Conclusie
door een publieke autoriteit’’ in de ‘’telefoonprivacy’’ van M., die ‘’van het afluisteren niets wist’’.
commissaire divisionnairehet huis van mevr. A.. De politie-functionaris nam zelf — en kennelijk op eigen initiatief — het gesprek tussen G. en mevr. A. op en hield de tape bij zich (§ 9). Het EHRM ziet hier, zoals gezegd, ‘’a crucial contribution’’ van de politie-functionaris en is van oordeel dat
derde middelklaagt erover dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot het horen van de behandelend officier van justitie mr Tomesen heeft afgewezen.
vierde middelklaagt erover dat het hof ten onrechte het bij pleidooi op de zitting van 2 juni 1995 gedane verzoek tot aanvulling van het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 februari 1995 niet heeft gehonoreerd. Nu niet blijkt dat ter terechtzitting van 17 februari 1995 een verzoek als bedoeld in art. 326, tweede of vierde lid, Sv is gedaan, heeft het hof het op 2 juni 1995 gedane verzoek kennelijk als tardief aangemerkt, gelijk het ook kon doen. (Dat neemt niet weg dat, nu het verzoek bij een overgelegde en door het hof als ingelast beschouwde pleitnota is gedaan, het hof met de inhoud daarvan, voor zover nodig, bij zijn beslissing rekening heeft kunnen houden.) In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de betrouwbaarheid van een proces-verbaal van de terechtzitting (vgl. o.a. HR NJ 74.505, vermeld in Von Brucken Fock/Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 3e, p. 223 en HR DD 82.118, 84.086 en 85.255). Daarom is het middel tevergeefs voorgesteld.
vijfde middelricht zich tegen de verwerping door het hof op het bij wijze van preliminair verweer gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, voor zover het betrof de gestelde onvolledigheid van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 februari 1995, blz. 3, heeft het hof dit onderdeel van het verweer verworpen met de volgende motivering:
zesde middelverwijt het hof dat het niet heeft gerespondeerd – al dan niet via de gebezigde bewijsmiddelen – op het verweer dat het tweede onderdeel van het onder 1 telastegelegde een poging en geen voltooid delict is geweest en dat het door het onderdeel toch bewezen te verklaren het leerstuk van de poging en de daarbij behorende jurisprudentie heeft genegeerd. Aangevoerd was (bladzijde 18/19 van de op 2 juni 1995 overgelegde pleitnota van mr Van Oven):
ontuchtigehandeling voldoet.
eerste, tweede, derde en vierde middelstuiten af op de feitelijke en niet onbegrijpelijke vaststelling van het hof (arrest, blz. 3) ‘’dat de stelling van de verdediging dat in eerste aanleg
relevante(onderstreping door mij, BG) processtukken zouden hebben ontbroken en dat de verdachte daardoor in zijn verdediging zou zijn geschaad, bij de behandeling in hoger beroep niet aannemelijk is geworden.’’
vijfde, zesde en zevende middelhandelen over de gang van zaken rond het daarin bedoelde ambtsedige proces-verbaal 16.443-VII/1993. Wat er ook zij van het in de middelen aangevoerde, uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg (zie proces-verbaal der terechtzitting blz. 3 en 4 aangaande de voorlezing van stukken) kan niet volgen dat de rechtbank met bedoeld stuk rekening heeft gehouden. Dat de officier van justitie van de inhoud daarvan in zijn requisitoir wel gewag maakt kan daaraan niet afdoen. Voorts wordt miskend dat ter terechtzitting van het hof op 2 juni 1995 (blz. 3 proces-verbaal der terechtzitting) de korte inhoud van bedoeld proces-verbaal is meegedeeld, terwijl bovendien uit de op de terechtzitting van 17 februari 1995 door en namens verzoeker overgelegde pleitnotities blijkt dat verzoeker en zijn raadsman de inhoud daarvan kenden.
