Conclusie
f3.160,-- per maand, van 1 juli 1983 af
f3.316,-- per maand.
f762,--, daarbij overwegende dat de betalingsverplichting voor de bijkomende en algemene voorzieningen buiten het aan de HC voorgelegde geschil stonden. Bij de vaststelling van de kale huur op dit bedrag per maand (hetgeen een aanmerkelijke verlaging inhield want per 1 augustus 1982 bedroeg die huurprijs
f1.295,-- per maand) heeft [verzoekster] zich neergelegd zonder daarmee te hebben willen erkennen dat op de rechtsverhouding tussen partijen de Huurprijzenwet Woonruimte (HPW) van toepassing is.
f913,62 per maand, zulks terwijl hetgeen [verzoekster] aan de huurder terzake in rekening had gebracht een bedrag van
f2.398,-- per maand beliep.
f3.160,-- per maand.
dathet huurelement prevaleert maar de daaraan verbonden gevolgtrekking dat de overeenkomst van partijen er een is in de zin van artikel 1623a B.W. en dat de HPW van toepassing is op die overeenkomst, wordt rechtens onjuist geacht, zou althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn.
diedienstverleningsaspecten niet te verdiepen. Ook deze gedachtengang is niet onbegrijpelijk, behoeft geen nadere motivering en is zeker niet "rechtens onjuist".
onredelijk worden die vergoedingen niet door daarbij winstopslag in rekening te brengen.
in de normale gevallenscherp te onderscheiden, zoals uit het geharrewar over en weer in deze procedure ook wel blijkt.
verzorgingsdienstenin de totale "huur"prijs op te nemen - wanneer het in feite om huur gaat, huur prevaleert dus - als de prijs daarvan naar redelijkheid mèt winstopslag mag worden vastgesteld?