Conclusie
Na ommekomst van de looptijd van vijf jaar vond steeds verlenging plaats. De in rekening gebrachte rente ging het promessedisconto van de Nederlandsche Bank met twee percent te boven, met een minimum van zes percent.
In het onderhavige geschil heeft het Hof met betrekking tot het jaar 1982 niet anders geoordeeld.
Tenslotte moge ik verwijzen naar het citaat uit arrest HR 19 april 1972, BNB 1972/132, opgenomen in onderdeel 13 slot van mijn conclusie voor arrest HR 26 april 1989, BNB 1989/217.
In het onderhavige geval zou ik de aanwending van het rechtsmiddel van de richtige heffing dan ook te zwaar vinden om doel en strekking van de belastingwet gerealiseerd te zien en in dit verband van disproportionaliteit willen gewagen.
Zie ook Bavinck, WFR 1989/5891, blz. 1418-1419.
Het eerste middel komt mij niet gegrond voor.
kanvernietigbaar zijn wegens strijd met de goede trouw" (Handboek, elfde druk 1989, blz. 63).
Zulks houdt in - de geachte pleiter voor de Staatssecretaris wijst daarop in zijn pleitnotities - dat in cassatie veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat de doorslaggevende reden voor het aangaan van geldleningen verijdeling van de heffing van vennootschapsbelasting is geweest.Vgl. de jurisprudentie van uw Raad vermeld door Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, blz. 296 noot 1, alsmede arrest HR 26 september 1979, BNB 1979/311, blz. 1533 regels 27-28.
Zie ook de in de pleitnotities van de geachte pleiter voor de Staatssecretaris omschreven stellingen van de Inspecteur voor het Hof onder de letters a t/m f, blz. 5-6.
Het Hof had m.i. uit de omzetting van eigen in vreemd vermogen echter niet mogen afleiden dat er een wezenlijke verandering was gebracht in de vermogenspositie van belanghebbende, zolang het Hof niet tevens was ingegaan op de vraag of er feitelijk iets was veranderd 'in de zeggenschap en de financiële positie van de vennootschap en de aandeelhouder' (formulering van Bavinck, t.a.p. blz. 1419).
Slechts als men dit laatste buiten beschouwing laat, kan men instemmen met belanghebbendes voorstelling van zaken dat de Staatssecretaris in deze procedure tornt aan het recht dat de aandeelhouder heeft op de uitkering van de vrije reserves van de vennootschap. Terzijde merk ik op dat uit arrest HR 8 november 1991, RW 249, TVVS nr. 91/12, blz. 323, blijkt dat dit recht van de aandeelhouder onder omstandigheden wel degelijk aan beperkingen onderhevig is.