ECLI:NL:HR:1995:AA1675
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt desinvesteringsbetalingen bij inbreng onderneming in man-vrouw vennootschap onder firma
Belanghebbende, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, drijft een detailhandel en bracht per 1 januari 1990 de onderneming in een vennootschap onder firma met zijn echtgenote in, waarbij de helft van het ondernemingsvermogen op naam van de echtgenote werd gesteld. De Inspecteur legde desinvesteringsbetalingen op, die na bezwaar en beroep door het Hof werden bevestigd.
In cassatie stelde belanghebbende dat door het huwelijksgoederenregime de eigendom van het ondernemingsvermogen onveranderd bleef en dat geen sprake was van een onttrekking die desinvesteringsbetalingen rechtvaardigt. De Hoge Raad oordeelde dat fiscaalrechtelijk de onderneming wordt toegerekend aan de echtgenoot die deze drijft en dat toetreding van de andere echtgenoot tot de onderneming leidt tot een onttrekking van het ondernemingsvermogen aan de eerste echtgenoot.
Verder verwierp de Hoge Raad het betoog dat de desinvesteringsbetalingen reeds in 1989 hadden moeten worden toegerekend, omdat de vennootschap onder firma pas in 1990 tot stand kwam. Ook het beroep op een brief waarin de Inspecteur zou hebben ingestemd met het uitstellen van fiscale gevolgen naar 1990 werd afgewezen. Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat het Hof terecht niet was ingegaan op de stelling dat belanghebbende en zijn echtgenote alsnog een andere creditering mochten kiezen om desinvesteringsbetalingen te vermijden, omdat belanghebbende bewust had gekozen voor de vennootschap onder firma met de desbetreffende vermogensverdeling.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de fiscale kwalificatie van de situatie en de verschuldigdheid van desinvesteringsbetalingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat belanghebbende desinvesteringsbetalingen verschuldigd is over 1990.