ECLI:NL:PHR:1987:AC0501
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van begin van uitvoering bij poging tot overval op grenswisselkantoor
In deze zaak stond centraal of het gedrag van verdachte en zijn medeverdachte, die zich gewapend en gemaskerd in een gestolen auto met draaiende motor nabij een grenswisselkantoor hadden opgesteld met de bedoeling een werknemer te overvallen, reeds het begin van uitvoering van het delict vormde. De werknemer opende het gebouw niet en waarschuwde de politie, waardoor de overval niet kon worden uitgevoerd.
De rechtbank en de rechter-commissaris kwalificeerden het gedrag als voorbereiding en wezen de vordering tot inbewaringstelling af. Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in en voerde aan dat het handelen van de verdachten als een manifeste gedraging gericht op onmiddellijke uitvoering van het delict moest worden beschouwd, waarbij de indruktheorie en de leer van uiterlijke verschijningsvorm werden aangehaald.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel het gedrag dicht bij een pogingshandeling lag, het ontbreken van een direct contact met het toekomstige slachtoffer en het feit dat de verdachten in de auto bleven en geen concrete uitvoeringshandeling verrichtten, het handelen als voorbereiding moest worden aangemerkt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de afwijzing van de inbewaringstelling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het handelen van de verdachten is voorbereiding en geen begin van uitvoering.