegrond zal bevinden, en derhalve al haar in eerste instantie nog niet besliste verweren te hebben gehandhaafd, nu zij die niet uitdrukkelijk heeft prijsgegeven. Het hof heeft het klaarblijkelijk ook zo gezien, al ontbreekt in zijn vonnis een overweging die daarvan met zoveel woorden blijk geeft. Ik zie geen belang van een goede procesorde noch enig rechtens te respecteren belang van de appellerende partij, dat de eis van een explicite formule tot herhaling of handhaving van eerder gevoerde verweren kan rechtvaardigen.
middel Igeen succes hebben.
middelen II en IIIkeren zich tegen r.o. 3, luidende:
" 3. Thans dient het in eerste aanleg door geïntimeerde voorgedragen verweer te worden onderzocht, dat [betrokkene 1] op 24 januari 1978 als directeur
niet bevoegd was tot het aangaan van een overeenkomst van koop en verkoop van de litigieuze draaibanken Meuser en Wohlemberg omdat ten aanzien van de
verkoop van machinerieën uitdrukkelijk was besloten, dat de directie daartoe alleen bevoegd zou zijn na toestemming van de algemene vergadering van
aandeelhouders.
Overgelegd zijn in – niet betwiste – vertaling notulen van een bespreking van 1 juni 1976, waarbij appellant aanwezig was als vertegenwoordiger van een
aandeelhouder. Uit deze notulen blijkt dat de bevoegdheid van de directeuren ten aanzien van de verkoop van machines – beperkt was in die zin dat die
bevoegdheid slechts door de algemene vergadering van aandeelhouders kon worden uitgeoefend. Nu appellant van deze beperking op de hoogte was en zich
daar blijkens de onderhavige notulen niet tegen heeft verzet en hij desondanks de onderhavige overeenkomst met de toen nog als directeur fungerende [betrokkene 1] heeft gesloten, is dit verweer gegrond."
Middel II, dat van een andere lezing van 's hofs vonnis uitgaat, ontbeert dan feitelijk grondslag.
Middel IIIbevat de klacht dat het hof heeft miskend, dat de voren bedoelde bevoegdheidsbeperking niet steunt op de wet en evenmin op de akte van oprichting en daarom niet mag worden aanvaard.
concordantiebeginsel (waarover o.m. A.J.M. Kunst, "Receptie en concordantie van recht", 1973). Verg. voor bijzondere gevallen: HR 1 april 1971, NJ 1972, 115 (E.A.A.L.), en HR 13 maart 1981, NJ 1982, 57 (W.M.K.). Derhalve moet worden onderzocht welk resultaat toepassing van art. 47-oud (Ned.) K. op de onderhavige zaak heeft. Opgemerkt zij dat dit voorschrift thans is vervangen door de artt. 129 en 130: 2 NBW.
nietop de wet of de statuten berustende interne beperking van de (wettelijke) vertegenwoordigingsbevoegdheid van een bestuurder, zoals een vereiste van toestemming door de a.v., geen externe werking, zodat zo’n beperking door de naamloze vennootschap niet aan een derde, met wie die bestuurder een onder die beperking vallende overeenkomst had gesloten, kon worden tegengeworpen. Dit is tot uiting gebracht door HR 5 januari 1979, NJ 1979, 317 (Ma.), gewezen onder vigeur van de (oude) Wet op de stichtingen die in art. 8 een Pro regel bevatte van dezelfde strekking als art 47-oud K. In deze zin: Van der Heijden-Van der Grinten, "Handboek voor de n.v. naar Ned.recht" (1955), p. 397-399; 403; 415; Löwensteyn, "Wezen en bevoegdheid van het bestuur van de vereniging en de naamloze vennootschap" (diss. 1959), p. 61 e.v. en 191: de a.v. kan niet, met opzijzetting van wet en statuten, de macht en de bevoegdheden van het bestuur beperken; Löwensteyn in de losbladige "Rechtspersonen", aant. 1, p. 1-2, op art 130: alleen Pro de statuten kunnen – onder departementale controle – de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur beperken. De overeenkomst tussen [betrokkene 1] en [verzoeker] "geldt als" (HR-1979) een overeenkomst tussen de vennootschap en [verzoeker] , ondanks de interne bevoegdheidsbeperking van eerstgenoemde. Alleen indien sprake zou zijn van "misbruik van bevoegdheid" zou er, aldus het arrest van 1979, anders geoordeeld moeten worden. Voorts is denkbaar dat de derde, i.c. [verzoeker] , een onrechtmatige daad jegens de vennootschap pleegt door met haar bestuurder te contracteren, of dat de derde in strijd handelt met de goede trouw door zich op de overeenkomst te beroepen. Zie Asser-Van der Grinten 2-II (1980), p. 68-69; Maeijer in zijn noot onder het arrest van 1979 en in Maeijer en Ronse, "De vertegenwoordiging van rechtspersonen naar Nederlands en Belgisch recht" (1978), p. 32. Naar mijn mening doen geen van deze uitzonderingsgevallen zich hier voor. De omstandigheden waarop het hof zich baseert, nl. dat [verzoeker] van de bevoegdheidsbeperking op de hoogte – en in die zin niet "te goeder trouw" – was en zich daartegen niet heeft verzet, maken hem nog niet "te kwader trouw" in de zin van art. 1374 lid Pro 3 B.W. en bestempelen zijn optreden ten deze niet tot onrechtmatige daad. Omtrent "samenspanning" tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] in het nadeel van de vennootschap heeft het hof niets vastgesteld. Ook overigens blijkt van "misbruik van bevoegdheid" (HR-1979) door [betrokkene 1] niet. Vergl. Van Schilfgaarde in de losbladige "Rechtspersonen" I, Algemene inleiding, par. 6., aant. 22: Löwensteyn, diss. p. 170 e.v., over misbruik van bestuursmacht. [verzoeker] was bestuurder van een der aandeelhouders van de vennootschap en het was in die hoedanigheid dat hij de "notulen" van 1 juni 1976 heeft ondertekend. Hij sloot de in dit geding bedoelde transactie echter voor eigen rekening af en derhalve wèl als "de eerste de beste" derde, zij het dan een derde die de litigieuze bevoegdheidsbeperking van [betrokkene 1] kende.
middel IIImitsdien gegrond.
middelen IV tot en met VIIonbesproken blijven, nu [verzoeker] daarbij geen belang heeft.
middel IIItot vernietiging van het vonnis van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen d.d. 15 september 1981 en tot verwijzing van de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling met inachtneming van het door de Hoge Raad te wijzen arrest, zulks met verwijzing van thans gerekestreerde in cassatie ( [de vennootschap] N.V.) in de op de voorziening gevallen kosten.