ECLI:NL:PHR:1996:AA2022
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over premieheffing volksverzekeringen bij toepassing 35%-regeling in 1990
In deze zaak staat de vraag centraal hoe de premie volksverzekeringen moet worden geheven als een belastingplichtige in 1990 gedurende het jaar zowel binnenlandse als fictief buitenlandse belastingplichtige is vanwege de toepassing van de 35%-regeling. De belanghebbende, met Franse nationaliteit, woonde het gehele jaar in Nederland en maakte vanaf 1 november 1990 gebruik van deze regeling.
De staatssecretaris van Financiën legde aanslagen op voor de premie volksverzekeringen over twee perioden: voor 1 januari tot 31 oktober 1990 als binnenlands belastingplichtige en voor 1 november tot 31 december 1990 als fictief buitenlandse belastingplichtige. De belanghebbende betwistte de hoogte van de premie, omdat de gecombineerde premie over beide perioden het maximum van de eerste tariefschijf overschreed.
Het Hof had de aanslag verminderd, maar de staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgeving sinds 1990 geen tijdsevenredige vermindering van het premietarief kent bij meerdere aanslagen in één kalenderjaar. De keuze voor fictieve buitenlandse belastingplichtigheid leidt dus tot het opleggen van twee afzonderlijke aanslagen met elk een premie tot het maximum, wat nadelig kan zijn voor de premieheffing maar niet onrechtmatig is. Dit oordeel is in lijn met de parlementaire geschiedenis en het beleid, en vormt geen ongeoorloofde discriminatie of schending van Europees recht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de premie volksverzekeringen over afzonderlijke perioden volledig geheven wordt zonder tijdsevenredige vermindering, ondanks nadelige gevolgen.