Conclusie
23/03186
[verzoeker])
curator)
[verweerster 2])
[verweerster 3])
[verweerder 4])
[verweerder 5])
[verweerder 6])
[verweerder 7])
[verweerder 8])
[verweerder 9])
23/03233
Providence Commissarissen)
[partijen 2 t/m 6], in vrouwelijk enkelvoud)
Estro Groep). Eind 2019 heeft de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de
OK) een onderzoek gelast als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro naar het beleid en de gang van zaken van Catalpa N.V. (hierna:
Catalpa), een eind 2010 door juridische fusie met Estro Groep verdwenen rechtspersoon. Begin 2022 is het onderzoeksverslag ter griffie van de OK gedeponeerd. In de thans bestreden beschikking, die 59 pagina’s beslaat, stelt de OK vast dat sprake is van wanbeleid van Catalpa (art. 2:355 BW Pro). Voor dit wanbeleid houdt de OK verantwoordelijk Catalpa’s bestuur en haar raad van commissarissen (hierna ook: de
rvc). Ook vernietigt de OK twee déchargebesluiten, voor zover zij betrekking hebben op het geconstateerde wanbeleid (art. 2:356 BW Pro). En veroordeelt de OK [verzoeker] en de Providence Commissarissen hoofdelijk tot betaling van de onderzoekskosten van € 220.044,50 exclusief btw (art. 2:354 BW Pro). In cassatie wordt deze beschikking bestreden door [verzoeker] , door de curator en door de Providence Commissarissen. Zij hebben daarbij allen diverse pijlen op hun boog. M.i. treft geen daarvan doel en kan genoemde beschikking in stand blijven. Ik leg uit waarom.
1.Feiten
tweedefasebeschikking). Ik citeer:
leveraged buy out(
LBO). Ter financiering van de overname is NCC geldleningen aangegaan bij een bankensyndicaat en bij haar moedervennootschap, die is gelieerd aan Providence. Na de overname is Catalpa als verdwijnende vennootschap gefuseerd met NCC, met als beoogd gevolg dat de schulden van NCC kwamen te drukken op het vermogen van Catalpa zelf. Daarmee konden de leden van het bankensyndicaat ook de activa van Catalpa als (mede)schuldenaar uitwinnen.
Waterland). In 2003 zijn de overige aandelen verkocht aan Waterland. Catalpa is vervolgens door de opening van nieuwe locaties, door uitbreiding van bestaande locaties en door overnames van andere kinderopvangorganisaties sterk gegroeid in omvang.
Benca), een kleindochtervennootschap van investeringsmaatschappij Bencis Capital Partners B.V. (hierna:
Bencis). In dat jaar had Catalpa een omzet van € 68 miljoen. In de daaropvolgende periode nam het aantal overnames toe en is de omzet van Catalpa gestegen van € 113 miljoen in 2007, € 143 miljoen in 2008 tot € 203 miljoen in 2009. In die periode is de onderneming van Catalpa gegroeid tot meer dan 400 vestigingen waarbinnen circa 40.000 kinderen werden opgevangen.
Aplatac) hield alle aandelen in Benca. Bencis hield indirect 89,25% van de aandelen in Aplatac, Stichting Administratiekantoor Benca (hierna:
STAK) hield de overige 10,75%. [verzoeker] hield door STAK uitgegeven certificaten van aandelen corresponderende met 2,22% van de aandelen in Aplatac.
het bestuur van Catalpaworden daarmee [verweerster 2] en [verweerster 3] en, afhankelijk van het desbetreffende tijdvak, ook [verzoeker] bedoeld.
ACHTERGROND:
Catalpa) (…). De succesvolle bieder zal het gehele uitstaande kapitaal van de directe en indirecte dochters van Catalpa (
Catalpa Groep) verkrijgen. (…) De transactie omschreven in deze overweging (A), inclusief de mogelijke herfinanciering, zal worden aangehaald als de
Transactie;
CMO), dat reeds een aantal ontmoetingen met het management van Catalpa heeft gehad om te discussiëren over zaken die betrekking hebben op de Catalpa Groep als geheel. Het CMO bestaat uit de voorzitters van elke ondernemingsraad binnen de Catalpa Groep.
2.EXCLUSIEF ADVIESRECHT
4.DIVERSEN
Providence) hield in dat de koopsom wordt gefinancierd door eigen vermogen en vreemd vermogen. Daarnaast wenste Providence dat [verweerster 3] en [verweerster 2] ieder ook zelf zouden investeren in Catalpa.
CMO) om advies zal worden gevraagd.
Adviesaanvraag I). De financiering van de overname is volgens de adviesaanvraag “volledig uiteengezet” in Bijlage 1 bij de adviesaanvraag met de titel “Financieringsstructuur”. Bijlage 2 bevat antwoorden van Providence op vragen van het CMO.
Term Loanszullen worden gebruikt voor de financiering van de voorgenomen overname en de herfinanciering van de bestaande schulden van de Catalpa groep. De
Revolving Credit Facilityzal onder meer worden aangewend voor werkkapitaal. De
Capital Expenditure Facilityzal voornamelijk worden aangewend voor de financiering van toekomstige acquisities door Catalpa. (…)
NCC). NCC is een vennootschap die deel uitmaakt van de door Providence voor dit doel opgerichte vennootschappelijke structuur.
Bankfinancieringof
SFA). De Bankfinanciering bestond uit het volgende.
Facility A). Het gaat hier om een ‘balloon loan’ (terug te betalen in jaarlijks oplopende bedragen).
Facility B). Het gaat hier om een ‘bullet loan’ (aflossing ineens na zeven jaar).
RCF). De RCF was onder meer bestemd voor herfinanciering van bestaande schuld van Catalpa.
Capex Facility). De Capex Facility was mede bestemd ter financiering van toekomstige operationele activiteiten van Catalpa.
Providence Lening). De Providence Lening was achtergesteld ten opzichte van de Bankfinanciering. Over de Providence Lening was NCC een rente van 15% per jaar verschuldigd, met dien verstande dat NCC Holdco III B.V. gerechtigd was de periodieke rentebetaling toe te voegen aan de hoofdsom door middel van een “Payment In Kind Note”. De Providence Lening was een ‘bullet loan’: zij diende in haar geheel in 2019 te worden afgelost. Inclusief op de hoofdsom bijgeschreven rente zou het dan gaan om een bedrag van bijna € 800 miljoen.
A&O) in juli 2010 ingeschakeld voor juridisch advies over de documentatie die Catalpa diende te tekenen in verband met de overname door Providence.
‘debt push down’) en de door het bestuur daarbij te maken afweging van het belang van de vennootschap, houdt onder meer in dat haar eerdere commentaar ten onrechte niet is overgenomen in het aangepaste concept, dat er in het concept in strijd met de werkelijkheid is opgenomen dat er al een analyse is gemaakt waaruit blijkt dat de ‘debt push down’ in het belang van de onderneming is en dat die tekst om die reden niet kan worden geaccepteerd. In het commentaar van A&O aan Freshfields staat met betrekking tot “Clause 14”:
Rapport I) na een “high level analyse op de financieringsstructuur en de bijbehorende financiële covenants”, ondanks “de beperkte tijd en de op onderdelen incomplete informatie”. Per saldo is zijn eerste indruk: [3]
onbehoorlijke taakvervulling) in respect of such decision,
vennootschappelijk belang) as well as for the benefit of the Group as a whole and conducive to the realisation of and useful in connection with the Company's corporate objects (
doel) and (ii) not prejudicial to the interests of the Company's present and future creditors and that the terms of the Documents are bona fide arm's length commercial terms and the transactions contemplated thereby are entered into by the Company for bona fide commercial reasons.”
‘carve out’). Van de Bankfinanciering is Facility A en een groot gedeelte van Facility B aangewend om de koopprijs te financieren. Een klein deel van Facility B is gebruikt om bestaande schulden te herfinancieren. Als gevolg van de ‘carve out’ zag de borgstelling van Catalpa dan ook slechts op dat laatste deel van Facility B.
