ECLI:NL:PHR:1994:36
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Billijke vergoeding voor uitvinding in dienstverband volgens art. 10 Rijksoctrooiwet
De zaak betreft een werknemer die in dienst was als development engineer en een uitvinding deed die een technisch probleem met mixers oploste. Volgens art. 10 van Pro de Rijksoctrooiwet heeft de werkgever aanspraak op het octrooi, maar moet de werknemer een billijke vergoeding krijgen als die niet in het salaris is verwerkt.
De werknemer vorderde een vergoeding van 1% van de verkoopprijs van de uitvinding, subsidiair een vast bedrag. De rechtbank stelde een vergoeding vast van ƒ 75.000, waarbij zij afweek van het advies van deskundigen die hogere bedragen adviseerden. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter vrij is in de beoordeling van het billijke bedrag, waarbij het geldelijk belang van de uitvinding en de omstandigheden van belang zijn.
De Hoge Raad benadrukt dat de vergoeding een uitzondering is op de hoofdregel dat de beloning in het salaris is verdisconteerd. Ook wijst de Hoge Raad op het belang van de arbeidsrechtelijke context en verwerpt theorieën die de vergoeding baseren op hypothetische vrije uitvinderssituaties. De uitspraak bevestigt dat de billijke vergoeding een open norm is die rekening houdt met meerdere factoren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vrijheid van de rechter om de billijke vergoeding vast te stellen.