ECLI:NL:PHR:1996:AA1932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ondernemerschap commanditaire vennoot en stille reserves in inkomstenbelasting
De zaak betreft een cassatieberoep van een commanditaire vennoot tegen een uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage over de heffing van inkomstenbelasting 1988. De belanghebbende was commanditair vennoot in een commanditaire vennootschap (CV) waarin hij gerechtigd was tot stille reserves maar niet tot goodwill. Het geschil betrof de vraag of het door de CV geleden verlies in mindering mocht worden gebracht op het belastbare inkomen van de belanghebbende.
Het hof had het geschil ten nadele van de belanghebbende beslecht, stellende dat de beperkte medegerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen, met uitsluiting van goodwill, het ondernemerschap ontneemt. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en benadrukt dat ondernemerschap van een commanditaire vennoot afhankelijk is van volledige medegerechtigdheid tot het bedrijfsvermogen, inclusief stille reserves en goodwill.
De conclusie van de Procureur-Generaal stelt dat het eerste middel van cassatie faalt omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat uitsluiting van goodwill een essentiële beperking van medegerechtigdheid betekent. Het tweede middel, dat onzakelijke verhoudingen aanvoert, wordt verworpen omdat het een feitelijke beoordeling van het hof betwist zonder voldoende juridische grondslag.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee de heffing van inkomstenbelasting over het jaar 1988 zonder aftrek van het verlies van de CV. De uitspraak benadrukt het belang van volledige medegerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen voor het fiscale ondernemerschap van commanditaire vennoten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de belanghebbende wordt niet als ondernemer aangemerkt vanwege uitsluiting van goodwill.