achtste middelvoert aan dat het hof ten onrechte niet ook heeft onderzocht of verzoeker tijdens het hoger beroep in zijn verdediging is geschaad door de dossiervormings- en dossierbewakingsproblematiek. Van een verweer in die zin (anders dan betrekking hebbend op de verdediging in eerste aanleg, waarop het hof gerespondeerd heeft) kan uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijken, terwijl het hof niet ambtshalve behoede te doen blijken van een onderzoek hieromtrent. Het middel faalt.
negende en tiende middelbedoelde verzoek volsta ik met de opmerking dat het hof, gelet op wat in het proces-verbaal van de terechtzitting op 2 juni 1995 is vermeld, het verzoek zonder schending van enige rechtsregel op toereikende gronden verworpen. Voor zover in de toe in de toelichting op het negende middel wordt aangevoerd dat de opmerking van de procureur-generaal als een dreigement aan het adres van verzoeker mocht worden opgevat gaat het eraan voorbij dat de aanwezigheid van het openbaar ministerie op een terechtzitting gezien het wettelijke stelsel onmisbaar is, vgl. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 2e p. 509.
tiende middelwordt miskend dat het de keuze van verzoeker zelf is geweest om – bij het niet toewijzen van het verzoek om niet-openbare behandeling – niet te verschijnen.
elfde middelwordt een beroep op feiten en omstandigheden gedaan die in feitelijke aanleg niet zijn aangevoerd, terwijl bovendien de stelling dat de officier van justitie, nu hij, zoals hij bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard, de door verzoeker bij de rechtbank overgelegde pleitaantekeningen niet heeft gelezen, niet-ontvankelijk in zijn vervolging, althans in zijn hoger beroep diende te worden verklaard, een beroep doet op een mij onbekende rechtsregel (of netter: geen steun vindt in het recht).
twaalfde middelmist verzoeker belang, nu de getuige [slachtoffer 2] in elk geval ter terechtzitting is opgeroepen en verschenen, aldaar uitvoerig is gehoord en ook door of namens verzoeker is ondervraagd.
dertiende middelponeert de stelling dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat de behandeld officier van justitie en twee verbalisanten bij een zitting van het hof in een andere zaak op
7 januari 1994, waar verzoeker kennelijk als raadsman optrad, aanwezig waren, zoals uit het verhoor van de officier van justitie door de rechter-commissaris en het verhoor van een van de verbalisanten op de terechtzitting kan volgen. Een beroep op niet-ontvankelijkheid op die grond heb ik in het verhandelde ter terechtzitting niet aangetroffen, terwijl het hof evenmin behoefde te doen blijken van een ambtshalve onderzoek daarnaar op deze grond. Het middel treft geen doel.
veertiende en vijftiende middelverwijs ik naar de behandeling van het
derde namens verzoeker voorgestelde middel.
zestiende en het zeventiende middelverwijs ik naar de behandeling van het eerste en het tweede namens verzoeker voorgestelde middel. Een onderdeel van het
zestiende middelricht zich nog tegen de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in verband met het benaderen van mogelijke andere aangeefsters en de door de politie gezochte publiciteit. Het hof heeft het verweer zonder schending van enige rechtsregel op feitelijke en niet onbegrijpelijke gronden verworpen. Als het benaderen van potentiële aangeefsters door de politie al als onrechtmatig kan worden aangemerkt (hetgeen mijns inziens niet het geval is, vgl. HR DD 93.455) dan is die onrechtmatigheid in elk geval niet zo ernstig dat daaraan het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te worden verbonden (vgl. HR NJ 96.249, r.o. 9.9). Het hier besproken onderdeel van het middel treft geen doel.
achttiende en negentiende middelbehelzen de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het – via de in hoger beroep ingelaste pleitaantekeningen in eerste aanleg – gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, omdat:
twintigste middelricht zich tevergeefs tegen het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof (proces-verbaal der terechtzitting van 17 februari 1995, blz. 4) dat ‘niet aannemelijk is dat het hof ‘’gestuurd’’ zal worden in zijn oordeelsvorming door in de processen-verbaal van de politie en de rechter-commissaris reeds aangebrachte markeringen. Het hof ziet door die markeringen heen.’ Hiermede heeft het hof op het dienaangaande in de op voormelde zitting overgelegde pleitnota I (blz. 16) aangevoerde voldoende gemotiveerd geantwoord.
