Conclusie
nr. 9 sub aweergegeven overweging van de rechtbank dat de gemeente uit hoofde van art. 7A:1612 BW als opvolgend verhuurster is gebonden aan de in art. 8 huurovereenkomst Pro opgenomen afspraak over de kosten voor het verbruik van electriciteit, gas en water.
nr. 9 sub bweergegeven overweging dat ieder der partijen altijd de bevoegdheid heeft op de voet van art. 13 en Pro 14 HPW vaststelling te verzoeken van de bijkomende kosten, ook wanneer zij over de kosten afspraken hebben gemaakt, maar zij het niet eens zijn over de geldigheid, inhoud, reikwijdte of strekking van de afspraken of over de vraag of de afgesproken kosten blijven beneden het maximum van art. 12 HPW Pro. Zie onder meer Asser-Rueb, 5 II, 1990, nr. 399 en 403.
nr. 9 sub cweergegeven overweging van de rechtbank, alsmede de feitelijke vaststelling van
nr. 9 sub d.
nr. 9 sub eweergegeven overweging. Een verklaring voor recht dat de gemeente gebonden is aan art. 8 huurovereenkomst Pro staat er niet aan in de weg dat ieder der partijen zich daarna rechtstreeks tot de kantonrechter of op de voet van art. 13 en Pro 14 HPW tot de Huurcommissie/kantonrechter wendt met een vordering of verzoek de bijkomende betalingsverplichting (opnieuw) vast te stellen. Indien gewenst kan dit zelfs meteen bij wege van reconventie in de procedure tot het verkrijgen van de verklaring voor recht gebeuren. De bevoegdheid om dit te doen moet, zoals hiervoor gezegd, onderscheiden worden van de vraag of in afwijking van wat partijen zijn overeengekomen, zo'n vordering of verzoek voor toewijzing vatbaar is.