Adviesaanvraag II). Deze adviesaanvraag houdt onder meer het volgende in:
2. Achtergrond
Adviesaanvraag). Op 1 juli jl. heeft u daarover een positief advies uitgebracht. Zoals u weet is de overname van Catalpa door Providence via verkrijging door de door Providence opgerichte houdstermaatschappij NCC van de aandelen in Catalpa, op 16 augustus jl. afgerond.
Term Loanster hoogte van € 230 miljoen, een
Revolving Credit Facilityvan € 10 miljoen en een
Capital Expenditure Facilityvan € 40 miljoen. Voor een verdere toelichting verwijzen wij naar Bijlage 1 Financieringsstructuur bij de Adviesaanvraag.
3.Redenen en motivering voor het voorgenomen besluit
financieel steunverbod), is ervoor gekozen om de acquisitiefinanciering aan te trekken op het niveau van NCC. NCC heeft op haar beurt een zogenaamde
intercompanylening verstrekt aan Catalpa. Het doel van de voorgenomen juridische fusie tussen NCC en Catalpa is ervoor te zorgen dat de aandelen van Catalpa formeel verdwijnen en opgaan in NCC dat als overblijvende vennootschap het nieuwe hoofd van de Catalpa groep zal worden. Door het effectueren van de fusie zal het hiervoor geschetste verbod verdwijnen en wordt aangenomen dat de groepsmaatschappijen van Catalpa zekerheden kunnen stellen en garanties mogen afgeven onder de aangegane financieringsstructuur.
4.Beschrijving van juridische fusie
5.Gevolgen werknemers
6.Timing en vertrouwelijkheid
Bestuursmemorandum) gemaild, waarin het verkoopproces, de overname door Providence en de daarmee gepaard gaande financiering door het bestuur wordt beschreven ten behoeve van Catalpa’s rvc en waarin verslag wordt gedaan van de besluitvorming door het bestuur van Catalpa en de afweging die het bestuur heeft gemaakt met betrekking tot het vennootschappelijk belang van Catalpa. Hierin is over de aftrekbaarheid van de rente op de Providence Lening het volgende opgenomen:
Rapport II). De onder 1.31 hiervoor opgenomen citaten uit het concept komen daarin terug. Blijkens dit rapport bedraagt de ‘leverage’ (‘net debt/EBITDA’; waarbij de Providence Lening niet is meegerekend) bij aanvang 4,9. In het rapport worden de te verwachten gevolgen van de Bankfinanciering in verschillende scenario’s doorgerekend:
Het [financieel adviseur 2] Rapport II gaat uit van een omvang van de Providence Lening van € 145 miljoen, terwijl die lening € 225 miljoen bedroeg. In het [financieel adviseur 2] Rapport II wordt ervan uitgegaan dat de rente op de Providence Lening in aftrek kan worden gebracht en dat de renteverplichting wordt bijgeschreven op de hoofdsom, zodat de kasstroom niet wordt beïnvloed door renteverplichtingen uit hoofde van de Providence Lening. De impact van de aftrekbaarheid van de rente van de Providence Lening wordt “considerate” en “material” genoemd. [financieel adviseur 2] adviseert daarom over de Providence Lening:
Estro Groep).
eerstefasebeschikking) heeft de OK een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van Catalpa over de periode vanaf 1 januari 2009 tot 9 december 2010 en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van de faillissementsboedel van Estro Groep.
onderzoeksverslagrespectievelijk de
onderzoekers) is op 4 maart 2022 ter griffie van de OK gedeponeerd.
2.Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
primairde volgende oud-functionarissen van Estro Groep te veroordelen in de kosten van het onderzoek en in de overige proceskosten, conform de volgende staffel:
subsidiair, voor zover [verweerster 3] niet aansprakelijk is voor de onderzoekskosten: hoofdelijke veroordeling van de sub c hiervoor genoemde belanghebbenden in de kosten van het onderzoek en in de overige proceskosten van dit geding.
stelt vastdat zich bij Catalpa wanbeleid heeft voorgedaan met betrekking tot: (i) de medezeggenschap in de periode 25 juni 2010 t/m de effectuering van de juridische fusie op 8 december 2010; en (ii) de voorbereiding, besluitvorming en totstandkoming van de juridische fusie in de periode van 4 augustus 2010 t/m 8 december 2010. (rov. 4.1)
stelt vastdat [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verzoeker] , [verweerder 4] , [verweerder 5] , [verweerder 6] en [verweerder 7] voor dit wanbeleid verantwoordelijk zijn. (rov. 4.2)
vernietigthet besluit van Benca als enig aandeelhouder van Catalpa van 16 augustus 2010, voor zover daarin décharge aan Benca is verleend voor het door haar gevoerde bestuur van Catalpa en deze décharge betrekking heeft op het door de OK vastgestelde wanbeleid. (rov. 4.3)
vernietigthet besluit van de algemene vergadering van Catalpa Holding B.V. [10] van 21 april 2011, voor zover daarin décharge is verleend aan het bestuur en aan de raad van commissarissen van Catalpa Holding B.V. over het boekjaar 2010 en deze décharge betrekking heeft op het door de OK vastgestelde wanbeleid. (rov. 4.4)
veroordeelt, hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad: [verzoeker] en de Providence Commissarissen tot betaling aan de curator van de kosten van het onderzoek ter grootte van € 220.044,50 exclusief btw. (rov. 4.5 en 4.7)
veroordeelt, hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad: [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verzoeker] , [verweerder 4] en de Providence Commissarissen in de kosten van de procedure, tot de tweedefasebeschikking aan de kant van de curator begroot op € 3.892. (rov. 4.6-4.7)
wijst afhet verzoek van de curator voor het overige. (rov. 4.8)
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
P1en
P2). Het (incidentele) cassatiemiddel van de curator bevat een onderdeel. Het cassatiemiddel van de Providence Commissarissen bevat zeven onderdelen (hierna ook:
PC1t/m
PC7). Bij de bespreking van de middelen hanteer ik de volgende thematische onderverdeling: (verantwoordelijkheid voor) wanbeleid (sub I); [15] vernietiging van déchargebesluiten (sub II); [16] en veroordeling in de onderzoekskosten (sub III). [17] Tot slot behandel ik een voortbouwklacht (sub IV). [18]
Providence Commissarissenwordt met de onderdelen PC-1 t/m PC-4 bestreden de beslissing van de OK (en daaraan ten grondslag liggende oordelen) in de tweedefasebeschikking dat, samengevat, zich bij Catalpa wanbeleid heeft voorgedaan waarvoor het bestuur en de rvc verantwoordelijk zijn.
De rol van het ‘publieke belang’ in het procesdossier voorafgaand aan de tweedefasebeschikking, en in die beschikking
(…)
1.1. Catalpa voerde een onderneming op het gebied van kinderopvang. Het hield zich bezig met (i) dagopvang voor kinderen in kinderdagverblijven voor de jongste kinderen, (ii) voor- en naschoolse opvang, en (iii) gastouderopvang. De dagopvang was in 2009 goed voor circa 73% van de omzet, de buitenschoolse opvang voor 25% en de gastouderopvang voor 1%. In 2009 had Catalpa meer dan 5.000 werknemers (ruim 2.700 fte’s).
private equity. Immers, in 2001 trad Waterland (via Waterland Private Equity Fund) toe als aandeelhouder van Catalpa en werd in 2006 Bencis Capital Partners aandeelhouder. Catalpa heeft zich in deze periode uiteindelijk ontwikkeld tot een zeer winstgevende onderneming die marktleider was. In zoverre begaf Catalpa zich dus niet op onbekend terrein. (…)
(…)
4.6. De onderzoekers kunnen in financiële zin niet beoordelen of het Bestuur de robuustheid van de toekomstige kasstromen voldoende kritisch heeft getest of laten testen.
private equityheeft veel geld geïnvesteerd. Zo werd tegemoetgekomen aan de vraag naar kinderopvang. We hebben hieraan voldaan met behulp van de
buy-and-build-strategie; deze was maatschappelijk ingegeven.”
private equityin het transactieproces. Wij hebben niets veronachtzaamd.”
board-niveau. Gelet op het effect dat een deconfiture op de maatschappij zou hebben, dan zou dit in al die dikke rapporten bij deze enorme onderneming een rol moeten hebben gespeeld. Op de vraag van de jongste raadsheer waartoe dit had moeten leiden, antwoord ik dat ik niet weet of dit gemakkelijk te kwantificeren zou kunnen zijn. Maar wel had je moeten kijken naar de mogelijke impact op de maatschappij.”
