ECLI:NL:PHR:1987:AD0051

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 1987
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
7235 rek.nr
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 386 Boek 1 BWArt. 349 Boek 1 BWArt. 402a Boek 1 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van curatormachtiging en terugwerkende kracht in alimentatiegeschil

In deze zaak gaat het om een alimentatiegeschil tussen een vrouw en een man die onder curatele is gesteld. De man was verplicht alimentatie te betalen, welke meerdere malen werd aangepast. De vrouw ging in hoger beroep tegen een beschikking die de alimentatie verlaagde. De curator van de man trad op in de procedure, maar beschikte aanvankelijk niet over de vereiste machtiging van de kantonrechter om in rechte op te treden.

De rechtbank had de ontvankelijkheid van de curator niet onderzocht en het hof nam de machtiging die tijdens de procedure werd verkregen aan als voldoende, zonder expliciet te oordelen over het ontbreken daarvan in eerste aanleg. De vrouw stelde dat dit onrechtmatig was en dat de curator niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.

De Hoge Raad overweegt dat het mogelijk is dat een machtiging die tijdens de procedure wordt verleend, terugwerkende kracht kan hebben en het ontbreken van een machtiging in eerste aanleg kan dekken. Hoewel het hof dit niet expliciet heeft gemotiveerd, leidt dit niet tot vernietiging van het arrest omdat het hof de zaak inhoudelijk heeft beoordeeld en de beschikking van de rechtbank heeft vernietigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de curator met terugwerkende kracht ontvankelijk is door de tijdens de procedure verkregen machtiging.

Conclusie

PN
Rekest nr. 7235
Wijziging alimentatie
Parket, 18 september 1987
Mr. Verburg
Conclusie inzake:
[de vrouw]
tegen
[de curator] Q.Q
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij vonnis van 28 oktober 1975 heeft de Rechtbank te ’s-Gravenhage echtscheiding uitgesproken tussen [de vrouw], rekwestrante tot cassatie, hierna te noemen de vrouw, en [de man], hierna te noemen de man, wier huwelijk in 1948 was voltrokken. Bij hetzelfde vonnis is de man verplicht aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te doen ten belope van f 700,- per maand.
Dit bedrag is jaarlijks van rechtswege gewijzigd ingevolge artikel 402a boek 1 BW, totdat bij beschikking d.d. 30 oktober 1984 de verschuldigde uitkering nader (en lager) is vastgesteld op f 1150,- per maand.
De omstandigheden waarin de man verkeerde – hij werd onder curatele gesteld en verblijft thans in [inrichting] – bleven zich wijzigen, zodat de Rechtbank te ’s Gravenhage bij beschikking d.d. 23 december 1986 de door de man te betalen alimentatie-uitkering vanaf 1 januari 1987 nader bepaalde op f 900,- per maand.
Tegen de laatste beschikking is de vrouw in hoger beroep gegaan aanvoerende een viertal grieven en strekkende tot vernietiging van de beschikking van de Rechtbank.
De curator van de man heeft zich hiertegen verweerd en stelde zijnerzijds incidenteel appèl in, strekkende tot het terugbrengen van de alimentatie tot nihil.
Bij beschikking d.d. 25 maart 1987 heeft het Hof te ’s Gravenhage bepaald
“met wijziging van voormelde beschikking van 30 oktober 1984, de door de man vanaf 1 januari 1987 tot levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkering op f 300,- per maand, in de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen” (blz. 4).
In cassatie beklaagt de vrouw zich erover dat het Hof heeft nagelaten de beschikking van de Rechtbank te vernietigen op grond van het ontbreken van de vereiste machtiging die de verweerder behoefde om als curator in rechte te kunnen optreden.
2. De vrouw heeft als een harer grieven tegen de beschikking van de Rechtbank d.d. 23 december 1986 aangevoerd:
“Ten onrechte heeft de Rechtbank verzuimd de curator van de man niet ontvankelijk te verklaren”.
Verweerder in eerste instantie, de curator van de man, bleek namelijk niet te beschikken over de vereiste machtiging van de Kantonrechter om voor de curandus in rechte op te treden.
De Rechtbank had de curator mitsdien ingevolge artikel 386 boek Pro 1 BW juncto artikel 349 boek Pro 1 BW niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Rechtbank heeft evenwel een onderzoek naar de ontvankelijkheid geheel achterwegen gelaten.
Het Hof heeft kennelijk aangenomen dat door overlegging van de machtiging door de Kantonrechter te Leiden verleend gedateerd 3 februari 1987, deze grief geen behandeling behoefde. Overwogen werd immers:
“Tussen partijen is thans onbetwist dat de curator van de man door de Kantonrechter te Leiden is gemachtigd om te dezen voor de man op te treden” (blz. 2).
In de toelichting op het cassatiemiddel geeft de vrouw daaromtrent echter te kennen:
“Het Hof heeft echter aldus nagelaten op voormelde grief I van verzoekster een beslissing te geven, in welke immers niet het wel of niet beschikken over een machtiging ten tijde van het voeren van verweer in appèl, doch nu juist het ontbreken van een machtiging in eerste instantie en het nalaten van de rechtbank de man dientengevolge ambtshalve niet ontvankelijk te verklaren als grief naar voren werd gebracht. De omstreden beschikking van het Hof is op grond hiervan reeds niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De bestreden beschikking van het Hof is bovendien in strijd met de wet, aangezien het ontbreken van de machtiging in eerste instantie op grond van art. 386 BW Pro I Jo art. 349 BW Pro I onverbiddelijk had moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de curator.
De rechtbank had ambtshalve de afwezigheid van de machtiging dienen te onderzoeken en zijn beschikking daarop te baseren” (blz. 2).
3. Het komt mij echter voor dat het Hof mocht aannemen dat de vrouw de grief niet wilde handhaven na het overleggen van de verkregen machtiging door de curator van de man, toen de vrouw tijdens de mondelinge behandeling van 4 maart 1987 niet langer gewag maakte van haar grief. Ik zou dus in zoverre niet van een motiveringsgebrek willen spreken, zoals rekwestrante doet.
Wel rijst de vraag of het Hof niet ambtshalve had behoren na te gaan of de curator wel beschikte over de vereiste machtiging om in rechte op te treden, zulks te meer omdat artikel 386 lid 1 juncto Pro artikel 349 lid 1 boek Pro 1 BW immers strekt ter bescherming van de curandus.
Ik stel voorop het mogelijk te achten dat de verleende machtiging d.d. 3 februari 1987 het ontbreken van een machtiging in de procedure voor de Rechtbank te ’s Gravenhage gevoerd, vermag te dekken. Vgl. o.m. arrest HR 5 maart 1971, NJ 1971, 260 met noot Veegens en arrest HR 7 september 1984, NJ 1985, 32 met noot Heemskerk. Maar hiervan rept het Hof met geen woord en deze woorden hadden m.i. niet achterwege mogen blijven om de uitspraak het predikaat ‘met redenen omkleed’ te verlenen.
Ofschoon ik de opgeworpen grief gegrond acht, moet het beroep naar mijn oordeel toch falen, nu het Hof de zaak in volle omvang aan zijn oordeel heeft onderworpen en als uitvloeisel daarvan tot vernietiging van de beschikking van de Rechtbank is overgegaan.
4. Het middel niet gegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,