Belanghebbende, die sinds 2006 in de Verenigde Arabische Emiraten woont maar niet de nationaliteit bezit, verkocht in 2016 zijn aandelen in een Nederlandse BV en genoot een vervreemdingsvoordeel. De Inspecteur legde hierover een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij de toepassing van het belastingverdrag Nederland-VAE ter discussie stond.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Den Haag. Het Hof oordeelde dat belanghebbende geen inwoner is van de VAE in de zin van het belastingverdrag, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van onderdaan zijn van de VAE. Hierdoor is het verdrag niet van toepassing en kan Nederland belasting heffen over het vervreemdingsvoordeel.
Belanghebbende voerde aan dat deze beperking tot onderdanen discriminerend is en in strijd met het EVRM, IVBPR en VWEU. Het Hof verwierp dit en stelde dat de beperking een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft, mede vanwege het beperkte belastingstelsel van de VAE. Tevens werd het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling afgewezen en een nieuw standpunt over de vestigingsplaats van de BV buiten beschouwing gelaten wegens prijsgeving en goede procesorde.
Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank en wees alle beroepen van belanghebbende af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.