Ik hoor dat de jongste raadsheer aan ons voorhoudt dat minister Rouvoet in juni 2010 de Kamer heeft geschreven de subsidiëring met ingang van 2011 te gaan matigen, hetgeen is herhaald op Prinsjesdag en er vervolgens opnieuw bezuinigingen zijn voorgesteld; dit gebeurde vlak na het Bain-rapport. Ik geef daarop te kennen dat je er rekening mee moet houden dat er vóór verkiezingen gekke dingen gebeuren, terwijl er in het regeerakkoord toch weer rationele afspraken worden gemaakt. Niemand heeft de inschatting gemaakt dat het toch zó fors achteruit zou gaan. Er is weliswaar informatie gekomen, maar de waarde daarvan moest je met een korrel zout nemen.”
private equity-partijen om je strategie voort te kunnen zetten. (…) Er was indertijd sprake van een tendens van omzetting van informele naar formele opvang, en dit kwam nog bovenop het inhalen van de wachtlijsten dat moest gebeuren.” [33]
Cancun)).
nade overname, concreet via continuïteit en toegankelijkheid van een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare kinderopvang in de door Catalpa geëxploiteerde kinderopvanglocaties. [42] Dit een en ander was toen ook onderdeel van de economische werkelijkheid, sluit in dat als toen zulk bevorderen uitbleef dit ook zou althans kon leiden tot - te vermijden - benadeling van dit publieke belang, en onderstreept dat Catalpa’s belang toen
vooralwerd bepaald door zulk bevorderen (zie reeds rov. 3.13.1-3.13.2). Aldus, zo valt samen te vatten, werd toen dit vennootschapsbelang bij zulk bevorderen ‘gekleurd’ door dit publieke belang. [43] De OK bedoelt logischerwijs niet iets anders waar zij daarna in de tweedefasebeschikking, in telkens wisselende bewoordingen, verwijst naar dit publieke belang. [44]
nietnaar een publiek belang moeten richten, maar moeten richten op het zo kostenefficiënt mogelijk aanbieden van hoogwaardige kinderopvang. [54]
sub ahiervoor ziet het subonderdeel vooreerst eraan voorbij dat de OK nergens in de tweedefasebeschikking overweegt dat in de relevante periode (in 2010) “het vennootschappelijke belang van Catalpa” als zodanig mede werd gekleurd door dit publieke belang. Hetgeen de OK vooropstelt in de derde zin van rov. 13.3.3, en waarop zij daarna voortbouwt, is dat “het belang van de vennootschap bij het bestendige succes van haar onderneming na overname” mede werd gekleurd door dit publieke belang. Dit is niet hetzelfde. Zie mede onder 3.7.10-3.7.11.6 hiervoor.
sub ahiervoor ziet het subonderdeel verder eraan voorbij dat ter zake bepalend is niet wat toen volgde uit Catalpa’s statuten, maar uit de omstandigheden van dit geval. De OK kon dit publieke belang relateren - gelijk zij dus doet - aan wat naar haar oordeel toen binnen die omstandigheden onderdeel was van de economische werkelijkheid van dit geval, in het bijzonder die aard/omvang en dat verdienmodel van Catalpa’s onderneming. Zie mede onder 3.7.10-3.7.11.6 hiervoor.
sub bhiervoor ziet het subonderdeel eraan voorbij dat de OK nergens in de tweedefasebeschikking overweegt dat het in die relevante periode “de taak” van (de bestuurders en commissarissen van) Catalpa was dit publieke belang “te behartigen” (of te bevorderen), en dat haar vennootschapsbelang dit publieke belang “omvatte”. Ook hier geldt: hetgeen de OK vooropstelt in de derde zin van rov. 13.3.3, en waarop zij daarna voortbouwt, is dat “het belang van de vennootschap bij het bestendige succes van haar onderneming na overname” mede werd gekleurd door dit publieke belang. Zie mede onder 3.7.10-3.7.11.6 en 3.12.1 hiervoor.
sub chiervoor speelt een vergelijkbaar probleem. Hier ziet het subonderdeel eraan voorbij dat de OK nergens in de tweedefasebeschikking overweegt dat Catalpa in die relevante periode “(mede) een publiek belang” diende “na te streven” en dat haar bestuur en rvc “zich bij het nastreven van het vennootschappelijke belang (mede) daarnaar moeten richten.” Ook hier geldt: hetgeen de OK vooropstelt in de derde zin van rov. 13.3.3, en waarop zij daarna voortbouwt, is dat “het belang van de vennootschap bij het bestendige succes van haar onderneming na overname” mede werd gekleurd door dit publieke belang. Zie mede onder 3.7.10-3.7.11.6, 3.12.1 en 3.12.3 hiervoor.
sub dhiervoor voortbouwt op 3.9.2 sub a t/m c hiervoor strandt het reeds daarop. Zie onder 3.12.1-3.12.4 hiervoor. Verder ziet het subonderdeel hier vooreerst eraan voorbij dat blijkens Hoge Raad-rechtspraak (i) ook in die relevante periode een publiek belang relevant kon zijn “voor de juridische beoordeling van de taakuitoefening van het bestuur of de raad van commissarissen”, terwijl (ii) ook toen niet de heersende opvatting was dat “het aandeelhoudersbelang de boventoon voerde” in het vennootschapsbelang. [56] En verder dat de enkele beleidswijziging van overheidswege inzake kinderopvangvergoeding na die relevante periode (want in 2011), voor zover daarvan sprake was, nog niet maakt dat ‘dus’ in die relevante periode (dus in 2010) het publieke belang als geduid door de OK in rov. 3.13.3 niet bestond, door Catalpa’s bestuur en rvc niet betrokken diende te worden in hun afwegingen, of de door hen te betrachten zorgvuldigheid niet mede bepaalde. Zie mede onder 3.7.10-3.7.11.6 hiervoor.
