ECLI:NL:PHR:1996:AA1804
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding van invorderingsrente bij overschrijding termijn oplegging definitieve aanslag successierecht
In deze zaak betreft het de nalatenschap van een erflaatster die op 29 december 1987 overleed. Aan zes belanghebbenden werden voorlopige aanslagen successierecht opgelegd die zij voldeden binnen de betalingstermijn. De termijn van drie jaar voor het opleggen van een definitieve aanslag verstreek op 31 januari 1992. De definitieve aanslagen werden later vernietigd en de voorlopige aanslagen verminderd tot nihil.
Belanghebbenden vorderden vergoeding van invorderingsrente over de periode vanaf de dag na de vervaldag van de laatste betalingstermijn tot aan het einde van de aanslagtermijn. De ontvanger weigerde aanvankelijk deze rente te vergoeden, maar betaalde een deel over een kortere periode. Het hof oordeelde dat er geen rentenadeel was geleden omdat de formele belastingschuld pas op 1 februari 1992 eindigde en wees de vergoeding af.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van het hof en oordeelde dat de vernietiging van de aanslag en vermindering van de voorlopige aanslag als een vermindering in de zin van de Invorderingswet moet worden gezien, waardoor recht op vergoeding van invorderingsrente ontstaat. De Hoge Raad benadrukte dat het recht op rentevergoeding niet mag afhangen van de formele afhandeling door de inspecteur en dat de materiële belastingschuld bepalend is. Uiteindelijk werd een vergoeding van ruim ƒ 487.960,-- aan invorderingsrente toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad kent vergoeding van invorderingsrente toe over de periode van overschrijding van de termijn voor oplegging van de definitieve aanslag.