Conclusie
Korte beschrijving van de zaak
Verhaal van kosten van het onderzoek (gegevens tot 1 december 1994).
a(lees:
e, v.S.) heeft niet het karakter van een schadevergoedingsactie in eigenlijke zin. De toewijzing wordt door de regels van billijkheid beheerst; vandaar het woord ‘’kan’’ en de mogelijkheid van een slechts gedeeltelijk verhaal. De rechter moet hier naar omstandigheden beslissen, waarbij hij alle omstandigheden, zoals de mate van schuld en de omvang van de kosten tegen elkaar moet afwegen. (rechterkolom, 4e al.)
Artikel 53e. Bij beleid denkt men in de eerste plaats aan de topleiding van de onderneming. Volgens het onderhavige artikel kunnen echter de kosten ook geheel of ten dele worden verhaald op lagere functionarissen, die niet het beleid hebben bepaald doch b.v. door verkeerd advies of onjuiste inlichtingen de aanleiding zijn geweest tot de onbevredigende gang van zaken. Vandaar, dat deze term in dit artikel naast ‘’onjuist beleid’’ is gehandhaafd. (2e al.) Zoals reeds (…) is aangegeven, moet de rechter bij het kostenverhaal naar billijkheid beslissen; het is derhalve
zijn [3] taak om uit te maken of een beleidsfout ernstig genoeg is om grond tot (geheel of gedeeltelijk) verhaal te geven.’’
III),
Art. 350. (…) 2. (1e volzin) Indien de ondernemingskamer het verzoek afwijst, en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan, kan de rechtspersoon tegen de verzoeker of verzoekers (…) een eis instellen tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het verzoek lijdt. 3. (4e volzin) De rechtspersoon betaalt de kosten van het onderzoek (…)
Art. 354. (1e volzin) De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de rechtspersoon beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. (…)’’
. (…)’’
De bestreden beschikking.
Verhaal van kosten van het onderzoek (gegevens van na 1 december 1994).
1.(…) Terecht toont de OK zich terughoudend bij de toewijzing van een verzoek tot verhaal van de onderzoekskosten op een bestuurder, een commissaris of een werknemer. (…) De wettekst biedt echter een onvolkomen beeld van de processuele positie van de aangesprokene. Volgens art. 354 kan Pro de OK beslissen dat een bestuurder of commissaris (…) de kosten (…) aan de rechtspersoon vergoedt indien uit het verslag blijkt dat die bestuurder of die commissaris verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken. De gecursiveerde (…) woorden wettigen de slotsom dat voor verhaal (…) voldoende is dat uit het verslag diens verantwoordelijkheid (…) blijkt. Die conclusie doet geen recht aan het beginsel van hoor en wederhoor. (…) (blz. 106) (…) Uit laatstgenoemde eis volgt dat we de procedure op de voet van art. 2:354 BW Pro moeten beschouwen als een afzonderlijk geding waarop de artt. 429a e.v. Rv van toepassing zijn. (…) 2. In haar beslissing (…) overweegt de OK dat voor een nader onderzoek naar het individuele aandeel van iedere bestuurder of commissaris in het (…) beleid in dit geding geen plaats is. Met de gecursiveerde woorden doelt de OK vermoedelijk op het enquêtegeding. De gedachtengang van de OK is dan kennelijk: het onderzoek is afgelopen en het rapport gedeponeerd. Daarmee is de enquêteprocedure ten einde. De onderzoeker kan dus niet met een nieuwe onderzoekstaak worden belast. Deze redenering (rust) mijns inziens op een onjuist uitgangspunt. ‘’Dit geding’’ is niet de enquêteprocedure maar het geding van art. 354 (…) Dat zo zijnde valt niet vol te houden dat de OK onbevoegd zou zijn een deskundige te benoemen. Doelmatigheidshalve en ter besparing van kosten kan de deskundige de gewezen onderzoeker in de enquêteprocedure zijn. (…)’’
.(…) Alleen in een enkel, beperkt en strikt beschreven, geval (verhaal van onderzoekskosten) spreekt de wet (art. 354) van personen, met name genoemd, die voor het onjuiste beleid en de onbevredigende gang van zaken verantwoordelijk zijn. In de opvatting die ik zou willen bepleiten ziet wanbeleid in art. 355 lid Pro 1, eerste zin niet op personen maar op een staat van zaken. (…) 2
.(…) Uit haar jurisprudentie blijkt dat de OK zich competent acht om, op basis van het onderzoeksrapport, te verklaren, niet alleen dat door de rechtspersoon wanbeleid is bedreven maar bovendien (zo mogelijk): (…) dat bepaalde personen voor het wanbeleid (mede) verantwoordelijk zijn en in welke mate zij dat zijn (…) Ik betwijfel of een uitspraak over de (mate van) individuele verantwoordelijkheid voor geconstateerd wanbeleid binnen de taak van de OK valt. Een verzoeker die de OK vraagt, op grond van het onderzoeksrapport te verklaren: — dat van wanbeleid sprake is, en — dat bepaalde personen in bepaalde omvang voor dat wanbeleid verantwoordelijk zijn, behoort mijns inziens in het dictum van de uitspraak op laatst genoemd verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. (…) (blz. 311) (…) Een bezwaar tegen de mogelijkheid voor de OK om zich over de persoonlijke verantwoordelijkheid uit te spreken, is (…) dat deze mogelijkheid in belangrijke mate afhangt van de wijze waarop onderzoekers hun opdracht hebben uitgevoerd. (…) Het hier betoogde neemt niet weg dat de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid kan blijken uit een analyse van het beleid door onderzoekers. In de overwegingen die de OK tot wanbeleid doen besluiten kunnen de verantwoordelijkheden eveneens aan de orde komen. Dat is echter iets volstrekt anders dan een verklaring van de rechter, op daartoe strekkend verzoek, in het dictum van de uitspraak, dat bepaalde personen in de aangegeven omvang voor (de gevolgen van) het wanbeleid verantwoordelijk (kunnen) zijn. (…)’’
Middelonderdeel i.
Beoordeling van middelonderdeel i.
Middelonderdeel ii.
Beoordeling van middelonderdeel ii.
Conclusie.