ten eerstedat het oordeel van de OK dat het vennootschappelijke belang bij het bestendige succes van haar onderneming na de overname mede werd gekleurd door het publieke belang bij de continuïteit en toegankelijkheid van kwalitatief hoogwaardige en betaalbare kinderopvang in de door Catalpa geëxploiteerde kinderopvanglocaties (rov. 3.13.3, 3.17.2, 3.17.5), onvoldoende grondslag heeft in het onderzoeksverslag en/of in gebeurtenissen buiten de in het onderzoek betrokken periode en waarover partijen zich hebben uitgelaten of konden uitlaten. [58]
ten tweededat de in rov. 3.13.3 genoemde omstandigheden om aan te nemen dat het belang van de vennootschap mede werd gekleurd door dit publieke belang, in het bijzonder de omstandigheid dat het verdienmodel van de onderneming in belangrijke mate was gebaseerd op de beschikbaarstelling van geld dat van overheidswege werd verstrekt om een voldoende aanbod aan kwalitatief hoogwaardige en betaalbare kinderopvang te waarborgen, niet volgen uit het onderzoeksverslag (en al helemaal niet in de context van een 'publiek belang'). De OK kon deze feiten niet zelf aanvullen. Zij heeft dit miskend, althans haar oordeel is ontoereikend gemotiveerd nu niet duidelijk is waarop zij het door haar genoemde publieke belang heeft gebaseerd (en waaruit dat zou volgen in het onderzoeksverslag). [59]
ten derdedat de OK verweerders in de gelegenheid had moeten stellen zich erover uit te laten dat zij voornemens was op basis van de in rov. 3.13.3 genoemde omstandigheden [60] te oordelen dat het belang van de vennootschap mede werd gekleurd door dit publieke belang. De beperkte verwijzingen van de curator in het eerstefaseverzoekschrift en de enkele constatering van de onderzoekers dat zij zich niet zouden uitlaten over de rol van het publieke belang, alsmede de afwezigheid van een partijdebat over deze omstandigheden in het kader van het meewegen van een publiek belang, maken dat partijen er niet bedacht op moesten zijn dat de OK op basis van deze omstandigheden zou oordelen dat dit publieke belang het vennootschappelijke belang van Catalpa mede kleurde (en zou meewegen of al dan niet sprake is van handelen in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap). De OK heeft dit miskend, althans is buiten de rechtsstrijd getreden door aldus een publiek belang te identificeren en in haar beoordeling te betrekken. [61]
eerste: het is niet zo dat het oordeel van de OK over gebleken wanbeleid uitsluitend zijn grondslag kan vinden in, en volledig moet zijn gebaseerd op, hetgeen uit het onderzoek is gebleken. [62] Ten
tweede: de OK is evenmin gebonden aan de oordelen die de onderzoeker in zijn verslag heeft verbonden aan de door hem onderzochte feiten, zij kan derhalve - mede gezien het processuele debat - tot een ander oordeel over de onderzochte handelingen komen. [63] Ten
derde: onder 3.7.1-3.7.7 en 3.7.11-3.7.11.6 hiervoor ben ik ingegaan op de rol van het ‘publieke belang’ in het procesdossier voorafgaand aan (en in) de tweedefasebeschikking. Ten
vierde: het in de eerstefasebeschikking gelaste onderzoek betreft het beleid en de gang van zaken van Catalpa van 1 januari 2009 tot 9 december 2010. En ten
vijfde: het door de OK in de tweedefasebeschikking vastgestelde wanbeleid van Catalpa valt binnen die periode, want betreft (i) de medezeggenschap van 25 juni 2010 t/m de effectuering van de juridische fusie op 8 december 2010 en (ii) de voorbereiding, besluitvorming en totstandkoming van die fusie van 4 augustus 2010 t/m 8 december 2010 (zie rov. 3.20 en 4.1).
eerste klachtziet het subonderdeel vooreerst eraan voorbij dat de OK ook tot het bestreden oordeel kon komen zonder dat daarvoor (voldoende) grondslag aanwezig was in gebeurtenissen die zich buiten de in het onderzoek betrokken periode hebben voorgedaan en waarover partijen zich hebben uitgelaten of konden uitlaten. Het in de klacht gedane beroep op een (voldoende) grondslag in het onderzoeksverslag biedt evenmin soelaas. De OK kon voor dit bestreden oordeel, dat betrekking heeft op de onderzoeksperiode, afdoende basis vinden in het procesdossier voorafgaand aan de tweedefasebeschikking. Deze basis omvat ook het onderzoeksverslag, dat hier niet irrelevant is. Het daarin ter zake geboden aanknopingspunt is - zo al vereist - afdoende, bezien ook in het licht van dit procesdossier in totaliteit. Zie de vooropstellingen onder 3.15 hiervoor. Daarbij zij bedacht dat dit bestreden oordeel onderdeel is van een meeromvattende wanbeleidanalyse van de OK in die beschikking (zie rov. 3.9-3.19), in welk bredere verband zij uitvoerig wijst op bevindingen van de onderzoekers, daarbij ook royaal citerend uit het onderzoeksverslag (zie rov. 3.9-3.9.9). Het voorgaande wordt naar de aard nog niet anders door de opmerking van de onderzoekers in het onderzoeksverslag [64] - geciteerd onder 3.7.5 hiervoor - dat zij daarin niet ingaan op “de vraag in hoeverre het maatschappelijk karakter een rol speelt bij de gang van zaken bij Catalpa”, nu zij menen dat deze vraag “door de Ondernemingskamer moet worden beantwoord”. Wat de OK dus ook doet in de tweedefasebeschikking, met inachtneming van genoemd procesdossier waaronder het onderzoeksverslag.
tweede klachtziet het subonderdeel eraan voorbij [65] dat de tweede zin van rov. 3.13.3 van de tweedefasebeschikking - die de klacht in het bijzonder bestrijdt - kenbaar voortvloeit uit de eerste zin ervan, die weer kenbaar aansluit op rov. 3.18 van de eerstefasebeschikking. Dat het procesdossier voorafgaand aan de tweedefasebeschikking daarvoor ook de ruimte bood. Dat het onderzoeksverslag mede verwijst naar rov. 3.18 van de eerstefasebeschikking, de historische ontwikkeling van Catalpa, haar marktleiderschap en het verdienmodel van haar onderneming. Dat de derde zin van rov. 3.13.3 van de tweedefasebeschikking weer kenbaar voortvloeit uit de eerste en tweede zin ervan. En dat dit procesdossier ook daarvoor de ruimte bood. Zie onder 3.7.2-3.7.7 en 3.7.11-3.7.11.6 hiervoor. Kortom: dit kon de OK zo doen, al staat wat zij daar overweegt - met name in de tweede en derde zin van rov. 3.13.3 - niet integraal in het onderzoeksverslag. Zie tevens de vooropstellingen onder 3.15 hiervoor. Bij deze stand van zaken is er derhalve geen sprake van een verboden feitenaanvulling door de OK. Noch van een ontoereikende motivering wegens onduidelijkheid waarop de OK dit publieke belang baseert. Daarbij geldt dus niet dat dit laatste integraal moet volgen uit het onderzoeksverslag. Zie ook onder 3.16 hiervoor.
derde klachtziet het subonderdeel voorbij aan de rol van het ‘publieke belang’ in het procesdossier voorafgaand aan de tweedefasebeschikking. Zie specifiek de derde vooropstelling onder 3.15 hiervoor. Daaruit, in verbinding met 3.16-3.17 hiervoor, volgt dat de OK met het bestreden oordeel in rov. 3.13.3 geen verrassingsbeslissing heeft gegeven noch buiten de rechtsstrijd is getreden, art. 24 Rv Pro heeft geschonden en/of onvoldoende gelegenheid heeft geboden voor hoor en wederhoor.
eerste klachtis enigszins cryptisch geformuleerd. Ik citeer daarom:
tweede klachtkomt erop neer dat voor zover de OK “dit niet heeft miskend”, haar oordeel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is in het licht van bepaalde stellingen van de Providence Commissarissen en de bestuurders “waaruit volgt dat niet onnodig en onevenredig inbreuk is gemaakt op, kort gezegd, het publieke belang.” Daartoe wijst de klacht sub a t/m d op stellingen met vindplaatsen. [73]
eerste klacht.