eenentwintigste middelverwijs ik naar de behandeling van het
vierde namens verzoeker voorgestelde middel.
tweeëntwintigste middelkan niet tot cassatie leiden nu de omstandigheid dat de processtukken in niet zo overzichtelijke vorm bij de Hoge Raad zijn aangeleverd er niet aan af doet dát zij zijn aangeleverd.
drieëntwintigste middelwordt eraan voorbijgezien dat er, gelet op de locus delicti van de telastegelegde feiten en de woonplaats van verzoeker gezien art. 2.1 Sv geen ander bevoegd gerecht was dan de rechtbank Den Haag en in hoger beroep dus het hof Den Haag. De stelling dat dan, gezien verzoekers functie als strafpleiter bij diezelfde gerechten, geen sprake meer kan zijn van een ‘’fair trial’’ miskent dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Zodanige uitzonderlijke omstandigheid doet zich in het onderhavige geval niet voor. Geen rechtsregel staat er voorts aan in de weg dat een officier van justitie die (soms) als ‘’opponent’’ van een strafpleiter optreedt een strafvervolging tegen die strafpleiter instelt en blijft behandelen. Dit zal (zeker bij kleine parketten) soms ook onvermijdelijk zijn. Het middel faalt.
middel 24aangevoerde leent zich niet voor bespreking nu het als te vaag/globaal gesteld aangemerkt moet worden.
vijfentwintigste middelfaalt omdat het hof de tijdsaanduiding 8 november 1993 omstreeks 24.00 uur kon aanmerken als 9 november 1993, welke datum in elk geval terecht in de bewezenverklaring is opgenomen, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de bewezenverklaarde handelingen na voormeld tijdstip plaatsvonden. Voorts wordt in de toelichting op het middel miskend dat de selectie en waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter is voorbehouden, waarbij in casu van denaturering geen sprake is geweest. Het middel faalt.
zesentwintigste middelvormt een gedeeltelijke herhaling van het
zestiende middel, naar de bespreking waarvan is verwijs.
zeventwintigste middelricht zich tevergeefs tegen het in het middel bestreden oordeel van het hof. Het oordeel over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen is bij uitstek aan de feitenrechter voorbehouden. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. De klacht dat het hof geen kennis heeft genomen van hetgeen in de pleitnotities naar voren is gebracht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
achtentwintigste middelwordt miskend dat het aldaar bedoelde verweer zich richt tegen de bewezenverklaring en weerlegd wordt in de gebezigde bewijsmiddelen. Het ligt voor de hand de term ‘dwingt’ in art. 246 Sr Pro op dezelfde wijze te interpreteren en in voormelde overweging voor ‘vleselijke gemeenschap’ ‘ontucht’ te lezen. Vgl. HR NJ 88.156: ‘’De term ‘’dwingt’’ in art. 242 Sr Pro dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien het (eventueel voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat, dat hij de vrouw de vleselijke gemeenschap doet ondergaan tegen haar wil.’’ Bedoeld (voorwaardelijk) opzet van verzoeker heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.
negenentwintigste middelwordt de vaste jurisprudentiële regel uit het oog verloren dat het bewijs van een onderdeel van het bewezenverklaarde wel op de verklaring van één getuige mag steunen. Het middel faalt op de gronden, vermeld bij de bespreking van het
achtentwintigste middel.
dertigste middelzie ik geen tegenstrijdigheid in de gebezigde bewijsmiddelen, nu uit de verklaring van de getuige [getuige 1] kan volgen dat bedoelde opmerking geplaatst is bij de tweede telastegelegde ontuchtige handeling. Het middel treft geen doel.
eenendertigste middelin beide onderdelen.
tweeëndertigste middelgeuite klacht dat de mogelijkheid bestaat dat het hof geen rekening heeft gehouden met proces-verbaal VII treft op de gronden vermeld bij de bespreking van de middelen vijf, zes en zeven geel doel. In het middel wordt voorts weer miskend dat het oordeel over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen is voorbehouden aan de feitenrechter en dat het oordeel – behoudens hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen – geen motivering behoeft. Het middel faalt.
drieëndertigste tot en met het achtendertigste middelwordt geklaagd over de motivering van de opgelegde straffen. Ik bespreek de klachten kort.
