ECLI:NL:HR:1996:AA1764
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Betaling omzetbelastingschuld door uitgetreden firmant als nagekomen verlies uit onderneming
Belanghebbende was tot 1986 vennoot in een vennootschap onder firma (VOF) met zijn broer. Na zijn uittreden nam de broer de omzetbelastingschuld van de VOF over. Toen de broer failliet ging, werd belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een deel van deze schuld. Belanghebbende betaalde een bedrag van ƒ 55.000 aan de Belastingdienst.
Het geschil betrof de vraag of deze betaling als een nagekomen bedrijfslast in mindering mocht worden gebracht op het belastbaar inkomen van belanghebbende over 1991. Het Hof had dit bevestigd en de aanslag verminderd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in.
De Hoge Raad oordeelde dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de uitgetreden firmant voor de vennootschapsschulden een onderdeel blijft van het ondernemingsvermogen. De betaling van de schuld leidt tot een regresvordering op de voormalige vennoot, die eveneens tot het ondernemingsvermogen behoort. Omdat deze vordering in 1991 waardeloos was, mag de betaling als verlies uit onderneming worden aangemerkt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat nakomende lasten van een uitgetreden firmant als verlies uit onderneming kunnen worden aangemerkt, mits zakelijke omstandigheden aanwezig zijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en de betaling van ƒ 55.000 door de uitgetreden firmant wordt als verlies uit onderneming erkend.