sub (i)wat betreft de vereiste zorgvuldigheid uit van een harde beperking. Daartoe doet de klacht een beroep op Hoge Raad-rechtspraak, [74] maar daarin staat niet wat de klacht propageert [75] (van welke opvatting de OK terecht niet uitgaat, gezien ook rov. 3.13.1, eerste alinea). Daar wijst de Hoge Raad erop dat de desbetreffende zorgvuldigheidsverplichting “kan meebrengen” dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang “ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.” Het
eerstecitaat (“kan meebrengen”) wijst erop dat dit geen uitputtende, altijd toepasselijke invulling van die zorgvuldigheidsverplichting betreft. Zo valt niet uit te sluiten dat in een concreet geval die contextgebonden verplichting meebrengt dat de bestuurders dan ervoor zorgen dat dit betrokken belang niet (noemenswaardig) wordt geschaad, dus niet ‘slechts’ ervoor zorgen dat die belangen niet onnodig of onevenredig worden geschaad. [76] Het
tweedecitaat (“ervoor zorgen dat”, etc.) wijst erop dat het gaat om die door de bestuurders te betrachten zorg met een bepaalde gerichtheid (hier op voorkoming van zulk onnodig of onevenredig schaden van een betrokken belang), hetgeen een verwachte gedragslijn van deze actoren betreft. Wat niet hetzelfde is als de vraag of “onnodig en onevenredig inbreuk is gemaakt” op een betrokken belang, hetgeen een (in het bevestigende geval: voor dit belang negatief) resultaat betreft. Overigens kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aan een dergelijk belang ook betekenis toekomen bij de concretisering van wat het vennootschapsbelang inhoudt. Zie onder 3.7.11.1 en 3.7.11.4-3.7.11.5 hiervoor. En geldt ook ten aanzien van het dienen van het vennootschapsbelang dat bestuurders bij hun taakvervulling de nodige zorgvuldigheid dienen te betrachten, dus jegens de rechtspersoon. [77] Voor commissarissen liggen de zaken, met inachtneming van hun wettelijke taak, niet wezenlijk anders.
sub (i)niet duidelijk wat het bedoelt met “terughoudend”. [78] En maakt
sub (ii)evenmin duidelijk waar, en waaruit blijkt dat, de beoordeling door de OK in de tweedefasebeschikking niet in die zin “terughoudend” zou zijn (dan wel niet conform genoemde harde beperking, die dus geen steun vindt in het recht: zie onder 3.23.3 hiervoor). [79] Daarmee is ook de ondergrens van art. 426a lid 2 Rv wel onderschreden. Overigens zie ik nergens in de tweedefasebeschikking dat de OK in de wanbeleidcontext op een onjuiste, want te strenge wijze beziet of en in hoeverre Catalpa’s bestuurders en commissarissen in de relevante periode (in 2010) in hun afwegingen dit te betrekken publieke belang ook hebben betrokken. Blijkens rov. 3.15.3, 3.17.2, 3.17.5 en 3.20 verdisconteert de OK dit als een van de factoren in een veel breder opgezette beoordeling van de door Catalpa’s bestuurders en commissarissen betrachte zorgvuldigheid, met oog voor de overige omstandigheden van dit geval. Waarbij de OK bovendien in aanmerking neemt - zie reeds rov. 3.13.5 - dat (mede) vanwege dit publieke belang op de bestuurders een verhoogde zorgvuldigheidsplicht rustte, en - zie reeds rov. 3.13.4-3.13.5 - dat een verhoogde zorgvuldigheidsplicht ook geïndiceerd was door tegenstrijdige belangen van bestuurders én commissarissen. [80] Verder verdient opmerking dat wat de OK in rov. 3.20 concludeert ten aanzien van het daarvoor vastgestelde onzorgvuldige handelen door (bestuurders en commissarissen van) Catalpa, afdoende is om te kunnen spreken - zoals de OK daar doet - van wanbeleid van Catalpa in de zin van art. 2:355 lid 1 BW Pro. [81]
sub (iii), reeds nu het subonderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist door een onjuiste lezing van de tweedefasebeschikking. Want de OK heeft in rov. 3.13.6 met die “vgl. onder meer”-verwijzing, gezien ook de daar genoemde bronnen, [82] kenbaar het oog op de vanwege
tegenstrijdigbelang (niet: dit publieke belang) vereiste verhoogde zorgvuldigheid.
tweede klacht.
d) hieronder”, “juist over de gehele breedte gezien sprake [is] geweest van een prima bedrijfsvoering gedurende de periode dat de Providence Commissarissen als commissaris fungeerden.” Gevolgd door de stelling: “De nauwe samenwerking en bereidheid tot flexibiliteit vanuit de aandeelhouder jegens Estro toen een jaar later zwaar weer opstak, getuigen daar eveneens van.” Gevolgd door dat “punt (
d) hieronder” en daarop aansluitende stellingen, die alle gaan over “de gang van zaken na de Transactie.” Dus ná “de overname van [Catalpa] door [Providence], bestaande uit de acquisitie van de aandelen op 16 augustus 2010 van Catalpa door [NCC] en de daaropvolgende juridische fusie tussen [NCC] en Catalpa op 8 december 2010.”
wat betreft (i). [87] Dit kon naar de aard hoogstens een rol spelen “bij de acquisitie (i.e. tot en met
closing). [88] ” Want “[h]et bedrag c.q. de bonus die aan de bestuurders werd betaald”, zag op die acquisitie (zie rov. 3.9.8); werd betaald bij die ‘closing’ op 16 augustus 2010 (zie rov. 2.4, 2.6 en 2.28.2); “en kwam daarmee dus tot een einde voorafgaand aan de op de acquisitie volgende fusie.” Daarom komt een eventueel uit (i) voortvloeiend tegenstrijdig belang van de bestuurders bij (en ten tijde van) die acquisitie geen relevantie toe bij de beoordeling of een tegenstrijdig belang tot een verhoogde zorgvuldigheidsplicht leidde voor de bestuurders bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de daarop volgende juridische fusie (zie rov. 3.13.4). Dit wordt niet anders doordat Catalpa als “Additional Borrower” toetrad tot de Bankfinanciering met betrekking tot de RCF en de Capex Facility, en als borg voor het kleine gedeelte van Facility B dat werd aangewend om bestaande schulden te herfinancieren (zie rov. 2.28.2, 3.14 en 3.17.2). Volgens de OK leverde deze toetreding geen wanbeleid op (zie rov. 3.14 en 2.28.6). Bovendien “was deze toetreding afgerond met de acquisitie. [89] ”
wat betreft (ii). [90] Ook dit biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang van de bestuurders, met een verhoogde zorgvuldigheid tot gevolg. Want de bestuurders hebben erop gewezen (zie ook rov. 3.11) dat de enkele omstandigheid dat zij een economisch belang hadden ontoereikend is om te oordelen dat zij geconflicteerd waren. En dat "[d]e bonusregeling beoogde de belangen van Catalpa en [verweerster 3] op een lijn te brengen door de waardecreatie gedurende de bestuursperiode van [verweerster 3] en [verweerster 2] contant te maken per het moment van de exit.” Het belang van Catalpa en de bestuurders was dus juist gericht op hetzelfde: het bestendige succes van Catalpa na de acquisitie. Alleen dan zouden de bestuurders immers profiteren van deze regeling. De bestuurders hebben ook aangevoerd - ter illustratie dat het bestuur zich niet liet leiden door maximalisatie van hun persoonlijke gewin - dat zij Bencis ertoe hebben bewogen niet met de hoogste bieder in zee te gaan (Carlyle), maar met de op een na hoogste bieder (Providence). De belangen van de bestuurders en commissarissen enerzijds en Catalpa anderzijds liepen juist parallel.
ten eerstedat voor zover de OK met de verwijzing in rov. 3.13.6 naar de aldaar genoemde rechtspraak een minder terughoudend toetsingskader heeft gehanteerd, gebaseerd op de tegenstrijdigbelangregeling in art. 2:129/239 lid 6 BW, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting nu dit toetsingskader niet gold in 2010. [111]
ten tweededat het oordeel van de OK getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is, omdat zonder nadere toelichting - die ontbreekt - evenmin valt in te zien dat door Catalpa’s bestuurders en commissarissen niet is voldaan aan de geldende regels bij tegenstrijdig belang. Want, kort gezegd, aan de dan toepasselijke “enquêterechtelijke zorgvuldigheidsregel ontwikkeld in onder andere de
[…] / […]-beschikking” [112] is in dit geval voldoende invulling gegeven. Catalpa’s bestuurders hebben zorgvuldig de belangen uit elkaar gehouden en dit gewaarborgd door openheid te betrachten. Alle partijen betrokken bij de transactie en Catalpa waren bekend met de posities van de bestuurders en commissarissen bij Bencis, Catalpa en Providence. De bestuurders hebben tevens onafhankelijke derden ingeschakeld die hebben aangegeven dat alle onderdelen van de transactie, van financiering tot juridische fusie, marktconform waren. Daarnaast is ook de destijds geldende wettelijke regeling [113] nageleefd. [114]
eerste klacht.
