ECLI:NL:PHR:1996:AA1786
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nationaliteitsbeginsel en discriminatie bij aanmerkelijk belangheffing na emigratie naar België
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch over de heffing van winst uit aanmerkelijk belang na emigratie naar België. De belanghebbende, een Nederlandse nationaliteit dragende persoon, had in 1987 winst behaald uit de verkoop van aandelen in een Nederlandse BV. De Inspecteur had deze winst belast op grond van het Nederlands-Belgische belastingverdrag, dat heffing beperkt tot personen met de Nederlandse nationaliteit.
De belanghebbende stelde dat deze regeling discriminatoir was en in strijd met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (art. 26 IVBPR Pro) en het EG-Verdrag (art. 7). De Hoge Raad overwoog dat het nationaliteitsbeginsel in de belastingwetgeving een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt, mede vanwege de bijzondere band tussen staat en onderdaan. Het hof had terecht geoordeeld dat het onderscheid gerechtvaardigd was.
Ten aanzien van het EG-recht stelde de Hoge Raad vast dat het geschilpunt binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag moet vallen. De specifieke bepalingen over vrij kapitaalverkeer (art. 67) en vrije deelneming in kapitaal (art. 221) waren van toepassing en werden niet geschonden. Het beroep op autonome toepassing van art. 7 EG Pro-Verdrag faalde, mede omdat geen sprake was van grensoverschrijdend kapitaalverkeer of belemmering daarvan.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en verwierp de cassatie. De nationale regeling en het belastingverdrag zijn verenigbaar met het discriminatieverbod en het EG-recht.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; de heffing van winst uit aanmerkelijk belang na emigratie naar België is niet discriminerend en rechtmatig.