Conclusie
Korte beschrijving van de zaak.
Met betrekking tot het tweede geschilpunt'', blzz. 11 e.v.), heeft beslist, dat het bedrijfsmatig geëxploiteerd wordt, zodat deswege investeringsaftrek moet worden toegepast.
Inzage van boeken en bescheiden onder vigeur van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 (I.B. '14).
Inzage van boeken en bescheiden onder vigeur van de Wet op de Dividend- en Tantième-belasting 1917, Stb. 1918, 4 (DTB '17).
Inzage van boeken en bescheiden tussen 1940 en 1952.
Inzage van boeken en bescheiden onder vigeur van de Wet van 23 april 1952, Stb. 191, houdende bepalingen inzake vervanging van het fiscale noodrecht.
Inzage van boeken en bescheiden onder vigeur van de AWR.
De bestreden beslissing
alhaar activiteiten die …... voor de heffing van vennootschapsbelasting aan Nederland zijn toegewezen, aangifte heeft gedaan, is het noodzakelijk de jaarstukken te raadplegen. b. De vraag of de kosten verdeling (‘’kosten hoofdkantoor'') acceptabel is kan slechts beantwoord worden indien inzage wordt verkregen in de jaarstukken. c. ….. Voor een adequate beoordeling van het karakter van het in Nederland aangehouden onroerend goed is kennisneming van de jaarstukken van de A.G. ..... onontbeerlijk. Immers ... de volgende situaties laten zich denken. I. De A.G. oefent (buiten het beleggen in onroerend goed in Nederland) geen activiteiten uit. Alsdan dient het onroerend goed aangemerkt te worden als ‘’niet ondernemend-vermogen'' waarop de investeringsfaciliteit niet van toepassing is. II. De A.G. oefent (elders ter wereld) een bedrijf uit dat niets te maken heeft met de exploitatie van onroerend goed in Nederland. Bijvoorbeeld omdat dit laatste slechts wordt aangehouden ter belegging van overtollige liquiditeiten. Deze situatie is in casu niet geheel denkbeeldig omdat de A.G. het onroerend goed blijkens de ‘’Nederlandse'' jaarstukken met eigen vermogen heeft gefinancierd. Onder de geschetste omstandigheden is wederom geen ruimte voor de investeringsfaciliteit. III. De A.G. oefent een bedrijf uit in welks verlengstuk het aanhouden van het Nederlandse onroerend goed ligt. Onder zodanige omstandigheden kan het onroerend goed als een bedrijfsmiddel in materiele zin gekwalificeerd worden, en bestaat ruimte voor de investeringsfaciliteit.''
met betrekking tot het eerste geschilpunt'', 9e-15e al., blz. 9),
Beoordeling van de bestreden beslissing.
Conclusie.