tweede klacht.
klacht a.
eerstgenoemde stellingen kenbaar betrekt in die beschikking. Het is ook duidelijk dat de OK
laatstgenoemde stellingen, voor zover niet tot uitdrukking gebracht in die beschikking, [127] verder daar laat wegens gebrek aan relevantie. En wel omdat het overwogene in rov. 3.3-3.19 (in verbinding met rov. 2.1-3.2) hoe dan ook afdoende basis biedt voor de vaststelling in rov. 3.20-3.22 van wanbeleid van Catalpa. [128] Dus inzake: (i) het medezeggenschapstraject over de overname, de financiering en de fusie, met inbegrip van de hoge transactiekosten die het bestuur zonder protest heeft geaccepteerd (van 25 juni 2010 t/m 8 december 2010); en (ii) het onderhandelings- en besluitvormingstraject dat voorafging aan en heeft geleid tot de fusie en het verstrekken van zekerheden ter uitvoering van de SFA (van 4 augustus 2010 t/m 8 december 2010). Voor welk wanbeleid Catalpa’s bestuur en rvc verantwoordelijk zijn.
ex tunc(…) erin [is] gelegen de vennootschap en bestuurders en commissarissen te beschermen tegen wijsheid achteraf, maar er niet op [is] gericht om uit te sluiten dat bij de beoordeling van een beslissing kan worden meegenomen [137] of de destijds in het kader van die beslissingen gemaakte afwegingen redelijk zijn mede gelet op hoe een en ander zich daarna heeft ontwikkeld en daaruit bijvoorbeeld naar voren komt dat de gemaakte afweging een juiste inschatting behelsde van toekomstige risico’s.”
klacht b.
Uit deze stellingen volgt dat Catalpa’s rvc meer heeft gedaan dan het ondertekenen van documenten die door de betrokken advocaten waren voorbereid, voldoende kennis had van de voorgenomen transactie, en informatie heeft ontvangen waaruit de deugdelijkheid van de beoordeling door het bestuur bleek. Want aldus hebben de commissarissen voldoende gedaan om betekenisvol invulling te kunnen geven aan hun toezichthoudende taak. Het gaat immers erom “dat zij voldoende in staat waren erop toe te zien op de gronden waarop het bestuur zijn beslissing baseerde en om te beoordelen of het bestuur daartoe op redelijke gronden kon komen.”
Dit wordt niet anders doordat volgens de OK niet is gebleken dat de rvc met betrekking tot de juridische fusie op enig moment daadwerkelijk als college heeft gefunctioneerd en dat niet zou zijn aangevoerd dat de Providence Commissarissen de aanbevelingen uit het [financieel adviseur 2] Rapport II intern of met het bestuur hebben besproken. Want dat doet niet eraan af “dat alle commissarissen (zoals volgt uit het voorgaande) goed op de hoogte waren van de gang van zaken en [op] zorgvuldige wijze hebben beoordeeld of het bestuur op deugdelijke gronden tot het oordeel was gekomen dat medewerking kon worden verleend aan de fusie.”
Daaraan voegt de klacht nog toe:
ten eersteover rov. 3.21, eerste zin, waarin de OK mede oordeelt dat zij Catalpa’s rvc verantwoordelijk houdt voor “dat wanbeleid” (als nader uiteengezet in rov. 3.20). Dit oordeel is onbegrijpelijk, gelet op het volgende. Blijkens rov. 3.20 omvat dat wanbeleid: (i) het medezeggenschapstraject over de overname, de financiering en de fusie, met inbegrip van de hoge transactiekosten die het bestuur zonder protest heeft geaccepteerd (van 25 juni 2010 t/m 8 december 2010); en (ii) het onderhandelings- en besluitvormingstraject dat voorafging aan en heeft geleid tot de fusie en het verstrekken van zekerheden ter uitvoering van de SFA (van 4 augustus 2010 t/m 8 december 2010). Inzake (i) bevatten de overwegingen van de OK evenwel geen verwijten ten aanzien van het handelen van de commissarissen. Deze overwegingen zien uitsluitend op het handelen van het bestuur. Wat betreft Adviesaanvraag I geldt ook dat deze plaatsvond vanaf 25 juni 2010 en in ieder geval eindigde bij de ‘closing’ op 16 augustus 2010, terwijl de eerste leden van de rvc (de Providence Commissarissen) pas op 18 augustus 2010 werden benoemd. Ook in het onderzoeksverslag zijn inzake (i) geen feiten vastgesteld met betrekking tot de rvc die dit oordeel kunnen dragen. [155]
ten tweedeover rov. 3.22, waarin de OK oordeelt dat geen van de commissarissen met betrekking tot Adviesaanvraag II en het fusietraject een betekenisvolle invulling aan de wettelijke taak als commissaris van Catalpa heeft gegeven. Dit oordeel is onbegrijpelijk. Want Adviesaanvraag II ziet op het medezeggenschapstraject (zie onder 3.58.1 sub (i) hiervoor) en ten aanzien daarvan zijn door de OK geen verwijten gemaakt aan de commissarissen in de desbetreffende overwegingen, te weten rov. 3.8.1-3.8.7. [156]
eerste klacht.
tweede klacht.
Providence Commissarissenwordt met onderdeel PC-5 bestreden de beslissing van de OK (en daaraan ten grondslag liggende oordelen) in de tweedefasebeschikking dat, samengevat, de déchargebesluiten van 16 augustus 2010 en 21 april 2011 worden vernietigd voor zover die décharge betrekking heeft op het door de OK geconstateerde wanbeleid. Ook
[verzoeker]trekt daartegen ten strijde, met onderdeel P-1. Ik behandel de klachten in deze volgorde.
eerste klacht.
tweede klacht.
ten eerstedat de OK met het bestreden oordeel voorts heeft miskend dat de enkele constatering van wanbeleid op zichzelf niet volstaat om over te gaan tot vernietiging van de déchargebesluiten. Het subonderdeel wijst erop dat het hier gaat om een eindvoorziening in de zin van art. 2:356, aanhef en sub a BW in verbinding met art. 2:355 BW Pro, en dat dergelijke voorzieningen geboden (noodzakelijk) en proportioneel (in verhouding staand tot de gevolgen ervan) moeten zijn. De implicatie daarvan - dat de te maken beoordeling meer moet omvatten dan de enkele constatering dat sprake is van wanbeleid - heeft de OK miskend, nu zij haar oordeel ten aanzien van de vernietiging van de déchargebesluiten uitsluitend heeft gebaseerd op het wanbeleidoordeel, zoals volgt uit de verwijzing naar rov. 3.20 in rov. 3.27. [172]
ten tweededat indien de OK dit niet heeft miskend, het bestreden oordeel althans zonder nadere motivering - die ontbreekt - onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is, omdat niet valt in te zien dat de overwegingen van de OK in rov. 3.26-3.27 betrekking hebben op overwegingen die andere factoren omvatten dan het wanbeleidoordeel. Als zodanig kan niet worden gekwalificeerd de overweging in rov. 3.27 dat het in stand laten van de déchargebesluiten niet in het belang is van Catalpa (thans Estro Groep) en de bij haar betrokken belanghebbenden, waaronder haar crediteuren. Dit aangezien de OK hier niet motiveert waarom dit niet in het belang van de vennootschap en de bij haar betrokken belanghebbenden waaronder de crediteuren zou zijn en daaruit niet volgt waarom de vernietiging van de déchargebesluiten geboden en proportioneel zou zijn. [173]
eerste klacht.
tweede klacht.
rechtsklachtkomt neer op het volgende. Het bestreden oordeel van de OK berust op de rechtsopvatting dat de
enkeleomstandigheid dat een déchargebesluit zich mede uitstrekt over hetgeen later als wanbeleid is gekwalificeerd, maakt dat het besluit niet op goede gronden genomen is en(/althans) vernietigbaar is. Die rechtsopvatting is onjuist. Décharge is juist
bedoeldvoor de situatie waarin de gekweten functionarissen zozeer door de ondergrens zijn gezakt, dat sprake kan zijn van (onbehoorlijk bestuur en) wanbeleid. Het enkele gegeven dat die situatie zich voordoet, kan dus (zonder bijkomende omstandigheden) nooit een reden zijn om een déchargebesluit (als niet op goede gronden berustend te kwalificeren en) te vernietigen. [192]
voortbouwklachtluidt dat het slagen van de rechtsklacht meebrengt dat ook rov. 4.3-4.4 (dictum) niet overeind kunnen blijven. [193]
rechtsklacht.
voortbouwklacht.
