ECLI:NL:PHR:1996:AA1764
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrek nakomende lasten na uittreden uit vennootschap onder firma
De zaak betreft een belastinggeschil over de aftrekbaarheid van een bedrag van ƒ 55.000,- dat belanghebbende betaalde vanwege een omzetbelastingschuld van de vennootschap onder firma (VOF) waarvan hij was uitgetreden. De VOF was ontbonden nadat belanghebbende uittrad, waarna zijn broer de onderneming voortzette. Na faillissement van de broer werd belanghebbende op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid aangesproken voor een deel van de omzetbelastingschuld.
Het hof oordeelde ten gunste van belanghebbende dat het bedrag als nakomende last in mindering mocht worden gebracht op de winst uit onderneming over 1991. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de uitgetreden firmant een bestanddeel van het ondernemingsvermogen blijft, ook al is de vennootschap ontbonden. Verliezen die voortvloeien uit deze aansprakelijkheid zijn nakomende lasten en dus aftrekbaar.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid eerdere jurisprudentie over de overgang van vermogensbestanddelen van ondernemings- naar privévermogen bij staking van een onderneming en benadrukt dat verliezen die voortvloeien uit zakelijke relaties binnen een VOF niet als privéverlies gelden. De conclusie is dat het hof terecht het bedrag van ƒ 55.000,- als verlies uit onderneming heeft aangemerkt en het beroep van de staatssecretaris van Financiën wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt verworpen en het bedrag van ƒ 55.000,- wordt als nakomende last aftrekbaar geacht.