ECLI:NL:HR:1971:AB3807
Hoge Raad
- Cassatie
- de Jong
- President
- de Meijere
- Peters
- Ras
- Drion
- Rechtspraak.nl
Vaststelling eigendom en terugleveringsverplichting onroerend goed na schenking en verjaring
Deze zaak betreft een geschil over de eigendom en teruglevering van een onroerend goed dat oorspronkelijk door betrokkene 2 aan betrokkene 1 werd geschonken. Na een vonnis dat de schenking nietig verklaarde, werd een onderhandse akte gesloten die de situatie herstelde zoals voor het vonnis. Betrokkene 2 liet het vonnis desalniettemin overschrijven, wat tot onrechtmatigheid leidde. Na het overlijden van betrokkene 2 trad eiser op als universeel erfgenaam en werd geconfronteerd met een vordering tot teruglevering door verweerster, die optreedt als provisioneel bewindvoerder van betrokkene 1.
De Rechtbank wees de vordering af wegens strijd met de goede trouw, omdat betrokkene 1 en verweerster het goed lange tijd hadden verlaten en eiser het goed bewerkte zonder tegenprestatie. Het Hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering toe, maar verklaarde verweerster ontvankelijk zonder te onderzoeken of zij daartoe bevoegd was als provisioneel bewindvoerder volgens de relevante wettelijke bepalingen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ambtshalve had moeten onderzoeken of verweerster bevoegd was tot het instellen van de vordering, gelet op het onderscheid tussen provisioneel bewindvoerder volgens het oude Burgerlijk Wetboek en de Wet tot regeling van het Staatstoezicht op Krankzinnigen. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de vordering niet in strijd is met de goede trouw, omdat de omstandigheden niet voldoende waren om het recht op teruglevering te doen vervallen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen. De kosten van het cassatieberoep worden aan de zijde van eiser vastgesteld op ƒ 150,20, aan de zijde van verweerster nihil.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de bevoegdheid van de provisioneel bewindvoerder en de vordering tot teruglevering.