Middel drieëndertig: Het hof kon vrouwen van resp. 27 en 23 jaar aanmerken als ‘’jonge’’ vrouwen.
Middel vierendertig: Het hof kon naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting oordelen dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij in zijn hoedanigheid van advocaat ten opzichte van zijn slachtoffers – respectievelijk een (vroegere) cliënte en een echtgenote van een gedetineerde cliënt – had. Dat verzoeker (in zijn visie) de aangeefster niet in zijn hoedanigheid van advocaat bezocht kan daaraan niet afdoen. Anders dan de steller van het middel wil behoeft dat oordeel niet op gebezigde bewijsmiddelen te steunen, vgl. o.m. HR DD 89.455.
Middel vijfendertig: de overweging van het hof kan feitelijke grondslag vinden in de op 2 juni 1995 door mr Van Oven overgelegde en aan het proces-verbaal der terechtzitting gehechte pleitnotities, blz. 20 onder ‘’Tenslotte’’: ‘’Bij de aanvang van mijn pleidooi bepleitte ik terughoudendheid. Zulks geldt uiteraard bij uitstek voor een zaak als deze, waarin
iedereveroordeling terzake van enig deel van het tenlastegelegde – naar zonder verdere toelichting duidelijk moge zijn – voor mijn cliënt desastreuze en niet-redresseerbare gevolgen heeft.’’ Bovendien geldt dat ten aanzien van gevoerde verweren het proces-verbaal der terechtzitting én de naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting gegeven uitspraak daarvan de kenbronnen zijn, vgl. Von Brucken Fock/Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 3e, p. 226 en het daar vermelde arrest HR NJ 84.98 (r.o. 6.2.3).
Middel zesendertig: de bedoeling van het middel is mij niet geheel duidelijk, maar voor zover daarin beoogd wordt erover te klagen dat het hof geen rekening heeft gehouden met de toekomstige draagkracht van verzoeker, miskent het dat het hof dat ook niet kon.
Middel zevenendertig: het middel stuit af op de rechtspraak dat het aan de beoordeling van de rechter is overgelaten of en hoe hij van de bevoegdheid ex art. 27.3 Sr gebruik zal maken, terwijl hij niet behoeft te motiveren waarom hij in een gegeven geval van die bevoegdheid geen gebruik zal maken, vgl. HR NJ 79.275.
Middel achtendertig: gezien de eis van de procureur-generaal (een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk) en gezien de overweging van het hof dat het de straf heeft bepaald onder meer op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verzoeker moet het ervoor gehouden worden dat het hof ook met de in het middel bedoelde factoren, voor zover aan het hof bekend, rekening heeft gehouden. De middelen falen.
negenendertigste middeltreft geen doel.
veertigste middelwordt miskend dat het zich niet met geweld verzetten van het slachtoffer niet in strijd is met een bewezenverklaarde ‘’met geweld dwingen’’.
eenenveertigste middelstuit weer af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter.
tweeënveertigste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte nooit een beslissing heeft genomen op het verzoek van de verdachte om 33 getuigen te horen. Volgens de stukken van het geding (in de ordner achter het hoofdje ‘’correspondentie hof’’) heeft verzoeker
Middel drieënveertigvormt een herhaling van het
twaalfde middelen faalt op dezelfde gronden.
vierenveertigste middeltreft daarom geen doel.
vijfenveertigste middelbedoelde stukken zoals verzoeker terecht opmerkt door zijn raadsman ter terechtzitting zijn overgelegd, zoals ook uit het proces-verbaal daarvan blijkt, moet het ervoor gehouden worden dat het hof van deze stukken kennis heeft genomen. De stelling dat het hof die stukken, voor zover onverenigbaar met de verklaringen van de aangeefsters, had moeten bespreken, vindt geen steun in het recht nu het ook hier weer gaat om de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van de bewijsmiddelen die – behoudens uitzonderingen – geen motivering behoeft. Het middel faalt.