Conclusie
eerste middelklaagt er over dat het arrest niet de telastelegging bevat, zoals deze in eerste aanleg is gewijzigd.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen het verweer dat de inleidende dagvaarding nietig is, aangezien deze niet in voldoende mate een opgave van feiten bevat noch een omschrijving van de omstandigheden waaronder het telastegelegde zou zijn begaan.
derde middelklaagt er over dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake was van schending van de redelijke termijn.
tot aan de eerste zitting in eerste aanlegeen zodanige schending van de redelijke termijn opleverde dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het OM diende te leiden.
negende middelluidt dat uit het arrest niet blijkt dat het hof heeft onderzocht of het feit – voorzover dit in België is begaan – naar Belgisch recht strafbaar is gesteld.
in strafprocesrechtelijke zinmoet worden toegekend aan de niet-verwezenlijking van het in art. 67 AWDA Pro aan de belanghebbende gegeven recht tot het vorderen van heropneming.
door de officier van justitie of de rechter (-commissaris)benoemde deskundige. Een Bönisch-situatie (EHRM Bönisch tegen Oostenrijk, NJ 1989, 385 met noot P. van Dijk) doet zich hier dus niet voor. Daarop al stuit het beroep op ‘’het equality of arms beginsel van artikel 6 EVRM Pro’’ (schriftuur, p. 10) af. Vgl. B.F. Keulen in Het EVRM en het Nederlandse strafprocesrecht (red. A.E. Harteveld c.s.), p. 115; J.F. Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht, 2e dr. (1995), p. 248. Bovendien is in Bönisch ‘’zeker niet beslist dat de rechter voor het bewijs geen gebruik zou mogen maken van een deskundigenverklaring, indien de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad een tegenonderzoek te laten doen’’ (Corstens, Handboek, 2e dr., p. 628, met verwijzing naar HR NJ 1993, 476 (aflatoxine in pinda’s; rubrieken 5.3 en 5.4). Van belang is nog dat in deze zaak niet blijkt dat het element ‘’heropneming’’ in de strafprocedure eerder dan op de terechtzitting in eerste aanleg, bij voorbeeld tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, voorwerp van debat is geweest (vgl. het zoëven genoemde arrest van de Hoge Raad, rubr. 5.4) [7] .
zesdemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof.
vijfde middelziet in ’s Hofs arrest een innerlijke tegenstrijdigheid, in die zin, dat enerzijds wordt gezegd dat de douane-expediteur verantwoordelijk is voor de gedane aangifte en dat anderzijds het verweer wordt verworpen dat de douane-expediteurs verantwoordelijk waren voor de aangifte.
Middel zevenklaagt er over dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de organisatie het oogmerk had het plegen en doen plegen van valsheid in geschrift met betrekking tot facturen van [B] B.V. aan onder meer [L] B.V. te Beverwijk en [Q] (produkten) B.V. waarop telkens in strijd met de waarheid was vermeld dat door [B] B.V. aan de betrokken afnemer was geleverd een hoeveelheid gasolie rood of blank, zoals bewezenverklaard.
achtste middelbetreft een bewijskwestie en behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat er sprake was van valsheid in geschrift met betrekking tot facturen van [M] B.V. aan [B] B.V. waarop telkens in strijd met de waarheid was vermeld dat door [M] B.V. hoeveelheden gasolie waren geleverd aan [B] Oil.
tiende middel, dat eveneens klaagt over de bewijsconstructie, faalt, nu het uitgaat van een verkeerde lezing van de bewezenverklaring. Er is immers niet bewezenverklaard dat de valsheid telkens zowel uit een valse goederenomschrijving, als uit een valse geadresseerde, als uit een valse goederencontrole bestond, maar dat de valsheid bestond uit een wisselende combinatie van die valsheden.