Conclusie
1.Feiten en procesverloop
De ondergetekenden
geen splitsing
Aan te besteden opdracht
LNV draagt aan de Opdrachtnemer op, gelijk de Opdrachtnemer van LNV aanvaardt, de exploitatie van het restaurant van Kasteel [A] , verzorging van de banquetingactiviteiten van Kasteel [A] en de verzorging van de personeelsvoorzieningen voor de medewerkers en vrijwilligers van Kasteel [A]") de nadruk op de catering: publiekscatering, de banquetingactiviteiten en de verzorging van de personeelsvoorzieningen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken hebben ook op deze drie onderdelen van de opdracht (welke onderdelen niet elkaar samenhangen en zich niet voor splitsing lenen) betrekking. De bepalingen die zien op de ter beschikking te stellen ruimten zijn in de overeenkomst van ondergeschikte betekenis; vrijwel alle bepalingen van de overeenkomst zijn gericht op het uitvoeren van cateringdiensten.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
understatementom te zeggen dat het lastig is om in een concreet geval te bepalen wanneer een dergelijk oordeel gegeven moet worden. Maar het is goed voorstelbaar dat er behoefte bestaat aan de mogelijkheid van een dergelijk oordeel gezien het bij 2.3.3 opgemerkte over het verschil in rechtsgevolgen.
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2betoogt, heeft het hof niet miskend dat volgens artikel 6:215 BW Pro als uitgangspunt geldt dat de in aanmerking komende wetsbepalingen in beginsel naast elkaar (kunnen en) moeten worden toegepast (het cumulatiestelsel). Het hof heeft in rov. 4.9 – in zoverre in cassatie onbestreden – immers geoordeeld dat de voor beide overeenkomsten gegeven bepalingen in het onderhavige geval niet wel verenigbaar zijn, dan wel de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst(en) zich tegen toepassing verzet. Dit oordeel brengt, ingevolge de tweede zin van artikel 6:215 BW Pro, met zich dat het cumulatiestelsel niet dient te worden toegepast. Pas na deze vaststelling heeft het hof, teneinde de dan – zonder toepassing van het cumulatiestelsel – toepasselijke rechtsregel te bepalen, onderzocht of één van de twee met elkaar samenhangende overeenkomsten prevaleert. Voor zover het onderdeel zou betogen dat artikel 6:215 BW Pro met zich brengt dat in geval van samenhangende overeenkomsten altijd het cumulatiestelsel dient te worden toegepast berust dit, gezien de tweede zin van artikel 6:215 BW Pro, op een verkeerde rechtsopvatting.
subonderdeel 1.2). De wetgever heeft met het schrappen van de – tot aan het nieuwe huurrecht geldende – strekkingsbepaling van artikel 7A:1624 lid 1 (oud) BW niet beoogd de daarin neergelegde beschermingsgedachte te laten vervallen onder de vigeur van artikel 6:215 BW Pro. Aldus kunnen – volgens het onderdeel – bij een gemengde overeenkomst de dwingendrechtelijke bepalingen van huur van bedrijfsruimte niet worden ontdoken/buiten effect gesteld door in de gemengde overeenkomst vooral (overwegend) elementen van andere bijzondere overeenkomsten op te nemen (zie
subonderdeel 1.3en
subonderdeel 1.4voor zover dat de voorgaande klachten herhaalt).
subonderdeel 1.4, dat het hof in rov. 4.8 t/m 4.10 van oordeel was dat voor het buiten toepassing laten van de dwingende huurbescherming voldoende is dat de Staat bij het aangaan van de overeenkomst beoogde één overeenkomst te sluiten en niet twee. Dit subonderdeel klaagt voorts vergeefs dat het hof geen der (limitatieve) uitzonderingen van artikel 6:215 BW Pro heeft vastgesteld die zijn bestreden oordeel zou kunnen dragen.
onderdeel 2is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof enerzijds oordeelt dat sprake is van een gemengde overeenkomst (rov. 4.7) en anderzijds dat deze overeenkomst niet kan worden gesplitst (rov. 4.8), omdat – kort gezegd − de vraag of een gemengde overeenkomst mede kan worden aangemerkt als een huurovereenkomst niet alleen moet worden beoordeeld naar hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in de gegeven omstandigheden voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst en de daaraan voorafgegane (aanbestedings)stukken, maar ook naar de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. [22]
subonderdeel 2.5, voor zover daarin eveneens wordt gewezen op deze veronderstelde tegenstrijdigheid (voor het overige herhaalt dit subonderdeel onderdeel 1).
subonderdeel 2.1voor zover daarin wordt verondersteld dat het hof de in rov. 4.8 bedoelde maatstaf ook heeft gehanteerd in rov. 4.9 om de verhouding tussen de opdracht en de huur in de gemengde overeenkomst te bepalen.
subonderdeel 2.1 (slot).
Subonderdeel 2.3 (eerste deel)acht het oordeel in rov. 4.8 onbegrijpelijk omdat [eiseres] heeft aangevoerd dat partijen twee nevengeschikte overeenkomsten hebben beoogd en feitelijk als zodanig hebben uitgevoerd.
Subonderdeel 2.6bevat een op de voorgaande onderdelen voortbouwende klacht en volgt het lot daarvan.