Conclusie
onderdeel 1. Ten aanzien van de schadeposten inkomensderving en immateriële schade heeft het hof bij wege van bindende eindbeslissingen het oordeel van de rechtbank onderschreven. Deze beslissingen worden in cassatie bestreden in de
onderdelen 2 resp. 3.
in: Gevers en Leenen (red.), Rechtsvragen rond voortplanting en erfelijkheid, 1986, p. 61–78. Beide auteurs erkennen de vordering, maar Stolker is veel terughoudender dan Schoonenberg. Vergelijk zijn p. 118–119 en 151–152 met de slotconclusie van Schoonenberg. In het preadvies van Sluyters voor de Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking, De aansprakelijkheid van arts en ziekenhuis, 1984, wordt de problematiek alleen maar kort aangestipt (blz. 29–31).
Verenigde Statendie het voorgaande wijzigt, is er, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet. Er zijn twee uitspraken waarin gerefereerd is aan een schadeclaim voor ‘’emotional distress’’ als gevolg van een wrongful birth — US Court of Appeals Columbia in Mackey v. US (1993), 8 F.3d 826 en US Court of Appeals for the Fourth Circuit in Ney v. Landmark Education Corporation en Zeller (1993), gevonden in 1994 US App. Lexis 2373 — en één uitspraak waarin de wettelijke regeling in Georgia tot uitsluiting van een wrongful birth-vordering tevergeefs is bestreden als in strijd met het 14e Amendement. In deze laatste uitspraak is, met bronverwijzing, vermeld dat in 19 staten de situatie anders is: US Court of Appeals for the Eleventh Circuit in Campbell v. US (1992), 962 F.2d 1579.
Verenigd Koninkrijknoem ik Allen v Bloomsbury Health Authority (1993), 1 All ER 651, waarin — onder aantekening dat de Court of Appeal ‘’all the considerations which moral philosophers or theologians might regard as relevant’’ uitsluit — een overzicht is gegeven van de in de rechtspraak ontwikkelde beginselen bij de toekenning van schadevergoeding wegens wrongful birth. Hierbij is onderscheiden tussen personal injury en economic loss (inkomensderving en opvoedingskosten). Voorts is onderzocht welke maatstaf de rechtspraak hanteert bij de berekening van de opvoedingskosten van het kind. Hoewel niet in alle opzichten even duidelijk, wordt als norm genomen dat voor vergoeding in aanmerking komen alle in de omstandigheden van het geval redelijke kosten. In Walkin v South Manchester Health Authority (1995) 4 All ER 132 is geoordeeld dat zowel de vordering tot vergoeding van personal injury als die tot vergoeding van economic loss (opvoedingskosten) voor de verjaring moeten worden aangemerkt als vorderingen uit ‘’personal injury’’. In het concrete geval was de termijn al verstreken. In de Schotse zaak Allan v Greater Glasgow Health Board (1993) 17 BMLR 135 waren dezelfde twee schadeposten aan de orde. Geoordeeld is dat de public policy zich niet tegen toewijzing verzet en dat dit evenmin het geval is op grond van de idee van de overriding benefits. De omvang van de schade is berekend aan de hand van wat in de concrete omstandigheden van het geval als redelijk is te beschouwen. Iets minder geprononceerd, maar ook uitsluitend betrekking hebbend op de omvang van de schade was de eerdere uitspraak inzake Salih v Enfield Health Authority (1991) 3 All ER 400.
Onderdeel 1keert zich tegen de beslissing van het hof dat de kosten van verzorging en opvoeding van het kind voortvloeien uit de natuurlijke en door de wet erkende plicht van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden en dat ze daarom slechts in bijzondere omstandigheden voor vergoeding als schade in aanmerking komen. Het onderdeel verwijt het hof een onjuiste rechtsopvatting, omdat de kosten het gevolg zijn van een beroepsfout van de arts en reeds daarom zijn aan te merken als rechtens voor vergoeding in aanmerking komende schade.
Onderdeel 2bestrijdt de beslissing van het hof tot afwijzing van de door [de vrouw] gevorderde inkomensschade gedurende 10 jaar na de geboorte van het derde kind. Bij het eerste kind had zij na vijf jaar weer betaald werk buitenshuis aanvaard. Ook bij het tweede kind had zij vijf jaar gewacht alvorens opnieuw te gaan solliciteren. Zij was bezig met solliciteren toen zij opnieuw zwanger bleek te zijn. Na het derde, niet gewenste kind wil ze 10 jaar wachten alvorens betaald werk buitenshuis te zoeken, omdat het volgens haar ingrijpender is om met drie kinderen te gaan werken dan met twee (conclusie van repliek, nr. 21). De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij is ervan uitgegaan dat, gelet op het arbeidsverleden van [de vrouw], voldoende aannemelijk is dat [de vrouw] voornemens was weer aan het arbeidsproces te gaan deelnemen. De rechtbank heeft evenwel in de geboorte van het derde kind geen beletsel gezien dit voornemen uit te voeren, omdat de man, die werkloos is en volgens de vrouw geen reële vooruitzichten heeft op werk, voor het kind kan zorgen gedurende de tijd dat de vrouw werkt. Het feit dat de man lijdt aan een chronische darmziekte staat hieraan niet in de weg, aldus de rechtbank.
Onderdeel 3keert zich tegen de beslissing van het hof tot afwijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding. Het hof heeft impliciet een ruim toepassingsgebied van schadevergoeding wegens geestelijk letsel bij ‘’wrongful birth’’ aangenomen: niet alleen als gevolg van de zwangerschap en de geboorte, maar ook als gevolg van de opvoeding van het kind en van de daarmee in verband staande omstandigheid dat de vrouw niet op een door haar beoogd tijdstip weer aan het arbeidsproces kan deelnemen. Ik zou de laatste omstandigheden bij een normaal en gezond kind niet als redengevend voor een vordering tot immateriële schadevergoeding willen beschouwen (zie nr. 26). In zoverre ben ik het geheel eens met de rechtspraak van het BGH. Wat betreft de zwangerschap en de geboorte erken ik in beginsel wel een vordering tot immateriële schadevergoeding. De vordering is toewijsbaar indien voldaan is aan de zware eisen die in Nederland worden gesteld. Dit houdt in dat de pijn, de last en psychisch onbehagen van de zwangerschap en de geboorte de grenzen van het normale moeten overschrijden. Zie onder meer HR 13 januari 1995, RvdW 1995, 29 met verdere gegevens in de conclusie sub nr. 45–46. Het hof heeft deze maatstaf ook aangelegd en derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting noch zijn beslissing tegenover de, in dit opzicht bepaald magere, stellingen van [de vrouw] onvoldoende gemotiveerd.