Providence Commissarissenwordt met onderdeel PC-6 bestreden de beslissing van de OK (en daaraan ten grondslag liggende oordelen) in de tweedefasebeschikking inzake, samengevat, de veroordeling in de onderzoekskosten. Ook
[verzoeker]trekt daartegen ten strijde, met onderdeel P-2. Gelijk de
curator, met diens incidentele cassatiemiddel. Ik behandel de klachten in deze volgorde.
eerste twee klachtenveronderstellen dat het bestreden oordeel omvat dat de commissarissen verantwoordelijk zijn voor Catalpa’s wanbeleid met betrekking tot het
medezeggenschapstraject, maar dit laatste geen basis kan bieden voor hun veroordeling in de onderzoekskosten, nu de OK in zoverre voortbouwt op eerdere oordelen (in het bijzonder rov. 3.20-3.22) die ter zake voldoende grondslag missen gezien de daaraan voorafgaande overwegingen. Het subonderdeel verwijst hier naar subonderdeel PC-4.2. [197]
derde klachtveronderstelt dat het bestreden oordeel slechts ziet op het fusietraject, niet (ook) op het medezeggenschapstraject. Ook hier wordt subonderdeel PC-4.2 genoemd. [198]
eerste twee klachten.
derde klacht.
persoonlijkverwijt kan worden gemaakt. En terwijl tussen de desbetreffende commissarissen belangrijke verschillen bestaan wat betreft hun betrokkenheid, zoals blijkt uit de feiten van de zaak en uit door de Providence Commissarissen ingenomen stellingen. Zo waren de Providence Commissarissen niet betrokken bij de medezeggenschapstrajecten (zie ook subonderdeel PC5.2), anders dan bijvoorbeeld [verzoeker] . Was [verzoeker] bestuurder voordat hij commissaris was, alsook verkopend aandeelhouder. En hadden de Providence Commissarissen kennis uit hoofde van hun betrekking bij Providence. Dat het hier gaat om hoofdelijke veroordeling in de onderzoekskosten maakt het voorgaande niet anders. Een hoofdelijke veroordeling in de onderzoekskosten kan alleen worden uitgesproken als is vastgesteld op basis van een individuele beoordeling dat elk van de desbetreffende commissarissen in gelijke mate persoonlijk verwijtbaar verantwoordelijk is voor het als onjuist gekwalificeerde beleid.
ieder van henonverkort geldt dat in het kader van de fusie (specifiek: Adviesaanvraag II en het fusietraject) in het geheel geen betekenisvolle invulling is gegeven aan de verantwoordelijkheid als commissaris van Catalpa. Daarbij neemt de OK ook in aanmerking hun eerdere betrokkenheid bij de transactie en de tegenstrijdige belangen die bij hen speelden, welke factoren volgens haar anders lagen bij [verweerder 4] (die ook, en in zoverre gelijk aan [verzoeker] , later aantrad als commissaris dan de Providence Commissarissen). Zie ook onder 3.58-3.61.1 (en 3.68-3.71.2) hiervoor. Dat ieder van de Providence Commissarissen en [verzoeker] een dergelijk verwijt treft, laat onverlet dat het daarbij telkens gaat om een verwijt met een persoonlijk karakter. Wat het subonderdeel opwerpt aan feiten en stellingen staat aan dit een en ander naar de aard niet in de weg. Op het voorgaande stuit reeds af wat het subonderdeel nog opmerkt over hoofdelijke veroordeling in de onderzoekskosten. Het ligt allemaal nogal voor de hand.
eerste klachtwordt opgeworpen voor het geval de OK heeft gemeend dat de enkele omstandigheid dat genoemde commissarissen een persoonlijk verwijt treft, zonder meer voldoende is om hen (hoofdelijk) tot betaling van de integrale onderzoekskosten te veroordelen. Dan heeft de OK miskend dat zij, op basis van alle (relevante) omstandigheden van het geval, had moeten vaststellen of de commissarissen "voor het geheel, dan wel voor een bepaald gedeelte van de kosten" aansprakelijk kunnen worden geacht. [203]
tweede klachtvoert aan dat als de OK dit niet heeft miskend, en meent dat de ernst van het tekortschieten door de commissarissen voldoende is om hen hoofdelijk in de volledige onderzoekskosten te veroordelen, haar oordeel eveneens rechtens onjuist althans ontoereikend gemotiveerd is. Dan heeft de OK miskend dat ook andere omstandigheden relevant zijn die zij kenbaar had moeten betrekken bij de beoordeling of de commissarissen aansprakelijk zijn voor alle of een deel van de onderzoekskosten. Namelijk: (i) de omvang van de onderzoekskosten; alsmede (ii) dat slechts één van de vier onderzoeksvragen ziet op de rol van de commissarissen, en het grootste deel van het onderzoek en de daarmee gepaard gaande kosten dus geen betrekking had op de commissarissen. [204]
eerste klacht.
tweede klacht.
ebetreffende het kostenverhaal [thans art. 2:354 BW Pro].
(…)
Artikel 53e. Deze bepaling is ontleend aan het tegenwoordige artikel 54
b.Echter zijn de criteria aangegeven voor de gevallen waarin de vennootschap de kosten van het onderzoek zal kunnen verhalen. Ten aanzien van het verhaal op de verzoekers is daarbij aangesloten bij artikel 53
a, lid 3, en ten aanzien van het verhaal op de bestuurders, de commissarissen en het personeel van de vennootschap bij artikel 53 lid Pro 1. (…).”
a[bedoeld is art. 53
eWvK (oud)] heeft niet het karakter van een schadevergoedingsactie in eigenlijke zin. De toewijzing wordt door de regels van billijkheid beheerst; vandaar het woord “kan" en de mogelijkheid van een slechts gedeeltelijk verhaal. De rechter moet hier naar omstandigheden beslissen, waarbij hij alle omstandigheden, zoals de mate van schuld en de omvang van de kosten tegen elkaar moet afwegen.
(…)
zijntaak om uit te maken of een beleidsfout ernstig genoeg is om grond tot (geheel of gedeeltelijk) verhaal te geven.” [208]
Subonderdeel P-2.1 [213] klaagt dat de OK in het bestreden oordeel is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, indien zij heeft gemeend dat de enkele omstandigheid dat de Providence Commissarissen en [verzoeker] een persoonlijk verwijt treft
zonder meervoldoende is om hen (hoofdelijk) tot betaling van de integrale onderzoekskosten te veroordelen. In dat geval heeft de OK miskend dat zij op basis van alle (relevante) omstandigheden van het geval had moeten vaststellen of de commissarissen, onder wie [verzoeker] , "voor het geheel, dan wel voor een bepaald gedeelte van de kosten" aansprakelijk kunnen worden geacht.
