ECLI:NL:PHR:1995:AA1675
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over fiscale gevolgen van inbreng onderneming in vennootschap onder firma door gehuwden
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam over de fiscale behandeling van de inbreng van de helft van het ondernemingsvermogen in een vennootschap onder firma (vof) met zijn echtgenote, met wie hij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd.
Belanghebbende drijft een eenmanszaak in aardappelen, groente en fruit en heeft samen met zijn echtgenote besloten de samenwerking te formaliseren in een vof. Het geschil betreft of deze inbreng aanleiding geeft tot desinvesteringsbetalingen en of deze in 1990 vallen. Het Hof heeft dit ten nadele van belanghebbende beslist.
De Hoge Raad bevestigt dat het ondernemingsvermogen fiscaal toebehoort aan de man die de onderneming beheert, ook bij huwelijksgemeenschap. De overgang van de helft van het ondernemingsvermogen naar de vof met zijn echtgenote is fiscaal aan te merken als een onttrekking en leidt tot een desinvesteringsbetaling. Vertrouwen dat deze betaling achterwege blijft, wordt door het Hof terecht verworpen.
De Hoge Raad wijst op jurisprudentie die stelt dat het ondernemerschap afhankelijk is van voor wiens rekening de onderneming wordt gedreven en dat het feit dat echtgenoten in gemeenschap van goederen zijn gehuwd niet leidt tot een fiscale splitsing van de winst. De feitelijke overdracht van het ondernemingsvermogen aan de vof met de echtgenote leidt tot fiscale gevolgen, ook al verandert het civielrechtelijk eigendom niet.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatiemiddel ongegrond is en het beroep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de fiscale gevolgen van de inbreng in de vennootschap onder firma worden bevestigd.