ECLI:NL:PHR:1996:AA1757
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling liquidatieverlies deelneming binnen concern bij aandelenfusie
In deze zaak gaat het om de fiscale behandeling van liquidatieverlies op een deelneming binnen een concernstructuur. De belanghebbende, X B.V., had een 50% belang in G B.V., dat in 1986 failliet werd verklaard en vervolgens werd ontbonden. De vraag was welk bedrag als 'opgeofferd bedrag' mag worden genomen voor de berekening van het liquidatieverlies in de vennootschapsbelasting.
De Inspecteur stelde dat het totale liquidatieverlies ƒ378.000 bedroeg, waarvan nog ƒ171.625 kon worden verrekend met de winst over 1991. De belanghebbende stelde dat het opgeofferde bedrag niet beperkt mocht worden tot het bedrag dat het concern als geheel had opgeofferd, omdat zij slechts een 50% belang had en de aandelen in G B.V. niet van een verbonden lichaam waren verkregen.
De Hoge Raad bevestigde dat de regeling in artikel 13, lid 5, Wet Vpb 1969, bedoeld is om te voorkomen dat binnen concernverband verliezen kunnen worden opgehoogd door verschuivingen van deelnemingen. Dit betekent dat bij een aandelenfusie het opgeofferde bedrag niet hoger mag zijn dan het bedrag dat het concern als geheel heeft opgeofferd. De Hoge Raad vond dat het hof op goede gronden het beroep van de Inspecteur had afgewezen, omdat de situatie van X B.V. niet gelijkgesteld kon worden aan die van een verbonden lichaam met een belang van minstens een derde.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de beperking van liquidatieverlies binnen concernverband, met name bij complexe aandelenfusies en verschuivingen van deelnemingen. Hiermee wordt misbruik voorkomen en wordt aangesloten bij de strekking van de wetgeving.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Inspecteur wordt verworpen; het opgeofferde bedrag wordt niet beperkt tot het bedrag dat het concern als geheel heeft opgeofferd in deze situatie.