Subonderdeel P-2.2 [214] klaagt dat als de OK “het voorgaande” niet heeft miskend, en dus van oordeel is dat de commissarissen op basis van alle relevante omstandigheden van het geval voor de volledige onderzoekskosten aansprakelijk zijn, dat oordeel dan nog onjuist of onbegrijpelijk is. Indien volgens de OK de ernst van het verwijt aan de commissarissen de enige relevante omstandigheid is, heeft zij miskend dat (in deze zaak) ook de sub (i)-(iv) genoemde andere omstandigheden relevant zijn en kenbaar (hadden) moeten worden betrokken bij de beoordeling of [verzoeker] als commissaris aansprakelijk is voor alle of (slechts) een deel van de onderzoekskosten. [215] Als de OK als zodanig niet heeft miskend dat die omstandigheden sub (i)-(iv) (hadden) moeten meewegen bij de beoordeling
in hoeverre[verzoeker] de onderzoekskosten moet vergoeden, dan is onbegrijpelijk haar kennelijke oordeel dat geen van die omstandigheden meebrengt dat [verzoeker] in ieder geval niet de
volledigekosten hoeft te betalen. Dat oordeel is namelijk in het geheel niet gemotiveerd.
motiveringsklacht [218] bestrijdt als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel van de OK dat, hoewel [verweerster 3] en [verweerster 2] verantwoordelijkheid dragen voor het wanbeleid bij Catalpa, de fouten die zij als Catalpa’s bestuurders hebben gemaakt niet van dien aard zijn dat hen daarvan ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Daartoe wijst de klacht op overwegingen in de tweedefasebeschikking waarin is vastgesteld, kort gezegd, dat [verweerster 3] en [verweerster 2] als bestuurders zeer onzorgvuldig hebben gehandeld. [219] In het licht van deze overwegingen is genoemd oordeel onbegrijpelijk. [220] Daaraan kan niet afdoen dat de OK gevoelig is gebleken voor het feit dat [verweerster 3] en [verweerster 2] het wel hebben geprobeerd en zich niet hebben laten leiden door persoonlijke belangen, nu die omstandigheden het handelen van [verweerster 3] en [verweerster 2] niet minder verwijtbaar maken. [221] Voor zover de OK heeft gemeend dat die omstandigheden maken dat aan de bestuurders niet
persoonlijkeen verwijt kan worden gemaakt, is dat oordeel onbegrijpelijk. [222] De conclusie is dat rov. 3.29 onbegrijpelijk is. Volgens de klacht kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen en zonder terugwijzing naar de OK oordelen dat (ook) [verweerster 3] en [verweerster 2] hoofdelijk worden veroordeeld in de onderzoekskosten, met veroordeling van [verweerster 3] en [verweerster 2] in de kosten van dit geding. [223]
motiveringsklacht.
persoonlijkeen verwijt kan worden gemaakt. Ik lees rov. 3.29 anders, gezien juist ook de vele daaraan voorafgaande overwegingen van de OK waarop de klacht doelt. [225] Die overwegingen maken het minst genomen onaannemelijk dat de OK het art. 2:354 BW Pro-verzoek van de curator ten aanzien van Catalpa’s bestuurders [verweerster 3] en [verweerster 2] afwijst vanwege het ter zake ontbreken van zelfs ieder aan hen in persoon te maken verwijt. Wat in het bijzonder zou impliceren dat [verweerster 3] en [verweerster 2] zelfs geen enkele schuld zou treffen van het door de OK benoemde tekortschieten in de vervulling van hun bestuurstaak. En wat ook niet goed zou passen bij het in het rechtspersonenrecht - met inbegrip van het enquêterecht - breed toepasselijke beginsel van de maatpersoon-bestuurder, wat ook genoemd vereiste kleurt. [226] M.i. komt de OK in het bestreden oordeel tot afwijzing van dit verzoek, omdat volgens haar voor veroordeling in de onderzoekskosten in een geval als het onderhavige een gekwalificeerd persoonlijk verwijt is vereist (meer precies: een persoonlijk ernstig verwijt). [227] En van zo’n verwijt in dit geval ten aanzien van [verweerster 3] en [verweerster 2] , al met al, geen sprake is; het blijft steken op een ongekwalificeerd verwijt dat hen persoonlijk te maken valt. [228]
rechtsklacht.
NJ2015/21 ( […] ) en HR 5 september 2014,
NJ2015/22 (RCI). In deze twee arresten heeft de Hoge Raad als ratio voor een hoge drempel voor aansprakelijkheid bovendien aanvaard dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap. De bestuurder is (slechts) secundair dader.”
persoonlijk ernstig verwijtkan worden gemaakt. Zo’n verwijt heeft, net als bij bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW Pro of art. 6:162 BW Pro, een samengesteld karakter. Het raakt aan (de aard, ernst en frequentie van) de normschending door de desbetreffende bestuurder, en aan (de mate van) diens schuld ter zake. [274] Omstandigheden waarvan de wetgever wil dat de OK die bij art. 2:354 BW Pro betrekt in haar oordeel, naast bijvoorbeeld de omvang van de onderzoekskosten en de zittingsduur van de desbetreffende functionaris. Zie onder 3.96.2 hiervoor. Zonder zo’n persoonlijk ernstig verwijt is voor zulk verhaal van onderzoekskosten op deze bestuurder dan geen plaats. Ook daarbij kan intussen worden gezegd, in de woorden van Van Schilfgaarde: [275]
bestuurdersaansprakelijkheid. Dus om de vraag naar aansprakelijkheid van die persoon
als bestuurder van die rechtspersoon, oftewel vanwege de wijze waarop die persoon
zijn bestuurstaken heeft uitgeoefend. [291] Daarvan is in genoemde benadering immers sprake. Zie onder 3.109.2-3.109.3 hiervoor.
Overigens brengt de kostenveroordeling van een (gewezen) bestuurder op de voet van art. 2:354 BW Pro en/of de constatering van wanbeleid op de voet van art. 2:355 BW Pro door de OK hoe dan ook niet mee dat ‘dus’ (voorshands moet worden aangenomen dat) deze bestuurder in die hoedanigheid aansprakelijk is voor zulke schadelijke gevolgen, bijvoorbeeld jegens de rechtspersoon op de voet van art. 2:9 BW Pro of art. 6:162 BW Pro. [294] Dat in zo’n eventuele vervolg-aansprakelijkheidsprocedure bij de daartoe bevoegde burgerlijke rechter dergelijke bevindingen van de OK een rol kunnen spelen, laat onverlet - en daaraan zal die burgerlijke rechter daarbij ook
daadwerkelijk gedisciplineerdde hand moeten houden [295] - dat daarmee rechtens de uitkomst van zo’n eventuele procedure dus allerminst gegeven is. [296] En vormt mede daarom geen rechtvaardiging om in een enquêteprocedure bij een actueel verzoek tot kostenverhaal in het kader van art. 2:354 BW Pro ‘toch maar niet’ als vereiste te hanteren dat de (gewezen) bestuurder inzake het onjuiste beleid van de rechtspersoon een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dus ondanks het bestuurdersaansprakelijkheidskarakter van zulk verhaal, de beschermingsstrekking van dit vereiste en het belang van rechtszekerheid en rechtsbescherming in dit verband. Zie onder 3.109.2-3.109.5.6 hiervoor.
Het biedt dan ook geen passende oplossing de OK krampachtig te verbieden zich voor doeleinden van art. 2:354 BW Pro uit te laten in termen van ‘aansprakelijkheid’ en ‘persoonlijk ernstig verwijt’, bijvoorbeeld omdat dergelijke begrippen en oordelen zouden zijn voorbehouden aan die burgerlijke rechter. Art. 2:354 BW Pro heeft nu eenmaal mede civielrechtelijke aansprakelijkheidskenmerken en de OK heeft nu eenmaal te beslissen op verzoeken ter zake, al maakt deze regeling onderdeel uit van het enquêterecht. [297] Zie onder 3.109.2-3.109.3 hiervoor. Het lijkt mij zinvoller dit laatste te onderkennen dan dit te ontkennen.
Providence Commissarissennog onderdeel PC-7 met een voortbouwklacht.