Conclusie
Zitting 12 september 1997
mr De Vries Lentsch – Kostense
Conclusie inzake
[eiseres 2] B.V.
De Kantonrechter heeft in zijn vonnis van 28 maart 1995 [eiseres 2] toegelaten in het geding als gevoegde dan wel als tussenkomende partij.
De Kantonrechter heeft voorts in het midden gelaten of in casu sprake was van huur van roerend goed - in welk geval [verweerster] vordering zonder meer voor toewijzing gereed zou liggen - dan wel van huur van "1624-bedrijfsruimte", in welk geval van belang is of is voldaan aan de door de wet gestelde eisen voor opzegging waaronder het vereiste van het dringend nodig hebben voor eigen gebruik als bedoeld in art. 7A:1631a lid 2 onder 2 BW. De Kantonrechter heeft eerst onder ogen gezien of aan laatstbedoeld vereiste is voldaan aangezien de vordering van [verweerster] dan in ieder geval zou moeten worden toegewezen. De Kantonrechter is vervolgens tot de slotsom gekomen dat voldoende aannemelijk is dat [verweerster] bedrijfseconomische redenen heeft die van zodanig gewicht zijn dat gezegd moet worden dat dringende noodzaak van eigen gebruik aannemelijk is. De vordering van [verweerster] wordt dan ook toegewezen bij vonnis van 20 juni 1995.
De Rechtbank te 's-Gravenhage bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter bij eindvonnis van 8 mei 1996. Zij sanctioneert de hiervoor beschreven "werkwijze" van de Kantonrechter. Overwogen wordt dat inderdaad in het midden kan blijven wie als huurder dient te worden aangemerkt aangezien beantwoording van die vraag voor de beslissing niet relevant is. Tevens wordt overwogen dat de Kantonrechter terecht bij de beoordeling van het verweer van [eiser 1] en [eiseres 2] dat de opzegging niet rechtsgeldig is, veronderstellenderwijs ervan is uitgegaan dat in casu sprake was van huur van "1624-bedrijfsruimte" aangezien dat uitgangspunt voor [eiser 1] en [eiseres 2] het meest gunstig is nu moet worden geconcludeerd dat de vordering van [verweerster] anders in elk geval voor toewijzing vatbaar zou zijn, een conclusie die, zoals hiervoor onder 3 gezegd, in cassatie niet wordt bestreden. Ik merk reeds aanstonds op dat uit het hier betoogde moge volgen dat het cassatiemiddel belang mist voor zover het tegen deze "werkwijze" opkomt.
Vervolgens behandelt de Rechtbank de grieven gericht tegen het oordeel van de Kantonrechter dat [verweerster] aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een dringende noodzaak van eigen gebruik als bedoeld in art. 7A:1631a lid 2 onder 2 BW. Zij stelt daarbij voorop dat een verzoek tot beëindiging van een huurovereenkomst van bedrijfsruimte waarop deze bepaling van toepassing is - van welke situatie in casu veronderstellenderwijs wordt uitgegaan - op grond van het tweede artikellid door de rechter moet worden toegewezen indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het gehuurde duurzaam in eigen gebruik wil nemen als bedrijfsruimte en dat hij het gehuurde daartoe dringend nodig heeft. Onder verwijzing naar Uw arrest van 25 oktober 1991, NJ 1992, 148, m.nt. PAS, stelt de Rechtbank vast dat voor een afweging van de belangen van de verhuurder en de huurder dan geen plaats meer is en dat algemene bedrijfseconomische redenen zeer wel voldoende kunnen zijn om een dringende noodzaak van eigen gebruik aannemelijk te achten.
Daarop oordeelt de Rechtbank dat op geen enkele manier is gebleken of aannemelijk is gemaakt dat de wens van [verweerster] om het gehuurde zelf duurzaam als bedrijfsruimte te gaan gebruiken gefingeerd of onhaalbaar zou zijn.
De Rechtbank onderschrijft vervolgens het oordeel van de Kantonrechter dat in casu de dringende noodzaak van eigen gebruik en de bedrijfseconomische redenen wel degelijk aanwezig zijn. Overwogen wordt in dat verband dat in confesso is dat [verweerster] grote investeringen heeft gedaan in verband met de door haar gerealiseerde nieuwbouw, investeringen die vanzelfsprekend moeten worden terugverdiend, en dat voorts onomstreden is dat [verweerster] de mogelijkheid krijgt om sponsorcontracten af te sluiten ingeval zij de exploitatie van het verhuurde zelf ter hand neemt, contracten die voor haar niet mogelijk zijn bij voortzetting van de verhuur aan [eiser 1] en/of [eiseres 2] .
Tenslotte overweegt de Rechtbank dat niet opgaat de stelling van [eiser 1] en [eiseres 2] dat sprake is van een overname van [verweerster] en dat [verweerster] daarbij misbruik maakt van het huurrecht. Van misbruik van recht is geen sprake omdat [verweerster] een legitiem beroep doet op de vigerende huurbepalingen, zo deze hier toepasselijk zijn. Aldus de Rechtbank.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de door [verweerster] aangevoerde bedrijfseconomische redenen een dringende noodzaak van eigen gebruik opleveren. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat slechts sprake is van "wenselijkheid" van eigen gebruik. Aan het vereiste van "dringende noodzaak" als bedoeld in voornoemde bepaling is voldaan ingeval het gehuurde object voor de verhuurder van wezenlijk belang is. Zie Smit, a.w., p. 96 met verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij de wet van 26 juni 1995, stb. 339 (Kamerstukken II 1974/75, 12 312, nr. 5, p. 7). Het middel faalt voor zover het uitgaat van een andere rechtsopvatting. In de hiervoor onder 10 besproken overwegingen van de Rechtbank ligt besloten dat de fotokiosk voor [verweerster] van wezenlijk belang was. Zoals gezegd is dat oordeel wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard verder niet op zijn juistheid te toetsen.
De aan het slot van middel 4 vervatte klacht dat zich hier wreekt dat na de tegenspraak geen bewijs meer behoefde plaats te vinden, faalt reeds omdat de Rechtbank bedoelde tegenspraak als onvoldoende gemotiveerd heeft gepasseerd.
Ook dit middel ziet eraan voorbij dat de Rechtbank heeft geconcludeerd dat de stellingen van [verweerster] onvoldoende gemotiveerd door [eiser 1] en [eiseres 2] zijn weersproken omdat zij op geen enkele wijze aannemelijk konden maken dat de stellingen van [verweerster] onjuist zouden zijn. Dat aan de Rechtbank voorbehouden oordeel is niet onbegrijpelijk; het is voldoende gemotiveerd.
Hoge Raad der Nederlanden