Uitspraak
27 mei 1994.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vergoeding aan een werknemer die tijdens zijn dienstverband een uitvinding deed waarop een octrooi werd verleend aan de werkgever. De werknemer vorderde een billijke vergoeding op grond van artikel 10 lid 2 van Pro de Rijksoctrooiwet, omdat hij geen extra beloning boven zijn salaris had ontvangen.
De arbeidsovereenkomst bevatte een regeling dat uitvindingen aan de werkgever toekomen en dat de werknemer recht heeft op een passende vergoeding volgens de normen van artikel 10 ROW Pro. Na diverse procedures en deskundigenrapporten stelde de kantonrechter een vergoeding van ƒ 585.000,-- plus royalty’s vast, maar de rechtbank vernietigde dit en bepaalde een lagere vergoeding van ƒ 75.000,--.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 10 lid 1 ROW Pro de hoofdregel bevat dat de vruchten van betaalde arbeid aan de werkgever toekomen en artikel 10 lid 2 een Pro uitzondering is voor gevallen waarin het loon geen vergoeding voor het octrooi omvat. Tevens stelde de Hoge Raad dat de vergoeding niet primair gebaseerd moet zijn op het geldelijk belang van de uitvinding in relatie tot de omzet van de werkgever, maar op billijkheid. Het beroep van de werknemer werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vergoeding aan eiser wordt vastgesteld op ƒ 75.000,-- met wettelijke rente.